Arrest d.d. 31 januari 2012 Zaaknummer 200.081.320/01 (Zaaknummer rechtbank: 288090 CV EXPL 10-2928) HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN Arrest van de eerste kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van: Harsco Infrastructure Industrial Services B.V., voorheen genaamd SGB Cleton B.V., gevestigd te Helmond, appellante, in eerste aanleg: eiseres in conventie, verweerster in reconventie, hierna te noemen: SGB, advocaat: mr. J.V. van Ophem, kantoorhoudende te Leeuwarden, voor wie heeft gepleit mr. M.J. Keuss, advocaat te Amsterdam, tegen [geïntimeerde], wonende te [woonplaats], geïntimeerde, in eerste aanleg: gedaagde in conventie, eiser in reconventie, hierna te noemen: [geïntimeerde], advocaat: mr. E.P. Cornel, kantoorhoudende te Enschede, die ook heeft gepleit. Het geding in eerste instantie In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het vonnis uitgesproken op 22 december 2010 door de rechtbank Assen, sector kanton, locatie Emmen (hierna: de kantonrechter). Het geding in hoger beroep Bij exploot van 7 januari 2011 is door SGB hoger beroep ingesteld van genoemd vonnis met dagvaarding van [geïntimeerde] tegen de zitting van 10 januari 2012 (bedoeld en opgevat als: 2011, hof). De conclusie van de memorie van grieven, waarbij een productie is gevoegd, luidt: "bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het vonnis (…) te vernietigen en opnieuw rechtdoende de vorderingen van SGB alsnog integraal toe te wijzen en de vordering van [geïntimeerde] in voorwaardelijke reconventie integraal af te wijzen, onder veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van de procedure in eerste aanleg en in appel." Bij memorie van antwoord is door [geïntimeerde] verweer gevoerd met als conclusie: "bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, primair SGB niet ontvankelijk te verklaren in het ingestelde hoger beroep dan wel haar vorderingen af te wijzen en het vonnis (…) te bevestigen, zonodig onder verbetering en/of aanvulling van de gronden, subsidiair de vordering van [geïntimeerde] in voorwaardelijke reconventie alsnog toe te wijzen, met veroordeling van SGB in de kosten van de procedure in beide instanties." Vervolgens hebben partijen hun zaak doen bepleiten aan de hand van pleitnota's. Ten slotte is arrest gevraagd op het pleitdossier. De grieven SGB heeft tien grieven opgeworpen. De beoordeling De feiten 1. SGB heeft niet gegriefd tegen de door de kantonrechter vastgestelde feiten, zodat ook het hof daarvan kan uitgaan. Samen met wat voorts tussen partijen, als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende gemotiveerd betwist, als vaststaand heeft te gelden, komen de feiten op het volgende neer. 1.1 [geïntimeerde] is in februari 1978 in dienst getreden bij (een rechtsvoorgangster van) SGB en bekleedde laatstelijk de functie van vestigingsmanager in Meppen, Duitsland, tegen een salaris van € 5.681,- bruto per 4 weken. [geïntimeerde] was tevens voorzitter van de ondernemingsraad van SGB. 1.2 Naar aanleiding van de ontvangst van een anonieme brief heeft SGB een onderzoeksopdracht gegeven aan [X bedrijfsrecherche] (hierna: [X bedrijfsrecherche]). 1.3 Op 11 en 24 juni 2009 heeft SGB met [geïntimeerde] gesproken naar aanleiding van bevindingen van [X bedrijfsrecherche], waaruit volgens SGB bleek van mogelijke betrokkenheid van [geïntimeerde] bij administratieve onregelmatigheden c.q. onrechtmatige concurrentie door concurrent Clefi Insulation B.V. te Emmen (hierna: Clefi). Clefi is opgericht door [de directeur van Clefi], die statutair bestuurder van SGB was tot zijn vertrek per maart 2007. Volgens [geïntimeerde] was sprake van een misverstand. 1.4 De aan De Unie verbonden [Y], die inmiddels als gemachtigde optrad voor [geïntimeerde], heeft op 25 juni 2009 telefonisch aan directielid [Z] van SGB voorgesteld te komen tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst per 1 juli 2009, onder toekenning aan [geïntimeerde] van een bruto jaarsalaris, waarbij [geïntimeerde] afstand zou doen van zijn tegoed aan vakantie- en snipperuren, een en ander met finale kwijting van partijen. 1.5 Bij brief van 26 juni 2009 heeft [Z] aan [Y] bevestigd dat dit voorstel is gedaan en dat SGB nog met [geïntimeerde] wil spreken omdat SGB nog een aantal vragen heeft, nadat zij de reactie van [geïntimeerde] op 24 juni 2009 had vergeleken met andere verklaringen. 1.6 Op 29 juni 2009 hebben [Z] en [geïntimeerde] elkaar in Helmond gesproken. 1.7 Bij mail van 30 juni 2009 heeft SGB een brief naar [geïntimeerde] gestuurd waarin onder meer verwezen wordt naar het gesprek op 29 juni 2009: "Je gaf hierbij aan dat je, mede gezien je privé-situatie, meer vrije tijd wilde hebben en je sowieso in je zakelijke omgeving ook meer ruimte wilde hebben, iets wat binnen de SGB-structuur niet (meer) mogelijk zou zijn. Ik heb, alles overwegende, mede in acht genomen de inhoud van beide gesprekken waarin je aangaf dat er, zakelijk weergegeven, geen sprake was van bevoordeling van directe concurrenten (waaronder Clefi) je voorstel overwogen en met mijn mede-directeuren inmiddels besproken. We gaan akkoord met het door jou (en door [Y]) geformuleerde voorstel (…)" en waarin vervolgens dat voorstel puntsgewijs is weergegeven, afgesloten met: "8. Wij verlenen elkaar, na effectuering van bovengenoemde afspraken, op basis van alle tot nu toe bekende feiten en indachtig jouw verklaringen d.d. 11, 24 en 29 juni 2009, over en weer finale kwijting. Deze finale kwijting heeft geen betrekking op feiten en omstandigheden die ten tijde van ondertekening van deze overeenkomst niet bekend waren." 1.8 Namens [geïntimeerde] heeft [Y] op 1 juli 2009 per mail gereageerd en geschreven: "Ik heb de vrijheid genomen een beëindigingsovereenkomst op te stellen los van emoties en randverschijnselen. Deze overeenkomst is zodanig opgesteld dat daardoor [geïntimeerde] ook nog aanspraak zou kunnen maken op een WW-uitkering als hij daarvan afhankelijk mocht worden. De finale kwijting over en weer is zodanig opgesteld vanwege het feit dat als er mocht blijken van een onrechtmatige daad door [geïntimeerde], dit altijd nog aan enig rechtscollege kan worden voorgelegd." De bij de mail van [Y] als bijlage gevoegde beëindigingsovereenkomst eindigt met punt 8, dat luidt dat partijen elkaar over en weer finale kwijting verlenen. 1.9 In reactie hierop heeft [Z] op 3 juli 2009 om 12.21 uur naar [Y] een faxbrief gestuurd waarin hij constateert dat alle primaire voorwaarden ongewijzigd zijn gebleven, maar dat de vaststellingovereenkomst behoorlijk is ingekrompen. Hij benadrukt dat van groot belang is dat [geïntimeerde] heeft ontkend dat sprake was van lekken naar een concurrent: "omdat wij vanzelfsprekend nooit akkoord zouden gaan met een beëindigingsvergoeding van ruim € 80.000,- indien er sprake zou zijn geweest van administratieve onregelmatigheden c.q. het weglekken van belangrijke bedrijfsinformatie naar een concurrent. U merkt overigens terecht op dat indien mocht blijken dat er wel sprake is van een onrechtmatige daad door de heer [geïntimeerde], dit altijd nog aan enig rechtscollege kan worden voorgelegd. Een juiste constatering, want niet bekende feiten en omstandigheden vallen nooit onder een finale kwijtingbepaling. Hetzelfde geldt voor het geval achteraf blijkt dat de heer [geïntimeerde] concreet uitzicht op ander werk had. Gelet op het vorenstaande en verwijzend naar de inhoud van mijn vorige mails/vaststellingsovereenkomst (waarvan de inhoud hier wordt herhaald en ingelast) constateer ik dat wij, volgens mij, thans overeenstemming hebben bereikt met betrekking tot de beëindiging van het dienstverband. Mocht de heer [geïntimeerde], gezien het vorenstaande, verder geen bezwaren hebben, dan zie ik een door hem ondertekend exemplaar met belangstelling (onverwijld) tegemoet." 1.10 [geïntimeerde] heeft op 3 juli 2009 om 15.13 uur de door hem ondertekende, door [Y] opgestelde, beëindigingsovereenkomst naar SGB gefaxt. Daarna heeft SGB diezelfde dag de overeenkomst ondertekend en naar [Y] gestuurd. 1.11 Het dienstverband tussen SGB en [geïntimeerde] is met ingang van 1 juli 2009 geëindigd. SGB heeft aan [geïntimeerde] in het kader van zijn vertrek de tussen partijen overeengekomen vergoeding van € 82.124,54 bruto voldaan. 1.12 Per 1 augustus 2009 is [geïntimeerde] in dienst getreden bij Clefi. 1.13 SGB heeft op 22 april 2010 de beëindigingsovereenkomst partieel, voor wat betreft de vergoeding, vernietigd. De vorderingen en beoordeling daarvan in eerste aanleg 2.1 SGB heeft aangevoerd dat de overeenkomst is gesloten onder de voorwaarden in de onder 1.9 geciteerde brief. Volgens haar is gebleken dat [geïntimeerde] wel zicht had op ander werk. Voorts heeft [geïntimeerde] zijn mededelingsplicht daaromtrent geschonden. Verder heeft hij tijdens zijn dienstverband met SGB onrechtmatig gehandeld door offertes naar Clefi door te geleiden waardoor SGB schade heeft geleden. 2.2 Na wijziging van eis heeft SGB in conventie primair op grond van onverschuldigde betaling de terugbetaling gevorderd van € 82.124,54. Subsidiair is een verklaring voor recht gevorderd dat de beëindigingsovereenkomst partieel is vernietigd of ontbonden, dan wel uit te spreken dat deze partieel wordt vernietigd of ontbonden. Voorts is gevorderd [geïntimeerde] te veroordelen tot schadevergoeding, nader op te maken bij staat, en tot betaling van buitengerechtelijke kosten. 2.3 [geïntimeerde] heeft, voor het geval in conventie wordt geoordeeld dat de overeengekomen vergoeding terugbetaald moet worden, vernietiging gevorderd van de onderdelen van de overeenkomst die zien op de afstand door hem van de hem toekomende bonus en vergoeding voor niet genoten verlofuren, alsmede van de overeengekomen finale kwijting. 2.4 De kantonrechter heeft de vorderingen in conventie afgewezen en daartoe het volgende overwogen. Met de onder 1.7 geciteerde brief heeft SGB het aanbod van [geïntimeerde] aanvaard en niet is gebleken dat daarbij is overeengekomen dat [geïntimeerde] geen zicht mocht hebben op ander werk. [geïntimeerde] had geen mededelingsplicht. Niet is gebleken van een tekortkoming van [geïntimeerde] bij de nakoming van de beëindigingsovereenkomst. SGB heeft voorts te weinig gesteld omtrent schadeplichtigheid van [geïntimeerde]. Aan de voorwaardelijke reconventionele vordering kwam de kantonrechter daarom niet toe. Bespreking van de grieven 3. Met de grieven 1 tot en met 6 betwist SGB het oordeel van de kantonrechter omtrent haar beroep op de voorwaarden waaronder de beëindigingsovereenkomst is gesloten. Het hof ziet aanleiding deze grieven gezamenlijk te bespreken en stelt daarbij voorop dat de partij, die stelt dat een overeenkomst onder (ontbindende) voorwaarde is aangegaan en dat die voorwaarde is vervuld, bij voldoende betwisting zowel het bestaan, de inhoud als het vervuld zijn van de voorwaarde dient te bewijzen (HR 22 maart 2011, LJN: BP6597). 4. Volgens SGB maken de twee volgende voorwaarden deel uit van de beëindigingsovereenkomst:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.