Arrest d.d. 17 april 2012 Zaaknummer 200.081.620/01 (zaaknummer rechtbank: 144919 / HA ZA 08-557) HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN Arrest van de tweede kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van: NSI Kantoren B.V., gevestigd te Hoorn, appellante, in eerste aanleg: eiseres in conventie, verweerster in reconventie, hierna te noemen: NSI, advocaat: mr. S. van der Kamp, kantoorhoudende te Amsterdam, tegen 1. [geïntimeerde 1], gevestigd te [woonplaats], hierna te noemen: [geïntimeerde 1], 2. Eurocommerce Holding B.V., gevestigd te Deventer, hierna te noemen: ECH, geïntimeerden, in eerste aanleg: gedaagden in conventie, eiseressen in reconventie, hierna gezamenlijk te noemen: ECH c.s., advocaat: Mr. N.P.M. Haas, kantoorhoudende te Enschede. Het geding in eerste instantie In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het vonnis uitgesproken op 10 november 2010 door de rechtbank Zwolle-Lelystad. Het geding in hoger beroep Bij exploot van 19 januari 2011 is door NSI hoger beroep ingesteld van genoemd vonnis met dagvaarding van ECH c.s. tegen de zitting van 8 februari 2011. De conclusie van de dagvaarding in hoger beroep luidt: "bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad op de minuut en op alle dagen en uren, te vernietigen het vonnis van de Rechtbank Zwolle-Lelystad, sector civiel, onder zaak-/rolnummer 144919 / HA ZA 08-557 op 10 november 2010 tussen partijen gewezen en, opnieuw rechtdoende, de vorderingen van appellante toe te wijzen, met veroordeling van geïntimeerden in de kosten van beide instanties, onder de bepaling dat, uitvoerbaar bij voorraad, deze bedragen binnen 14 dagen na het wijzen van arrest moeten zijn voldaan en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het einde van deze termijn tot de dag der algehele voldoening." De conclusie van de memorie van grieven luidt: "het vonnis, tussen partijen door de rechtbank te Zwolle-Lelystad, sector civiel recht, op 10 november 2010 gewezen onder zaaknummer 144919 / HA ZA 08-557, te vernietigen en opnieuw rechtdoende bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de vorderingen van appellante, oorspronkelijk eiseres, zo nodig onder aanvulling en/of verbetering van gronden alsnog toe te wijzen, met veroordeling van geïntimeerden tot betaling van de kosten in beide instanties." Bij memorie van antwoord is door ECH c.s. verweer gevoerd met als conclusie: "het vonnis van de Rechtbank Zwolle-Lelystad te bekrachtigen, eventueel met verbetering van gronden, met een veroordeling van NSI in de kosten van de procedure, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, zulks uitvoerbaar bij voorraad." Vervolgens hebben partijen hun zaak doen bepleiten onder overlegging van pleitnota's door hun advocaten. Ten slotte hebben partijen arrest gevraagd en heeft het hof een dag bepaald waarop arrest zal worden gewezen. De grieven NSI heeft vier grieven opgeworpen. De beoordeling 1 De feiten 1.1. De rechtbank heeft in haar vonnis van 10 november 2010 een aantal feiten vastgesteld. Daartegen is geen grief gericht zodat deze feiten ook in dit hoger beroep vaststaan. Het gaat om het volgende. 1.2. NSI is een beleggingsmaatschappij in vastgoed. [geïntimeerde 1] was voorheen genaamd Eurocommerce Robex Groep B.V. [geïntimeerde 1] is een ontwikkelaar van vastgoed, die zich specialiseert in realisatie van turn-key-projecten. 1.3. Één van die door NSI van [geïntimeerde 1] of Eurocommerce Robex Groep B.V. gekochte projecten betreft het kantoorgebouw Le Coin aan de Snipperlingsdijk te Deventer. Met betrekking tot Le Coin is tussen NSI en Eurocommerce Robex Groep B.V. een koop-/aannemingsovereenkomst getekend op 22 januari 2003. 1.4. Op 19 mei 2003 is Le Coin, onder meer bestaande uit appartementsrechten aan NSI geleverd. Uit de akte van levering blijkt dat deze appartementsrechten recht gaven op het uitsluitend gebruik van parkeerplaatsen op het dak van de parkeergarage van Le Coin. 1.5. Le Coin was bij oplevering volledig verhuurd aan Fortis Bank (Nederland) N.V. (verder: Fortis). In verband hiermee is op 4 december 2002 tussen Eurocommerce Robex Groep B.V. en Fortis een huurovereenkomst aangegaan ingaande 15 maart 2003 voor een periode van 10 jaar. 1.6. De parkeergarage van Le Coin heeft 10 parkeerplaatsen terwijl op het dak van de parkeergarage 9 parkeerplaatsen waren gerealiseerd. 1.7. Bij brief van 17 december 2003 schrijft Eurocommerce Projectonwikkeling aan NSI, voor zover thans van belang: “(…) De gemeente Deventer heeft de wens om, in het kader van de inrichting van het gebied waarin Le Coin is gelegen, onder meer het dak van de parkeergarage een zogenaamd groen karakter te geven. De daarop aangelegde parkeerplaatsen dienen daartoe te worden verplaatst naar de locatie langs de Verlengde Kazernestraat. De daarvoor benodigde grond wordt worden en aan uw perceel toegevoegd. Op uw wens om 10 parkeerplaatsen in de kelder te verkrijgen kunnen wij niet ingaan, omdat deze niet meer beschikbaar zijn (…)” 1.8. Bij brief van 20 januari 2004 schrijft Eurocommerce Projectontwikkeling aan NSI: “Bijgaand treft u aan het concept bestek en de concepttekeningen met betrekking tot de terreininrichting van Le Coin zoals wij die ontvingen van de gemeente Deventer – [X]. Bijgevoegd hebben we onze opmerkingen welke via e-mail aan de heer [X] verzonden zijn. Ook bijgevoegd de goedkeuring en opmerking van Fortis Bank op de plannen. (…)” 1.9. Bij brief van 9 februari 2004 schrijft NSI aan Eurocommerce Robex Groep B.V.: “Bijgaand zenden wij u stukken inzake de wijziging van de terreininrichting bij kantoorgebouw Le Coin te Deventer retour. Zoals wij reeds in onze bespreking met de heer [Y] eind december 2003 hebben besproken, is het thans liggende voorstel voor de wijziging van de ligging van de buitenparkeerplaatsten voor ons niet acceptabel en gaan hier derhalve niet mee akkoord. Reden hiervoor is dat de afsluiting van de parkeerplaatsen door middel van parkeerbeugels afbreuk doet aan ons kantoorgebouw alsmede dat als gevolg van regelmatig voorziene aanrijdschade van de parkeerbeugels dit veelvuldig kosten met zich meebrengt. Gaarne zien wij een nieuw voorstel voor de situering van de parkeerplaatsen. Gaarne zien wij een nieuw voorstel voor de situering van de parkeerplaatsen uitgewerkt waarbij het terrein is afgesloten met een slagboom.” 1.10. Bij brief van 17 februari 2006 (verzonden 20 februari 2006) schrijft de gemeente Deventer aan Fortis als volgt: “Gaarne vragen wij uw aandacht voor het volgende. De Stichting VeenSnip/Bewonerscommissie Veensweg, p/a de heer [Z] (…) heeft ons verzocht handhavend op te treden tegen het als parkeerterrein van het dak van de ondergrondse parkeergarage gelegen tussen de Snipperlingsdijk en de Twentestraat. Een afschrift van het verzoek treft u bijgaand ter kennisneming aan. Dit parkeerterrein is bij u in gebruik. Dit gebruik is in strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan, hetgeen betekent dat het handhavingsverzoek in beginsel voor inwilliging in aanmerking komt en dat u het gebruik als parkeerterrein dient te beëindigen. Alvorens hierover een definitief standpunt te bepalen stellen wij u voor deze kwestie op korte termijn van gedachten te wisselen met de heer [wethouder]. (…) Een gelijkluidende brief hebben wij toegezonden aan de eigenaar van uw pand: Nieuwe Steen Investments N.V. (…)” 1.11. Bij brief van 20 september 2006 (verzonden 27 september 2006) aan NSI hebben burgemeester en wethouders van Deventer ter kennisneming hun ontwerpbesluit op het handhavingsverzoek inzake het gebruik van het dak van de parkeergarage als bovengrondse parkeergelegenheid toegezonden. 1.12. Bij besluit van 7 november 2006, verzonden 22 november 2006, heeft het college van burgemeester en wethouders van Deventer een aanschrijving bestuursdwang aan Fortis doen toekomen waarbij Fortis wordt gesommeerd het gebruik als parkeerdek van het dak van de parkeergarage van Le Coin, binnen zes weken na verzending van dit besluit te staken en gestaakt te houden alsmede de toegang tot dit terrein voor gemotoriseerd verkeer onmogelijk te maken door het plaatsen van twee toegangsbelemmerende paaltjes of op een andere daartoe geschikte door het college vooraf goed te keuren wijze naar keuze van de overtreder. 1.14. Bij uitspraak van 22 januari 2008 van de sector bestuursrecht van de rechtbank Zwolle-Lelystad is het door onder andere Fortis tegen het hiervoor genoemde handhavingsbesluit gerichte beroep ongegrond verklaard. 1.15. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in hoger beroep de door Fortis en NSI aangevallen beslissing van de rechtbank bij uitspraak van 3 december 2008 bevestigd. 2 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg 2.1. NSI vordert dat ECH c.s. hoofdelijk zullen worden veroordeeld tot betaling van € 195.040,-. Voorts vordert NSI een verklaring voor recht dat de kosten van de negen tijdelijke parkeerplaatsen die ECH c.s. NSI in rekening heeft gebracht en zal brengen gedurende de periode vanaf 3 december 2008 tot het moment dat NSI beschikt over de negen door de gemeente voor NSI te realiseren parkeerplaatsen, verrekend zijn met de vordering die NSI heeft op ECH c.s. tot vergoeding van haar schade bestaande uit dezelfde kosten. Subsidiair vordert NSI ECH c.s. te veroordelen tot het voldoen van een gelijk bedrag dat NSI aan ECH c.s. dient te voldoen voor het gebruik van de negen tijdelijke parkeerplaatsen vanaf 3 december 2008 tot het moment dat NSI beschikt over de negen door de gemeente voor NSI te realiseren parkeerplaatsen. Ten slotte vordert NSI dat ECH c.s. zullen worden veroordeeld in de kosten van de procedure. 2.2. NSI heeft aangevoerd dat hetgeen ECH c.s. haar op grond van de koop/aannemingsovereenkomst respectievelijk de leveringsakte geleverd hebben achterblijft bij die overeenkomst en dat die prestatie derhalve in de zin van zowel art. 7:17 BW als art. 6:74 BW gebrekkig is. In het bijzonder dat zij hebben nagelaten alle overeengekomen parkeerplaatsen te leveren behorend bij Le Coin te leveren, nu negen van die parkeerplaatsen wegens strijd met het geldende bestemmingsplan niet als zodanig gebruikt mogen worden. 2.3. ECH c.s. hebben meerdere verweren gevoerd. Onder meer dat wegens contractsoverneming niet langer [geïntimeerde 1] maar uitsluitend ECH kan worden aangesproken op grond van de koop/aannemingsovereenkomst, voorts dat NSI haar klachtplicht in de zin van art. 7:23 BW respectievelijk 6:89 BW heeft geschonden. 2.4. De rechtbank heeft de vorderingen van NSI afgewezen. Daartoe heeft zij overwogen dat sprake is van contractsoverneming, zodat niet langer [geïntimeerde 1] contractuele wederpartij van NSI is maar ECH. De vorderingen jegens [geïntimeerde 1] zijn om die reden afgewezen. Jegens ECH heeft de rechtbank de vorderingen afgewezen, omdat ECH niet tijdig heeft geklaagd aangaande het gebrek waarop zij haar vorderingen baseert. 3. De grieven NSI heeft vier grieven geformuleerd. In de eerste grief wordt betoogd dat geen sprake is van contractsoverneming, in de tweede dat de vorderingen niet uitsluitend zijn gebaseerd op art. 7:17 BW maar ook op art. 6:74 BW en in de derde grief dat NSI haar plicht om binnen bekwame tijd te klagen niet heeft geschonden. De vierde grief is gericht tegen het dictum en de proceskostenveroordeling en mist naast de eerste drie grieven zelfstandige betekenis. 4. Grief 1 4.1. De rechtbank heeft overwogen dat ECH de koop/aannemingsovereenkomst tussen [geïntimeerde 1] en NSI van [geïntimeerde 1] heeft overgenomen, dat er een akte tot contractsoverneming tussen [geïntimeerde 1] en ECH (de akte van inbreng) is en dat NSI daaraan haar medewerking heeft verleend door de akte van levering te aanvaarden door welke ECH als verkopende partij Le Coin levert aan NSI. Tegen deze overwegingen is geen (onderbouwde) grief opgeworpen. 4.2. NSI stelt dat zowel de koop/aannemingsovereenkomst als de akte van levering een garantie bevat betreffende de parkeerplaatsen waardoor zowel [geïntimeerde 1] als ECH jegens NSI is gebonden. Een andere onderbouwing is ter weerspreking van de contractsoverneming niet gegeven. 4.3. Het hof overweegt dienaangaande het volgende. Met de onder 4.1. genoemde onbestreden feiten staat in hoger beroep vast dat voldaan is aan de vereisten die art. 6:159 BW stelt aan contractsoverneming, te weten een akte van contractsoverneming en medewerking. De aanvankelijk op [geïntimeerde 1] rustende rechten en verplichtingen uit de koop/aannemingsovereenkomst zijn om die reden overgegaan op ECH, terwijl [geïntimeerde 1] daarvan is bevrijd. 4.4. Dat er in de koop/aannemingsovereenkomst een garantie is opgenomen, mag wellicht waar zijn (hoewel het hof in die overeenkomst geen garantie leest), maar nu ook de uit een dergelijke garantie voortvloeiende verplichtingen van [geïntimeerde 1] zijn overgegaan op ECH, kan NSI daarop jegens [geïntimeerde 1] geen vorderingen meer baseren. De rechtbank heeft derhalve terecht geoordeeld dat de vorderingen jegens [geïntimeerde 1] dienen te worden afgewezen. Grief 1 faalt. 5. Grief 2 5.1. In de tweede grief heeft NSI betoogd dat de rechtbank heeft miskend dat zij haar vordering niet alleen op 7:17 BW heeft gebaseerd maar tevens op art. 6:74 BW. Er is, aldus NSI, sprake van schending van een garantie waarop in de eerste plaats art. 6:74 BW van toepassing is met als gevolg dat minder snel sprake zal zijn van schending van de klachtplicht. Desgevraagd bij pleidooi, heeft NSI dat standpunt niet onderbouwd. 5.2. Het hof overweegt het volgende. Art. 6:89 BW voorziet in het gemene verbintenissenrecht in een klachtplicht die ook prestaties in de zin van art. 6:74 BW bestrijkt. In het debat tussen partijen is art. 6:89 BW uitdrukkelijk aan de orde geweest en is verwezen naar jurisprudentie aangaande die bepaling. Art. 7:17 BW wordt bestreken door de klachtplicht van art. 7:23 lid 1 BW, art. 6:74 BW door de klachtplicht van art. 6:89 BW. Art. 7:23 lid 1 BW en art. 6:89 BW waarvan art. 7:23 BW een precisering vormt worden op dezelfde wijze uitgelegd en volgens dezelfde normen toegepast (HR 21 april 2006, LJN: AW2582, NJ 2006, 272 en 23 november 2007, LJN: BB3733, NJ 2008, 552). 5.3. Voor zover NSI bedoelt dat de schending van een contractuele garantie steeds leidt tot een minder snelle overschrijding van de in art. 6:89 en 7:23 lid 1 BW bedoelde klachttermijn is dat standpunt onjuist. Nu de genoemde wettelijke bepalingen van regelend recht zijn, kan een van die bepalingen afwijkende klachttermijn voortvloeien uit de tekst van de overeenkomst met daarin de garantiebepaling, maar dat zulks hier het geval is, is door NSI niet gesteld en ook is dat niet anderszins gebleken. 5.4. Het hier door NSI gemaakte onderscheid kan derhalve, voor wat betreft de klachtplicht, niet leiden tot een ander dictum zodat grief 2 faalt. 6. Grief 3 6.1. In grief 3 betoogt NSI dat zij tijdig in de zin van art. 7:23 lid 1 en 6:89 BW heeft geklaagd. Partijen verschillen van mening over wat in dit geval een bekwame tijd is, wanneer de klachtplicht een aanvang heeft genomen en op welk moment door NSI is geprotesteerd. De aanvang van de klachtplicht 6.2. Het gebrek waar het in deze zaak om gaat, is dat de negen door ECH aan NSI geleverde dakparkeerplaatsen wegens strijd met het geldende bestemmingsplan niet als parkeerplaats gebruikt mogen worden. Daarbij moet onderscheid worden gemaakt tussen (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.