Gerechtshof Leeuwarden Sector strafrecht Parketnummer: 24-002870-10 Uitspraak d.d.: 19 juni 2012 TEGENSPRAAK Arrest van de economische kamer gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de economische politierechter in de rechtbank Groningen van 2 december 2010 in de strafzaak tegen [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [1953], wonende te [woonplaats], [adres]. Het hoger beroep De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 5 juni 2012 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot bevoegdverklaring van de economische politierechter in de rechtbank Groningen om van de in de tenlastelegging opgenomen economische delicten kennis te nemen. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte naar voren is gebracht. Het vonnis waarvan beroep Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen en opnieuw rechtdoen. De tenlastelegging Aan verdachte is tenlastegelegd dat: hij op één of meerdere tijdstippen op 27 augustus 2009 en/of 28 augustus 2009 te [plaats], gemeente [gemeente], al dan niet opzettelijk, zich van afvalstoffen te weten hooi, uienschillen, houten palen, een boomstam en/of stro vermengd met vaste mest heeft ontdaan door deze - al dan niet in verpakking - buiten een inrichting te storten, anderszins op of in de bodem te brengen en/of te verbranden. Bevoegdheid van de rechter in eerste aanleg In deze zaak zijn bij het hof ambtshalve de vragen gerezen of de economische politierechter in de rechtbank Groningen ten tijde van de behandeling in eerste aanleg op 2 december 2010, welke behandeling is uitgemond in het bestreden vonnis van diezelfde datum, deel uitmaakte van een enkelvoudige economische kamer en zo neen, wat de gevolgen daarvan dienen te zijn. De volgende bepalingen zijn van belang. Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie vormt het bestuur van een gerecht voor het behandelen en beslissen van zaken en het beëdigen van de daartoe bij de wet aangewezen functionarissen enkelvoudige en meervoudige kamers en bepaalt de bezetting daarvan. Ingevolge artikel 38 van de Wet op de economische delicten is de kennisneming van economische delicten in eerste aanleg bij uitsluiting opgedragen aan de rechtbank. Economische delicten worden behandeld en beslist door de economische kamers van de rechtbank, bedoeld in artikel 52 van de Wet op de rechterlijke organisatie. Artikel 52, eerste lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie luidt aldus: Het bestuur vormt voor het behandelen en beslissen van zaken betreffende economische delicten enkelvoudige en meervoudige kamers onder de benaming van economische kamers. Het bestuur bepaalt de bezetting van deze kamers. Ingevolge het tweede lid van dit artikel draagt degene die zitting heeft in een enkelvoudige kamer als bedoeld in dit artikellid de titel van economische politierechter. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet op de economische delicten komt naar voren dat de reden waarom de wetgever de behandeling van economische delicten aan bijzondere kamers heeft opgedragen, is gelegen in de bijzondere eigenschappen van deze delicten. In de memorie van toelichting (Kamerstukken II, 1947/48, nr. 603, 3, bladzijde 12) wordt erop gewezen dat economische delicten belangen betreffen die te gecompliceerd zijn om door ieder aanstonds te worden overzien en die soms voor uiteenlopende waardering, ook door de rechter, vatbaar zijn en verder grote voordelen voor de delinquent meebrengen die hun aantrekkingskracht niet alleen in een voorbijgaand affect maar ook bij nuchtere afweging doen gelden. De wetgever acht het daarom noodzakelijk dat bij de berechting van economische zaken zoveel mogelijk gebruik wordt gemaakt van rechters die terzake speciaal deskundig zijn. De instelling van de bijzondere kamers zal, zo vervolgt de memorie van toelichting op de bladzijden 23 en 24, plaats vinden op een functionele grondslag. Zij zal rekening houden met het feit dat voor de onderscheidene groepen van economische delicten verschillende eisen van deskundigheid gelden. Technische kennis en ervaring met betrekking tot de te beoordelen materie zullen voor de bezetting der economische kamers van doorslaggevende betekenis moeten zijn. Hoezeer ook in de loop der tijd door de wetgever wel delicten als economische delicten zijn aangewezen, waarvan niet aanstonds kan worden vastgesteld dat deze aan de hierboven genoemde bijzondere eigenschappen voldoen, en door de wetgever ook de mogelijkheid is verruimd voor commune kamers om - in samenhang met commune delicten begane - ook economische delicten te behandelen en te beslissen, is het uitgangspunt van de wetgever, dat economische delicten worden behandeld en beslist door bijzondere kamers met een daarop afgestemde bezetting nimmer losgelaten, ook niet bij de wetgeving in het kader van de herziening van de rechterlijke organisatie. De in deze zaak gerezen vragen roepen, in het licht van artikel 52, eerste lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie twee deelvragen op, namelijk de vraag naar de vorming van (enkelvoudige en/of meervoudige) economische kamers door het bestuur van de rechtbank Groningen (de eerste volzin) en de bezetting dier kamers (tweede volzin). Het is het hof ambtshalve bekend dat in enkele andere bij dit hof reeds afgedane economische strafzaken van de rechtbank Groningen, waarin soortgelijke bevoegdheidsvragen hebben gespeeld, bij de president van de rechtbank Groningen informatie is ingewonnen. Uit de informatie die de president daarop heeft gegeven, welke informatie het hof ambtshalve bekend is en die tevens betrekking heeft op de onderhavige zaak, is het navolgende gebleken. De president van de rechtbank Groningen heeft gewezen op het Bestuursreglement van de rechtbank Groningen van 21 januari 2009, gepubliceerd in de Staatscourant 2009, nr. 71 (hierna: het Bestuursreglement), het daarop gebaseerde Reglement van Orde van de rechtbank Groningen, vastgesteld op 6 januari 2010, nr. 5049 (hierna: het Reglement van orde) en op besluitvorming binnen het bestuur van de rechtbank Groningen. Het bestuur van de rechtbank Groningen stelt zich op het standpunt dat aan de eerste volzin van artikel 52, eerste lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie uitvoering is gegeven in het Bestuursreglement en het Reglement van orde. Het te dezen van belang zijnde artikel 7, eerste lid, onder b, van het Bestuursreglement bepaalt dat het bestuur het Reglement van orde vast stelt waarin is geregeld de vorming van enkelvoudige en meervoudige kamers. Het reglement van orde bevat als relevante bepaling artikel 4.1, eerste volzin. Deze volzin luidt aldus: De zittingen worden gehouden door zoveel enkelvoudige en meervoudige kamers als er voor de behandeling van zaken nodig zijn. Andere voor dit punt relevante bepalingen bevatte het reglement niet. Voor zover al ervan moet worden uitgegaan dat met artikel 4.1, eerste volzin, van eerdergemeld Reglement van orde door het bestuur van de rechtbank enkelvoudige en meervoudige kamers zijn gevormd, stelt het hof vast dat in deze bepaling geen melding wordt gemaakt van (enkelvoudige of meervoudige) economische kamers. De bepaling in het Reglement van orde lijkt veeleer uitvoering te geven aan (het eerste onderdeel van) artikel 6, eerste lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie. Echter, voor het behandelen en beslissen van economische delicten geldt op de voet van artikel 38 van de Wet op de economische delicten, als speciale bepaling artikel 52 van de Wet op de rechterlijke organisatie. Ook gezien hetgeen het hof hierboven voorop heeft gesteld brengt het voorgaande mee dat het bestuur specifiek economische kamers moet vormen en niet kan volstaan met een algemene bepaling als in artikel 4.1, eerste volzin, van meerdergemeld Reglement van orde. Gelet hierop stelt het hof vast dat ten tijde van de behandeling van de onderhavige zaak in eerste aanleg en het wijzen van het vonnis het bestuur van de rechtbank Groningen geen (enkelvoudige of meervoudige) economische kamers heeft gevormd, vereist voor de behandeling van economische delicten. Het hof heeft zich vervolgens de vraag gesteld of - dit verzuim ten spijt - er niettemin van zou kunnen worden uitgegaan dat wel (enkelvoudige of meervoudige) economische kamers zijn gevormd. Daarvan zou in de visie van het hof sprake kunnen zijn als het bestuur van de rechtbank op de voet van de tweede volzin van artikel 52, eerste lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie, een zodanige bezetting van een of meer (enkelvoudige en/of meervoudige) kamer(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.