ECLI:NL:GHLEE:2012:BW1960
Beschikking d.d. 15 maart 2012 Zaaknummer 200.093.833 HET GERECHTSHOF LEEUWARDEN Beschikking in de zaak van [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, hierna te noemen: [appellant], advocaat mr. S. Kousedghi, kantoorhoudende te 's-Gravenhage.
Belanghebbende: [geïntimeerde], domicilie kiezend te Amsterdam. in zijn hoedanigheid van erfgenaam van wijlen [de overledene], geïntimeerde, hierna te noemen: [geïntimeerde], advocaten mr. P.A.H. Tjong-A-Hung, kantoorhoudende te Amsterdam en mr. A.D. Leuftink, kantoorhoudende te Naarden.
Het geding in eerste aanleg Bij beschikking van 7 oktober 2009 (zaaknummer 156230 / FA RK 09-1164) heeft de rechtbank Zwolle-Lelystad, locatie Lelystad (hierna: de rechtbank) de beslissing op het verzoek van [appellant] aangehouden om [geïntimeerde] in de gelegenheid te stellen als belanghebbende te worden gehoord.
Bij beschikking van 17 juni 2011 heeft de rechtbank [appellant] niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek.
Het geding in hoger beroep Bij beroepschrift, binnengekomen op de griffie op 13 september 2011, heeft [appellant] verzocht de beschikkingen van de rechtbank van 7 oktober 2009 en van 17 juni 2011 te vernietigen en opnieuw beslissende het verzoek van [appellant] om de betwisting van de afstamming van [appellant] volgens de geboorteakte (als zoon van [appellant]) en de inroeping van de werkelijke staat van [appellant] (als de biologische zoon van [de overledene]) gegrond te verklaren, alsmede de Ambtenaar van de Burgerlijke Stand te Curaçao te bevelen om de geboorteakte van [appellant] te corrigeren en daarin de persoonsgegevens van [appellant] door te halen met gelijktijdige vermelding van de persoonsgegevens van [de overledene] als de vader van [appellant], kosten rechtens.
Bij verweerschrift, binnengekomen op de griffie op 24 oktober 2011, heeft [geïntimeerde] het verzoek bestreden en primair verzocht de beschikkingen waarvan beroep te bekrachtigen. Voor het geval [appellant] ontvankelijk is in zijn verzoek, heeft [geïntimeerde] subsidiair verzocht de verzoeken van [appellant] alsnog af te wijzen en te bepalen dat alle getuigen die [appellant] heeft voorgesteld gehoord dienen te worden waarbij [geïntimeerde] in de gelegenheid zal worden gesteld voor een contra-enquête, waarbij [geïntimeerde], voor zover er enige bewijslast op hem rust, ter onderbouwing van zijn stellingen getuigen kan aandragen. Voorts verzoekt [geïntimeerde] [appellant] te veroordelen in de kosten van deze procedure, alsmede te bepalen dat er over de proceskostenveroordeling wettelijke rente is verschuldigd vanaf de datum van uitspraak tot aan de dag der algehele voldoening.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de overige stukken, waaronder een brief van 21 oktober 2011 met bijlagen van mr. Kousedghi en een brief van 6 februari 2012 met bijlagen van mr. Tjong-A-Hung.
Ter zitting van 17 februari 2012 is de zaak behandeld. Verschenen zijn [appellant], bijgestaan door mr. Kousedghi en [geïntimeerde], bijgestaan door mr. Tjong-A-Hung en mr. Leuftink. Mr. Leuftink heeft ter zitting mede het woord gevoerd aan de hand van een door hem overgelegde pleitnota. Het hof heeft de pleitnota aan de hand waarvan mr. Kousedghi het woord heeft willen voeren geweigerd, omdat deze niet voldeed aan de in artikel 1.4.4 van het Procesreglement Verzoekschriftprocedures Familiezaken Gerechtshoven (hierna: het procesreglement) gegeven norm.
Vaststaande feiten 1. [appellant] is [in 1950] geboren staande het huwelijk van [appellant] (hierna: [de vader].) en [de moeder].
De overwegingen * Het hoger beroep gericht tegen de tussenbeschikking van 7 oktober 2009 8. Nu [appellant] geen grieven heeft gericht tegen de tussenbeschikking van de rechtbank van 7 oktober 2009 dient het ingestelde hoger beroep tegen die beschikking te worden afgewezen. * Het procesdossier in hoger beroep 9. [geïntimeerde] heeft zich ter zitting primair op het standpunt gesteld dat het verzoek van [appellant] dient te worden afgewezen, nu niet alle processen-verbaal van de zittingen in eerste aanleg door [appellant] aan het hof zijn overgelegd en [appellant] evenmin de nadere verklaring van [geïntimeerde], zoals door [geïntimeerde] in eerste aanleg overgelegd bij akte van 23 november 2010, in het geding heeft gebracht.
De persoonlijke staat zoals die volgt uit de wet 15. Het eerste niveau is de persoonlijke staat zoals die volgt uit de wet. Tussen partijen is niet in geschil dat de persoonlijke staat van [appellant] volgens de wet 'zoon van [de vader].' is, nu [appellant] staande het huwelijk van zijn moeder en [de vader]. is geboren. De persoonlijke staat volgens de wet kan slechts veranderen door een gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap. Hiertoe staan [appellant] evenwel na de onherroepelijke beschikking van de Hoge Raad van 11 juli 2008 geen rechtsmiddelen meer ter beschikking. Zijn persoonlijke staat volgens de wet staat dan ook vast.
De persoonlijke staat zoals die volgt uit de geboorteakte 16. De persoonlijke staat die volgt uit de wet wordt vastgelegd in een akte. Met de akte van geboorte kan de staat volgens de wet worden bewezen. Blijkens de in eerste aanleg overgelegde geboorteakte is de persoonlijke staat van [appellant] volgens zijn geboorteakte eveneens die van zoon van [de vader]. De persoonlijke staat van [appellant] volgens zijn geboorteakte stemt derhalve overeen met de persoonlijke staat van [appellant] volgens de wet. Dat de akte overigens onjuist is, is gesteld noch gebleken. De stelling van [appellant] dat de vermelding van [de vader]. als vader van [appellant] in de geboorteakte vals is passeert het hof, nu de ten tijde van de geboorte van [appellant] geldende vaderschapsregel immers met zich meebracht dat [de vader]. werd aangemerkt als de juridische vader van [appellant] en als zodanig in de geboorteakte diende te worden vermeld.
De persoonlijke staat die men bezit 17. Bij het ontbreken van een persoonlijke staat volgens de wet, dan wel een discrepantie tussen de persoonlijke staat volgens de wet en de persoonlijke staat zoals die volgt uit de geboorteakte, bezit men ook een staat. Bezit van staat kan worden afgeleid uit de wijze waarop iemand met een zekere duurzaamheid aan het maatschappelijk verkeer deelneemt en die er naar zijn uiterlijke vorm op duidt dat hij in een bepaalde familiebetrekking tot iemand staat (HR 7 november 2003, NJ 2004, 98, m.nt. SW).
De beoordeling 18. Naar het oordeel van het hof kan van een betwisting van staat als bedoeld in artikel 1:209 BW in casu geen sprake zijn. Het hof neemt daartoe in aanmerking dat de staat van [appellant] zowel volgens de wet als volgens zijn geboorteakte die van 'zoon van [de vader].' is. Slechts indien er een discrepantie zou bestaan tussen de persoonlijke staat van [appellant] volgens de wet en de persoonlijke staat van [appellant] volgens zijn geboorteakte, kan sprake zijn van een betwisting van staat. Het bezit van staat zou in casu ook uitsluitend in dat geval een rol van betekenis spelen in de beoordeling van het verzoek. Deze systematiek is naar het oordeel van het hof in overeenstemming met het uitgangspunt dat een kind in beginsel slechts één juridische vader kan hebben.
De proceskosten 23. Het hof ziet geen aanleiding om, zoals door [appellant] en [geïntimeerde] verzocht, af te wijken van het gebruikelijke uitgangspunt terzake de proceskosten en zal de kosten van het geding daarom compenseren, in die zin dat ieder der partijen de eigen kosten draagt.
Slotsom 24. Op grond van het vorenstaande zal het hof beslissen als na te melden.
De beslissing Het gerechtshof: wijst af het hoger beroep tegen de beschikking van de rechtbank Zwolle-Lelystad, locatie Lelystad, van 7 oktober 2009; vernietigt de beschikking van de rechtbank Zwolle-Lelystad, locatie Lelystad, van 17 juni 2011 waarvan beroep; en opnieuw beslissende: wijst het door [appellant] verzochte af; wijst af het meer of anders verzochte; bepaalt dat iedere partij de eigen kosten van het geding draagt.
Deze beschikking is gegeven door mrs. R. Feunekes, voorzitter, A.H. Garos en J.H. Bosch en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof op 15 maart 2012 in bijzijn van de griffier.