← Nederland

ECLI:NL:GHLEE:2012:BW4626

Gerechtshof Leeuwarden Sector strafrecht Parketnummer: 24-001604-11 Uitspraak d.d.: 27 april 2012 TEGENSPRAAK Verkort arrest van de economische kamer gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het v

§ 7lid 1 nr.

1 met ontplofbare stoffen omgaat; 2.

§ 7lid 1 nr.

2 in ontplofbare stoffen handelt of 3.

§ 27

lid 1 ontplofbare stoffen verkrijgt of met deze stoffen omgaat, wordt gestraft met gevangenisstraf tot drie jaar of met geldboete. §27 van het Sprengstoffgesetz, luidt:

(1)Hij die in de andere dan de in § 7 lid 1 genoemde gevallen
  1. ontplofbare stoffen wil verkrijgen of
  2. met ontplofbare stoffen wil omgaan, heeft hiervoor een vergunning nodig. [...]
(2)Een vergunning dient normaal gesproken voor de duur van vijf jaar verleend te worden. De vergunning kan inhoudelijk en ruimtelijk beperkt en met voorwaarden verbonden worden, voor zover dit noodzakelijk is ter voorkoming van gevaren voor leven, gezondheid of materiële zaken of ter voorkoming van aanzienlijke nadelen of aanzienlijke hinder voor derden. De toepasselijke Nederlandse strafbepaling, artikel 1.2.2, derde lid, Vuurwerkbesluit, luidt als volgt:
(3)Het is verboden als een ander dan een persoon met gespecialiseerde kennis professioneel vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik op te slaan, voorhanden te hebben of tot ontbranding te brengen. Hiervoor is bepaald dat de buitenlandse strafbaarstelling in de kern hetzelfde rechtsgoed dient te beschermen als de Nederlandse strafbaarstelling. De Duitse strafbepaling heeft als doel het voorkomen van gevaren voor leven, gezondheid of materiële zaken of ter voorkoming van aanzienlijke nadelen of aanzienlijke hinder voor derden. In de Nota van toelichting op het Vuurwerkbesluit (Staatsblad 2002, nr. 33) staat als doel van dat besluit te lezen: 'Het doel van dit besluit is betere waarborgen te scheppen voor de bescherming van mens en milieu tegen de mogelijke effecten die het opslaan, bewerken en afsteken van vuurwerk kunnen veroorzaken. Het gaat in dit verband zowel om de bescherming van de bevolking in de omgeving van een inrichting waar vuurwerk aanwezig is, de bescherming van toeschouwers die aanwezig zijn bij een evenement of voorstelling waarbij professioneel vuurwerk wordt afgestoken, de bescherming van mensen bij het afsteken van vuurwerk tijdens de jaarwisseling, als om de bescherming van personen die werkzaam zijn bij een bedrijf waarin handelingen worden verricht met professioneel vuurwerk.' Het hof stelt vast dat zowel de Duitse strafbaarstelling als de Nederlandse strafbaarstelling in de kern hetzelfde rechtsgoed beschermen, namelijk de bescherming van mens en milieu. Tevens stelt het hof vast dat op overtreding van §40, eerste lid, van het Sprengstoffgesetz een gevangenisstraf is gesteld. Aan het vereiste van de dubbele strafbaarheid is derhalve voldaan en het openbaar ministerie is dus ontvankelijk in zijn vervolging. Partiële vrijspraak betreffende feit 1 Het hof zal de verdachte partieel vrijspreken van het onder 1 ten laste gelegde, te weten waar het betreft het verwijt aan de verdachte dat hij 15.000 kg vuurwerk, o.a. bestaande uit een of meer partijen professioneel vuurwerk afkomstig van [bedrijf] in Portugal, te weten 20.000 stuks lawinepijlen (Signal Rockets 901) en afkomstig van [bedrijf] in Duitsland, te weten ongeveer 4.000 kg als 1.3G en/of 1.4G geclassificeerd vuurwerk en afkomstig van [bedrijf] in Polen, te weten een (grote) hoeveelheid als 1.3G en 1.4G geclassificeerd vuurwerk, binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht. Het hof acht hiervoor onvoldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig. Hieraan doet niet af de verklaring van [getuige 1] dat op of omstreeks 3 november 2010 een hoeveelheid van 15.000 kg vuurwerk bestemd voor verdachte, door [bedrijf], is vervoerd naar verdachte in [plaats] en de verklaring van [getuige 2] dat de gehele vuurwerkvoorraad van verdachte door een vrachtauto van [bedrijf] naar Nederland is vervoerd, nu deze verklaringen niet ondersteund worden door vrachtbescheiden, hetgeen wel voor de hand had gelegen. Voor een bewezenverklaring van daadwerkelijke grensoverschrijding van genoemd vuurwerk is naar het oordeel van het hof in het strafdossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden. Overwegingen met betrekking tot het bewijs Ter terechtzitting in hoger beroep is door de raadsman aangevoerd dat zich in het dossier op pagina 3766 tot en met 3771 een lijst bevindt waarop vermelding is gemaakt van een viertal telefoongesprekken die verdachte met het kantoor van de raadsman heeft gevoerd. Uit de verklaringen, dat gesprekken met geheimhouders zijn vernietigd, kan de raadsman niet opmaken dat ook bovenbedoelde gesprekken zijn vernietigd. De raadsman concludeert dat de telefoongesprekken onrechtmatig zijn verkregen en niet voor het bewijs kunnen worden gebruikt. Het hof stelt vast dat zich in het dossier, op pagina 3745, bevindt een Vordering verstrekking verkeersgegevens (mobiele of vaste telefonie), d.d. 26 augustus 2010, met parketnummer 19/997507-10, inhoudende een verzoek op grond van artikel 126n Wetboek van Strafvordering gedaan aan [bedrijf] In dit verzoek heeft de officier van justitie verzocht historische verkeersgegevens met betrekking tot het telefoonnummer dat in gebruik was bij verdachte te verstrekken. Tevens stelt het hof vast dat zich in het dossier, op pagina 3766 tot en met 3771, bevindt een fax d.d. 3 september 2010 afkomstig van [bedrijf] gericht aan het Korps Landelijke Politiediensten, inhoudende de historische verkeersgegevens met betrekking tot bovengenoemd telefoonnummer. Dit betreft de lijst waaraan de raadsman refereert. Uit deze gegevens blijkt niet meer dan dat vanaf het telefoonnummer van verdachte vier keer is gebeld naar het telefoonnummer van het kantoor van de raadsman. Deze telefoongesprekken hebben plaatsgevonden op 3 juni 2010, 27 juli 2010 en 23 augustus
  1. Op 10 september 2010 heeft de officier van justitie een Aanvraag bevel onderzoek van telecommunicatie (vaste telefoontap) met betrekking tot bovengenoemd telefoonnummer gedaan. Dit bevel bevindt zich in het dossier op pagina
  2. Het hof stelt vast dat de gesprekken waar de raadsman op doelt voorafgaand aan de vordering van de officier van justitie hebben plaatsgevonden en derhalve niet onder de later gerealiseerde telefoontap vielen. Het verweer mist derhalve feitelijke grondslag en het hof verwerpt het daarom. Voor zover de raadsman heeft bedoeld te stellen dat de vermelding in de bedoelde lijst van het telefoonnummer van het kantoor van de raadsman gewist zou moeten worden, is het hof van oordeel dat artikel 126aa, tweede lid , Wetboek van Strafvordering niet de vernietiging van zogenoemde verkeersgegevens voorschrijft. Aan de tekst noch aan de geschiedenis van die bepaling valt een verplichting tot vernietiging van dergelijke gegevens te ontlenen. Ook daarom kan het verweer niet slagen. Bewezenverklaring Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig bewezen en heeft het hof de overtuiging verkregen, dat verdachte het onder 1, onder 2, onder 3 en onder 4 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat hij: 1a. in de periode van 4 juli tot en met 12 november 2010 in Nederland opzettelijk een hoeveelheid professioneel vuurwerk bestemd voor particulier gebruik, te weten: een hoeveelheid professioneel vuurwerk, bestaande uit professioneel vuurwerk - afkomstig van [bedrijf] in Portugal, te weten lawinepijlen (Signal Rockets 901) en - afkomstig van [bedrijf] in Duitsland, te weten een hoeveelheid als 1.3G en 1.4G geclassificeerd vuurwerk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht; 1b. op 12 november 2010 in de gemeente [gemeente], opzettelijk een hoeveelheid professioneel vuurwerk bestemd voor particulier, welke hoeveelheid bestaande uit: - knalvuurwerk met lont (lawinepijlen) type Signal Rocket 901 en - Airburst knalvuurwerk met lont; - Festival brocade Crown cakeboxen en - Venti di Guerra cakboxen en - Pfeiffontane, voorhanden heeft gehad en aan een of meer anderen ter beschikking heeft gesteld; 2a. in de periode van 4 juli 2010 tot en met 12 november 2010, buiten het Rijk in Europa, opzettelijk, als een ander dan een persoon met gespecialiseerde kennis hoeveelheden professioneel vuurwerk, te weten: ongeveer 20.000 stuks, (lawinepijlen Signal Rockets 901) afkomstig van [bedrijf] in Portugal, en ongeveer 4.000 kg, als 1.3G en/of 1.4G geclassificeerd vuurwerk, afkomstig van [bedrijf] in Duitsland, en een (grote) hoeveelheid als 1.3G en/of 1.4G geclassificeerd vuurwerk afkomstig van [bedrijf] in Polen voorhanden heeft gehad; 2b. omstreeks 12 november 2010, in de gemeente [gemeente], als een ander dan een persoon met gespecialiseerde kennis, een hoeveelheid professioneel vuurwerk, bestaande uit - knalvuurwerk met lont (lawinepijlen) type Signal Rocket 901 en - Airburst knalvuurwerk met lont en - Festival brocade Crown cakeboxen en - Venti di Guerra cakeboxen en - Pfeiffontane voorhanden heeft gehad;
  3. in de periode van 1 september 2010 tot en met 12 november 2010, in de gemeente [gemeente], opzettelijk een hoeveelheid vuurwerk voorhanden heeft gehad buiten een inrichting als bedoeld in artikel 1.2.4 Vuurwerkbesluit, immers was dat vuurwerk voorhanden in een bestelauto;
  4. in de periode van 1 september 2010 tot en met 12 november 2010, in Nederland, opzettelijk als degene die vuurwerk binnen het grondgebied van Nederland bracht telkens het voornemen hiertoe niet ten minste drie werkdagen voorafgaand aan het binnen Nederland brengen van het vuurwerk schriftelijk heeft vermeld bij Onze Minister. Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken. Samenloop Het hof constateert - met de rechtbank - dat hetgeen onder 1b en 2b is bewezenverklaard beide betrekking heeft op dezelfde partij vuurwerk, die is aangetroffen op het bedrijfsadres van verdachte. Daarbij is niet alleen sprake van gelijktijdigheid van handelen, ook wat betreft de strekking van het te beschermen rechtsbelang komt hetgeen onder 1b en onder 2b is bewezenverklaard overeen. De eerste drie leden van artikel 1.2.2 van het Vuurwerkbesluit beogen immers allen, dat handhavend kan worden opgetreden tegen degenen die professioneel vuurwerk (of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik)

het besluit hebben bestemd voor gebruik door particulieren. Het hof acht dan ook artikel 55 van het wetboek van strafrecht van toepassing en concludeert tot eendaadse samenloop. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het onder 1a, 1b, 2a, 2b, 3 en 4 bewezen verklaarde levert op: Overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 9.2.2.1 van de Wet Milieubeheer, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd. Strafbaarheid van de verdachte Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn. Oplegging van straf en/of maatregel De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het invoeren, voorhanden hebben en verkopen van een grote hoeveelheid professioneel vuurwerk - waaronder lawinepijlen - in Nederland. Eveneens heeft verdachte zich in Duitsland schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een aanzienlijke hoeveelheid professioneel vuurwerk zonder over de daartoe benodigde vergunning te beschikken. Door aldus te handelen heeft hij onverantwoorde risico's genomen en de gezondheid van mensen in gevaar gebracht. Dergelijk vuurwerk in handen van consumenten is gevaarlijk en veroorzaakt niet zelden letsel en schade. Verdachte heeft kennelijk met het oog op louter eigen financieel gewin onvoldoende stil gestaan bij de gevaren die het gebruik van illegaal vuurwerk met zich mee kan brengen. Het hof heeft bij de straftoemeting in aanmerking genomen dat verdachte - blijkens een hem betreffend Uittreksel uit het Justitiële Documentatieregister d.d. 19 maart 2012 - meermalen onherroepelijk is veroordeeld wegens het plegen van (soortgelijke) strafbare feiten. Gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, acht het hof - gezien de veelvuldige recidive - slechts een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats. Het hof ziet evenwel in hetgeen door verdachte ter terechtzitting in hoger beroep is verklaard redenen om hiervan af te wijken. Verdachte heeft aangegeven in verband met zijn leeftijd van 65 jaar te willen stoppen met de handel in (illegaal) vuurwerk. Verdachte heeft echter ook te kennen gegeven dat hij al 45 jaar in de vuurwerkhandel zit en dat die handel een onderdeel van zijn leven is. Gelet daarop acht het hof een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden waarvan 10 maanden voorwaardelijk passend en geboden, waarbij de voorwaardelijke gevangenisstraf dient om te voorkomen dat verdachte opnieuw (soortgelijke) strafbare feiten begaat. Het hof heeft tevens in zijn overwegingen betrokken dat verdachte het onvoorwaardelijk opgelegde deel van de gevangenisstraf in zijn geheel zal ondergaan, aangezien op grond van artikel 15, derde lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht geen voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend. Dit heeft tot gevolg dat verdachte pas na Oud en Nieuw van 2012 (volledig) in vrijheid zal worden gesteld. Het hof acht dit - tegen de achtergrond van de recidive - wenselijk gelet op het feit dat de vuurwerkhandel met name in de maanden voor Oud en Nieuw floreert. Ook dit dient om te voorkomen dat verdachte opnieuw de fout ingaat. Stillegging van de onderneming van verdachte Gelet op het feit dat verdachte in het verleden meermalen is veroordeeld wegens (soortgelijke) feiten is het hof van oordeel dat stillegging van verdachtes bedrijf een noodzakelijke sanctie is. Het hof heeft niet de overtuiging gekregen dat verdachte het kwalijke van zijn handelen zozeer inziet, dat hij zijn handelen zal staken, maar veeleer dat verdachte bestraffing als onderdeel van het bedrijfsrisico beschouwt. Tevens kan ook deze sanctie dienen als stok achter de deur. Het hof zal derhalve het bevel geven tot stillegging van zijn bedrijf voor de duur van één jaar. Ten aanzien van het beslag Vuurwerk De door het hof aan het verkeer te onttrekken voorwerpen, te weten het bij verdachte aangetroffen vuurwerk, zijn daarvoor vatbaar. Immers met betrekking tot die voorwerpen is het hiervoor bewezen verklaarde feit begaan en zij zijn van zodanige aard, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet. Citroën Jumper De advocaat-generaal heeft de verbeurdverklaring gevorderd van de in beslag genomen Citroën Jumper, met het kenteken [kenteken]. Het hof is echter van oordeel dat op basis van de zich in het dossier bevindende stukken niet afdoende kan worden vastgesteld dat met betrekking tot de inbeslaggenomen auto is voldaan aan de criteria zoals gesteld in art. 33a van het Wetboek van Strafrecht. In het bijzonder is niet aannemelijk geworden dat het vuurwerk dat zich in voornoemde auto van verdachte - die bestuurd werd door een ander - bevond, ten tijde van de inbeslagneming, hetzelfde vuurwerk betrof zoals omschreven in de bewezenverklaring Toepasselijke wettelijke voorschriften Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36b, 36c, 55, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1.2.2a, 1.2.4, 1.3.2, 2.1.3 en 3.3.1 van het Vuurwerkbesluit, artikel 9.2.2.1 van de Wet Milieubeheer en de artikelen 1a, 2, 6 en 7 van de Wet op de economische delicten Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1a, 1b, 2a, 2b, 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart het onder 1a, 1b, 2a, 2b, 3 en 4 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 (zesendertig) maanden. Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 10 (tien) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht. Beveelt de stillegging van de onderneming van de verdachte waarin het economisch delict is gepleegd, voor de duur van 1 (één) jaar. Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten: - 509 stuks, knalvuurwerk met lont (lawinepijlen) type 901; - 4 stuks Festival 100.S Brocade Crown Flowerbed; - 14 stuks Venti di Guerra Flowerbed; - 1440 stuks Pfeiffontane mit knall; - 220 stuks Airburst. Gelast de teruggave aan verdachte van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten: - Citroën Jumper met het kenteken [kenteken]. Aldus gewezen door mr. O. Anjewierden, voorzitter, mr. J. Dolfing en mr. J.A. Wiarda, raadsheren, in tegenwoordigheid van S.M. Nicolai, griffier, en op 27 april 2012 ter openbare terechtzitting uitgesproken. Zijnde mr. J.A. Wiarda buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.