Beschikking d.d. 14 juni 2012 Zaaknummer 200.046.030 HET GERECHTSHOF LEEUWARDEN Beschikking in de zaak van [appellant], wonende te [woonplaats], appellant in het principaal appel, geïntimeerde in het incidenteel appel, hierna te noemen: de man, advocaat mr. F.P. van Dalen, kantoorhoudende te Leeuwarden, tegen [geïntimeerde], wonende te [woonplaats], geïntimeerde in het principaal appel, appellante in het incidenteel appel, hierna te noemen: de vrouw, advocaat mr. C. Heijs, kantoorhoudende te Groningen. Het geding in eerste aanleg Bij beschikking van 26 augustus 2009 (gegeven onder zaak/-rekestnummer: 66860/ FA RK 04-1738), zoals deze is verbeterd bij onder hetzelfde zaak-/rekestnummer gegeven beschikking van 11 november 2009, heeft de rechtbank Leeuwarden de navolgende beslissingen gegeven: - bepaalt dat de man ter zake van verrekening aan de vrouw dient te voldoen een bedrag van € 373.309,71 (driehonderddrieënzeventigduizenddriehonderdnegen euro en eenenzeventig eurocent); - bepaalt de door de vrouw aan de man verschuldigde redelijke vergoeding voor het gebruik van de echtelijke woning, als bedoeld in de beschikking van 24 augustus 2005, op € 3.001,16 per jaar; - veroordeelt de vrouw om tegen kwijting aan de griffier van deze rechtbank te voldoen een bedrag van € 5.733,94 wegens de voorgeschoten kosten voor de deskundigen; een en ander met compensatie van de proceskosten tussen partijen, in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt en met afwijzing van het meer of anders verzochte. Het geding in hoger beroep Bij beroepschrift, binnengekomen op de griffie op 14 oktober 2009, heeft de man verzocht de beschikking van 26 augustus 2009 alsmede de daaraan voorafgaande (tussen)beschikkingen van 24 augustus 2005 en 1 oktober 2008 te vernietigen voor zover deze beschikkingen betrekking hebben op de door de man opgeworpen grieven en opnieuw beslissende: - af te wijzen het verzoek van de vrouw om de woning aan [adres] te [woonplaats] en de onderneming van de man in de verrekening te betrekken, - alsmede de rechtsoverwegingen in de genoemde beschikkingen waartegen een grief is gericht te verbeteren en de beschikking van 26 augustus 2009 op het punt van het ter zake van verrekening door de man aan de vrouw te betalen bedrag van € 373.309,- te vernietigen en alsnog de vordering van de vrouw voor wat betreft de aflossing van de hypothecaire geldlening betreffende de woning aan [adres] te [woonplaats] toe te wijzen tot een bedrag van € 12.000,- en voor het overige haar vordering af te wijzen, kosten rechtens. Bij verweerschrift, binnengekomen op de griffie op 30 december 2009, heeft de vrouw het verzoek bestreden en verzocht de man niet-ontvankelijk te verklaren in het door hem ingestelde hoger beroep althans het hoger beroep af te wijzen althans een zodanige beslissing te nemen als het hof zal vermenen te behoren. Tevens heeft de vrouw bij voormeld verweerschrift incidenteel beroep ingesteld en daarin verzocht de beschikking van 26 augustus 2009 te vernietigen en opnieuw beslissende de beschikkingen van 24 augustus 2005, 21 december 2005, 16 mei 2007, 21 november 2007, 30 augustus 2008, 1 oktober 2008 en 26 augustus 2009 te vernietigen althans te verbeteren voor zover deze beschikkingen betrekking hebben op de door de vrouw opgeworpen grieven en de navolgende beslissingen te geven: - ter zake van het gebruik van de voormalige echtelijke woning te bepalen dat de vrouw primair geen gebruikersvergoeding aan de man verschuldigd is, subsidiair uitsluitend een gebruikersvergoeding verschuldigd is over de periode van 24 augustus 2005 tot 20 december 2005 van € 250,10 per maand, meer subsidiair een gebruikersvergoeding van € 250,10 per maand verschuldigd is over de periode van 21 juni 2005 tot en met 20 december 2005; - en wat betreft de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden, het daarin opgenomen verrekenbeding en het aan de vrouw toekomende bedrag wegens afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden, te bepalen dat de man aan de vrouw naast het door de rechtbank vastgestelde bedrag van € 373.309,71 een bedrag moet voldoen van € 540.918,12 dus totaal € 914.227,84 althans een zodanig bedrag als het hof zal vermenen te behoren, te betalen binnen 7 dagen na een door het hof af te geven beschikking, onder veroordeling van de man er aan mee te werken dat het bij de notaris in depot staande bedrag van € 210.000,- na afgifte van een door het hof te geven beschikking zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen zeven dagen na afgifte van de beschikking, aan de vrouw wordt uitgekeerd, bij gebreke waarvan de man een dwangsom van € 25.000,- verbeurt indien hij daaraan zijn medewerking onthoudt, - althans een zodanige beslissing te nemen als het hof zal vermenen te behoren. Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 17 februari 2010, heeft de man het verzoek in het incidenteel beroep bestreden en verzocht de grieven van de vrouw en daarmee het ingestelde incidenteel appel af te wijzen, kosten rechtens. De man heeft bij dit verweerschrift voorts zijn verzoek in principaal appel gewijzigd en vermeerderd in die zin dat hij verzoekt de vrouw te veroordelen om aan de man te betalen een totaalbedrag van € 172.900,- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 december 2009 over een bedrag van € 165.000,- tot aan de datum der algehele voldoening. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de overige stukken waaronder: - akte uitlating vermeerdering van verzoek tevens houdende akte vermeerdering van eis en houdende akte overlegging producties van15 maart 2010 van de vrouw, ingekomen ter griffie op 19 maart 2010; de vrouw heeft hierbij haar eis in die zin vermeerderd dat zij tevens verzoekt de man te veroordelen tot betaling van de wettelijke rente over het door hem aan de vrouw te betalen bedrag ter zake van de afwikkeling van de huwelijkse voor¬waarden vanaf 26 augustus 2009, althans vanaf 19 maart 2010, althans vanaf zodanig datum als het hof zal vermenen te behoren; - een brief van 16 april 2010 van mr. Van Dalen met als bijlage een akte van die datum met bijhorende producties (jaarstukken van de onderneming over de jaren van het huwelijk); - een faxbericht van 17 juni 2010 van mr. Heijs met bijlage; - een brief van 21 juli 2010 van mr. Van Dalen met als bijlage een akte van de man van die datum met bijbehorende producties; - een brief van 28 juli 2010 van mr. Heijs met bijlagen; - een brief van 15 september 2010 van mr. Heijs met als bijlage een antwoordakte van de vrouw van die datum met bijlagen; - een brief van 24 december 2010 van mr. Van Dalen met bijlagen; - een faxbericht van 13 januari 2010 van mr. Heijs met bijlagen. De eerdere geplande mondelinge behandelingen op 26 augustus 2010, 14 september 2010 en 3 december 2010 zijn aangehouden. Ter zitting van 31 januari 2011 is de zaak behandeld. Partijen zijn verschenen en werden bijgestaan door hun respectieve advocaten. Mr. Van Dalen heeft mede het woord gevoerd aan de hand van een pleitnota. De beoordeling 1. Partijen zijn op 19 december 1986 met elkaar in het huwelijk getreden. Voorafgaand aan dit huwelijk hebben zij huwelijkse voorwaarden opgemaakt die bij notariële akte van 17 december 1986 zijn verleden. Uit het huwelijk van partijen zijn drie kinderen geboren, [kind 1] op [in 1989] (thans 23 jaar oud), [kind 2] op [in 1990] (thans 21 jaar oud) en [kind 3] op [in 1995] (thans 17 jaar oud). 2. Bij beschikking van 2 maart 2005 is de echtscheiding uitgesproken en zijn onder meer beslissingen gegeven omtrent het hoofdverblijf van elk van de kinderen en de omgangsregeling. Deze beschik¬king is op 21 juni 2005 ingeschreven in de daartoe bestemde registers van de burger¬lijke stand waardoor het huwelijk is ontbonden. 3. In het kader van de echtscheidingsprocedure hebben partijen daarnaast verzoeken gedaan betreffende de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden. 4. De huwelijkse voorwaarden zoals deze tussen partijen zijn aangegaan, behelzen voor zover hier van belang- de volgende artikelen: E i g e n d o m. artikel 1. Tussen partijen bestaat geen enkele huwelijksvermogensrechtelijke gemeenschap van goederen. artikel 2. 1. Indien staande huwelijk onroerend goed wordt gekocht dat zal dienen als echtelijke woning of anderszins aan de samenwoning dienstbaar zal zijn, zal dit onroerend goed door beide partijen, ieder voor de onverdeelde helft, in eigendom worden verworven, tenzij partijen anders overeenkomen. 2. De partij die in verband met de verkrijging van het in het vorige lid bedoelde onroerend goed méér dan de helft van de tegenprestatie uit eigen middelen voldoet, heeft voor het meerdere een vordering op de andere partij. Deze vordering is, behoudens het hierna in artikel 10 lid 3 bepaalde, niet eerder opeisbaar dan (..) Kosten van de huishouding. artikel 4. 1. De kosten van de gemeenschappelijke huishouding, daaronder begrepen de kosten van de verzorging en de opvoeding van de kinderen die uit het huwelijk van partijen mochten worden geboren, die door partijen mochten worden geadopteerd of die met beider toestemming in het gezin mochten worden opgenomen, komen voor rekening van partijen naar verhouding tot ieders inkomen. 2. Zolang de gemeenschappelijke huishouding tussen de partijen bestaat, zijn partijen als bedoeld in het slot van lid 1 van dit artikel verplicht aan elkaar voldoende gelden ter beschikking te stellen voor het voeren van de gewone gang van de huishouding door automatische storting op een ten name van partijen gestelde bank- of girorekening. 3. (…) 4. Onder kosten van de huishouding worden (onder andere) begrepen de uitgaven terzake van de verwerving van huishoudelijke inboedelgoederen, gebruikelijke verzekeringen en gezamenlijke vakanties, de rentetermijnen met betrekking tot geldleningen welke aangegaan werden ter financiering van onroerende goederen als bedoeld in artikel 2, huurtermijnen aangaande de huur van de echtelijke woning, alsmede alle dagelijkse uitgaven welke passen in het leefpatroon van partijen. Verrekening. Artikel 10. 1. Partijen verplichten zich jegens elkander ter verdeling bij helfte bijeen te voegen hetgeen van hun netto-inkomsten uit arbeid niet is besteed ter dekking van de kosten van de huishouding of op andere wijze gelijkelijk aan beiden ten goede is gekomen. Onder inkomsten uit arbeid worden begrepen de uitkeringen welke geacht moeten worden in de plaats te treden van inkomsten uit arbeid, zoals sociale uitkeringen en pensioenen. 2. De verrekening geschiedt doordat de verrekenplichtige partij binnen drie maanden na verloop van een kalenderjaar een zodanig bedrag uitkeert aan de andere partij dat daardoor per saldo ieder van partijen de helft heeft genoten van de gezamenlijke netto-inkomsten uit arbeid als bedoeld in lid 1 van dit artikel. (…) 4. Vorderingen terzake van verrekening verjaren niet en vervallen evenmin door tijdsverloop. 5. Over een periode dat partijen niet samenwonen en zulks te wijten is aan het onredelijke gedrag van één van hen, zal geen verrekening plaatsvinden ten nadele van de echtgenoot aan wie de verrekening niet te verwijten is. Eveneens zal nimmer verrekening plaats vinden over een periode gedurende welke partijen gescheiden leefden van tafel en bed. 6. De bepaling van de omvang van de netto-inkomsten uit arbeid, waaronder begrepen winst uit onderneming, geschiedt door het belastbaar inkomen voor de heffing van de inkomstenbelasting, te verminderen met de daarover betaalde inkomstenbelasting. 7. In alle gevallen waarin gewichtige redenen zich verzetten tegen prompte uitkering in kontanten van hetgeen op grond van verrekening verschuldigd is, is de gerechtigde partij gehouden mede te werken aan het treffen van een redelijke betalingsregeling waarbij de belangen van beide partijen in acht worden genomen. 5. Tussen partijen is niet in geschil dat zij tijdens hun huwelijk nimmer uitvoering hebben gegeven aan het periodiek verreken¬beding zoals opgenomen in artikel 10 van de huwelijkse voorwaarden. Het verrekeningstijdvak 6. Gelet op het debat in hoger beroep is tussen partijen niet in geschil dat de periode waarover volgens de huwelijkse voorwaarden alsnog verrekend dient te worden loopt van 19 decem¬ber 1986, zijnde de datum van het huwelijk van partijen, tot 8 november 2004, zijnde de datum van indiening van het echtscheidingsverzoek door de man. De omvang van het hoger beroep het melkquotum 7. De rechtbank heeft in haar beschikking van 24 augustus 2005 onder meer overwogen dat de waarde van de echtelijke woning aan [adres] te [woonplaats] (onder 6) alsmede de waarde van de onderneming van de man (onder 14) vallen onder de werking van het periodiek verrekenbeding zoals opgenomen in de huwelijkse voorwaarden van partijen. In dat kader heeft de rechtbank bij deze beschikking in het dictum ten aanzien van de echtelijke woning een deskundigen¬bericht bevolen en in de overwegingen ten aanzien van de onderneming daartoe een (voor)aankondiging gedaan, en in het dictum iedere verdere beslissing op deze punten aangehouden. 8. Naast een aantal beslissingen die betrekking hebben op de mediation beëindigingsovereenkomst van 4 september 2004 (die hierna aan de orde zullen komen) heeft de rechtbank de overige verzoeken van de man en de vrouw over en weer ten aanzien van onder meer de verdeling -het hof begrijpt dat de rechtbank hier mede doelt op de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden- het meer of anders verzochte afgewezen, tenzij de behandeling ervan in het vervolg van het dictum wordt aangehouden. 9. In het licht van in het bijzonder rechtsoverwegingen 21 en 22 van de beschikking van 24 augustus 2005 heeft deze afwijzing concreet bezien -partijen hebben deze beslissing gelet op hun grieven in het principaal en incidenteel appel kennelijk ook als zodanig verstaan- mede betrekking op het verzoek van de vrouw strekkende tot verrekening van de verkoopopbrengst van het melkquotum (uit de onderneming van de man) althans verdeling van de waarde van de polissen waarin deze opbrengst is geïnvesteerd, naar de rechtbank kennelijk op grond van de stellingen van de man heeft aangenomen. 10. Het hof constateert dat de rechtbank met deze (afwijzende) beslissing ten aanzien van de verrekening van het melkquotum en de bestedingen van de opbrengst daarvan in de rechtsoverwegingen onder 21, op een deel van het verzochte (door de vrouw) heeft beslist en daarmee in zoverre een einde heeft gemaakt aan het geschil tussen partijen. De beschikking van 24 augustus 2005 dient in zoverre als een eindbeschikking te worden aangemerkt. 11. Van genoemde deelbeschikking is niet binnen de daarvoor geldende appeltermijn van drie maanden hoger beroep ingesteld. Dit brengt mee dat deze beschikking kracht van gewijsde heeft verkregen voor zover het gaat om het gedeelte dat als een eindbeschikking dient te worden aangemerkt en de gronden waarop die eindbeschikking berust. In zoverre is de beschikking van 24 augustus 2005 dus niet aan dit hoger beroep onderworpen. Mitsdien staat, voor zover thans van belang, vast dat (de opbrengsten van) het melkquotum en de bestedingen daarvan -naar de rechtbank heeft aangenomen is een deel van de opbrengst opgegaan tijdens het huwelijk en is een deel in twee polissen gestort- niet in de verrekening dienen te worden betrokken. 12. De door de vrouw in haar incidenteel appel opgeworpen grieven op dit punt -de grieven XXVI tot en met XXIX- alsmede de grieven van de man in zijn principaal appel -de grieven XIII tot en met XV- behoeven dan ook geen nadere bespreking. In het bijzonder zal het hof ook de vraag of en in hoeverre het melkquotum is gebruikt voor de financiering van de onderneming, omdat met de opbrengst van het quotum ook onder¬nemingsschulden zijn betaald en investeringen zijn gedaan zoals door de man ook in eerste aanleg in zijn akte van 23 januari 2008, dus ruim na de beschikking van 25 augustus 2005, in de procedure in eerste aanleg aan de orde is gesteld- niet behandelen. Het is in strijd met het gesloten stelsel van rechtsmiddelen om de bestedingen van de opbrengst van het quotum later opnieuw ter discussie te stellen, thans in het kader van de verrekening van de waarde van de onder¬neming. de mediation beëindigingovereenkomst 13. Partijen hebben bij de beëindiging van hun mediationtraject een aantal afspraken gemaakt die zijn vastgelegd in een overeenkomst van 4 september 2004. Hierin zijn, voor zover hier van belang, de navolgende afspraken opgenomen: 4. Partij 2 (lees: de vrouw) mag € 2.500 die op een bankrekening staat ten gunste van haar, maar bezit is van partij 1 (lees: de man), besteden aan advisering in het kader van de echtscheiding. Het daarvan gebruikte deel zal t.z.t. worden verrekend met de boedeluitkering. (…) 9. - De twee paarden zijn, vooruitlopend op een boedelscheiding, reeds toegedeeld aan partij 2 tegen de getaxeerde waarde t.w. € 1.000. - De marathonwagen is, eveneens vooruitlopend op de boedelscheiding, toegedeeld aan partij 2 tegen de getaxeerde waarde t.w. € 1.350. - De betaling van deze goederen zal plaatsvinden middels verrekening met de uiteindelijke boedelscheiding. 14. Bij beschikking van 24 augustus 2005 heeft de rechtbank daarop de navolgende beslissingen gegeven die verband houden met de afspraken die partijen hebben gemaakt: - bepaalt dat de vrouw aan de man dient te betalen een bedrag van € 2.500,- zulks op grond van artikel 4 van de door partijen op 4 september 2004 getekende mediation beëindigingovereenkomst; - bepaalt dat de vrouw aan de man dient te betalen een bedrag van € 1.175,- zulks op grond van artikel 9 van de door partijen op 4 september 2004 getekende mediation beëindigingovereenkomst. 15. Ook deze beide beslissingen en de gronden waarop deze berusten, hebben kracht van gewijsde omdat daartegen niet tijdig hoger beroep is ingesteld. Ook in zoverre is de beschikking van 24 augustus 2005 dus niet aan dit hoger beroep onderworpen. Deze beslissingen kunnen evenmin anderszins alsnog dan wel wederom in het huidige hoger beroep tegen de beschikking van 29 augustus 2009 aan de orde worden gesteld. 16. Partijen hebben in het mediationtraject ook een afspraak gemaakt ten aanzien van de nota van de heer [mediator] die in het kader van en ten behoeve van deze mediation werkzaamheden voor partijen heeft verricht. De afspraak is opgenomen in artikel 1 onder het vierde liggende streepje van de overeenkomst, inhoudende dat de declaratie van de heer [mediator] voor genoemde berekening en de daaraan verbonden werkzaamheden zal worden gestuurd naar en betaald door de man waarbij de helft van de declaratie zal worden verrekend met de boedeluitkering van de vrouw. 17. De omvang van de nota van de heer [mediator] ad € 5.000,- is niet in geschil en tussen partijen staat eveneens vast dat de man deze nota inmiddels volledig heeft voldaan. 18. Uit de beschikking van 24 augustus 2005 blijkt verder het verzoek van de man om, nu hij de nota in zijn geheel heeft voldaan, te bepalen dat de vrouw de helft van deze betaling aan de man dient te voldoen, te weten een bedrag van € 2.500,-. Op dit verzoek is echter in die beschikking (noch in een van de daaropvolgende beschikkingen) kennelijk abusievelijk geen (toewijzende) beslissing gegeven. 19. Onder deze omstandigheden zal het hof op het in hoger beroep herhaalde verzoek van de man alsnog beslissen. De stelling van de vrouw dat de afspraak is gemaakt onder de -naar het hof begrijpt, ontbindende- voorwaarde van een vlotte afwikkeling van procedure, blijkt nergens uit, zodat het hof aan deze stelling van de vrouw voorbijgaat. de vermeerdering van het verzoek: het verzoek tot terugbetaling 20. De man heeft in het verweerschrift op incidenteel appel, tevens vermeerdering van verzoek in principaal appel van 17 februari 2010 in aanvulling op zijn eerdere verzoeken verzocht de vrouw te veroordelen om aan hem te betalen een bedrag van € 172.900,- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 december 2009 over een bedrag van € 165.000,- tot aan de datum van algehele voldoening. 21. Genoemd bedrag van € 172.900,- is het totaal van een bedrag van € 165.000,- (waarover hierna in rechtsoverweging 23 meer), een bedrag van € 2.425,- dat, gelet op de daarbij gegeven toelichting van de man, de vrouw nog dient te betalen aan de man na verrekening van de bedragen die partijen reeds uit hoofde van de in de beschikking van 24 augustus 2005 genoemde bedragen over en weer aan elkaar verschul¬digd zijn, alsmede een bedrag van € 2.975,- dat de vrouw 1 oktober 2009 op basis van een derdenbeslag heeft ontvangen. 22. De vrouw heeft in haar akte uitlating vermeerdering van verzoek, tevens houdende akte vermeerdering van eis en houdende akte overlegging producties van 15 maart 2010 bezwaar gemaakt tegen het tijdstip van deze vermeerdering van eis als zodanig en zij heeft verweer gevoerd naar aanleiding van de vermeerderde eis. Het hof ziet op grond van de volgende overwegingen evenwel geen aanleiding om te oordelen dat de eisen van een goede procesorde zich verzetten tegen de vermeerdering van eis voor zover het betreft een bedrag van € 165.000,- en een bedrag van € 2.975,-. 23. Genoemd bedrag van € 165.000,- betreft het bedrag dat de man aan de vrouw heeft betaald op grond van een vaststellingsovereenkomst van 16 december 2010 die is gemaakt in het kader van een executiegeschil naar aanleiding van de door de vrouw gelegde beslagen (ter verzekering van de nakoming van de beschikking van 26 augustus 2009 waarvan beroep) en de voorgenomen verkoop door de man van de woning aan [adres]. 24. In artikel 130 lid 1 Rv is bepaald dat eiser, zolang de rechter nog geen eindvonnis heeft gewezen, in beginsel bevoegd is zijn eis of de gronden daarvan te veranderen of te vermeerderen (tezamen ook: zijn eis te wijzigen). Wijziging van de gronden ziet zowel op de juridische als de feitelijke grondslag van het gevorderde. Dit artikel is van overeenkomstige toepassing in hoger beroep. In deze fase betreft het echter geen tot aan het eindarrest uit te oefenen (door de eisen van een goede procesorde begrensde) bevoegdheid. Volgens vaste rechtspraak wordt artikel 130 Rv in hoger beroep uitgelegd overeenkomstig de eisen van het grievenstelsel en dient de eiswijziging derhalve in beginsel te geschieden bij het beroepschrift (door appellant) of het verweerschrift (door geïntimeerde). 25. Het strookt met de eisen van een goede rechtspleging om de mogelijkheid aan te nemen dat in hoger beroep met het oog op het verkrijgen van een executoriale titel aan het verzoek tot vernietiging van de bestreden beschikking een verzoek tot ongedaanmaking van de ingevolge de beschikking verrichte prestatie wordt verbonden. In aanmerking nemende dat de (voorschot)betalingen (op basis van tenuitvoerlegging door de vrouw van de beschikking van de rechtbank van 26 augustus 2009) eerst in oktober en zelfs december 2009 hebben plaatsgevonden, is de vermeerdering van het verzoek per 17 februari 2010, gelijktijdig met zijn reactie op het incidenteel appel van de vrouw, niet onredelijk en niet in strijd met artikel 130 lid 1 Rv, zodat het hof op het vermeerderde verzoek van de man zal beslissen. de vermeerdering van het verzoek: de toekenning van de wettelijke rente 26. De vrouw heeft in haar akte uitlating vermeerdering van verzoek, tevens houdende akte vermeerdering van eis en houdende akte overlegging producties van 15 maart 2010 op haar beurt verzocht de man te veroordelen tot betaling van de wettelijke rente over het door hem aan de vrouw te betalen bedrag ter zake van de afwikkeling van de huwelijkse voor¬waarden vanaf 26 augustus 2009, althans vanaf 19 maart 2010, althans vanaf zodanig datum als het hof zal vermenen te behoren. 27. Deze vermeerdering acht het hof in strijd met de eisen van een goede procesorde, aangezien dit verzoek tot vermeerdering veel eerder in de procedure had kunnen worden gedaan. Het hof zal aan deze vermeerdering voorbijgaan. de vermeerdering van het verzoek: nieuwe gronden, nieuwe grieven 28. Bij akte van 21 juli 2010 heeft de man met betrekking tot het tussen partijen overeengekomen verrekenbeding de toepassing van de zogenaamde 'optelmethode' bepleit, in die zin dat achteraf -in het bijzonder aan de hand van de jaarstukken over de jaren 1986 tot en met 2004 die de man eerder bij akte overlegging producties van 16 maart 2010 in het geding heeft gebracht- alsnog wordt vastgesteld welk bedrag jaarlijks tussen partijen verrekend had moeten worden met vaststelling van de (weder)belegging van deze gelden tot het moment van einde van de verrekenperiode. 29. De vrouw heeft daarop bij faxbrief van 28 juli 2010 en bij antwoordakte van 15 septem¬ber 2010 haar bezwaren kenbaar gemaakt tegen de akte van de man en inhoudelijk gereageerd. 30. Uit hetgeen hiervoor omtrent artikel 130 lid 1 Rv is overwogen vloeit voorts dat in zaken als de onder¬havige de in beginsel strakke regel geldt dat de rechter behoudens ondubbelzinnige toestemming van de wederpartij- geen acht mag slaan op grieven die pas worden aangevoerd na de door de wet daar¬toe aangewezen gelegenheid, in het principaal beroep bij het beroepschrift en in het incidenteel beroep bij het verweerschrift. 31. De onderhavige vermeerdering c.q. wijziging van het verzoek aan de zijde van de man om ten aanzien van het verrekenbeding in de huwelijkse voorwaarden uit te gaan van de zogenaamde 'optelmethode' is te beschouwen als het alsnog aanvoeren van een nieuwe grond tot vernietiging van het eindvonnis van de rechtbank en daarmee als grief. Hieraan doet niet af dat, zoals de man heeft gesteld, in de punten 112 tot en met 122 van het beroepschrift van 12 oktober 2009 -handelend over de omvang van de bedrijfsresultaten en de onttrekkingen over de periode 1986 tot en met 2004- reeds een aanzet tot het uitvoeren van de optelmethode terug te vinden zou zijn. Een grief dient op behoorlijke wijze in het geding gebracht te worden. De genoemde aanzet is daarvoor niet toereikend aangezien het hof noch de vrouw, gezien het debat in hoger beroep, daarin een al dan niet voorwaardelijk en al dan niet subsidiair pleidooi voor de zogenaamde 'optelmethode' heeft gezien. 32. Het hof zal de stellingen van de man betreffende deze methode dan ook als tardief passeren. het subsidiaire verzoek van de vrouw ten aanzien van de verrekening van de onderneming van de man 33. Het gaat hier om het subsidiaire verzoek van de vrouw aan de rechtbank betreffende de onderneming van de man, inhoudende, voor het geval de rechtbank mocht oordelen dat verrekening van het gehele ondernemings¬vermogen niet aan de orde is, dat de vrouw aanspraak maakt op een vergoeding voor de werkzaam¬heden die zij samen met haar vader ten behoeve van het ondernemingsvermogen heeft verricht, de verbeteringen die zijn aangebracht in de boerderij en de recreatiewoning alsmede een vergoeding voor de investering van de vrouw uit privévermogen van f 45.000,- zijnde de netto opbrengst van het vakantiehuisje "[vakantiewoning]", in de onderneming. 34. De rechtbank heeft geen beslissingen op dit verzoek genomen en ook niet behoeven te nemen omdat -in de kern- het primaire verzoek van de vrouw tot verrekening van het (gehele) ondernemingsvermogen is toegewezen. Indien en voor zover het hof tot een ander oordeel komt met betrekking tot de verrekening van het ondernemingsvermogen zal dit subsidiaire verzoek alsnog aan de orde zijn in verband met de devolutieve werking van het hoger beroep. De vrouw heeft haar subsidiaire verzoek dan ook niet opnieuw en zelfstandig in incidenteel appel behoeven te betrekken om een (hernieuwd) oordeel van het hof op dit punt te verkrijgen. Dit betekent ook dat haar uiteenzetting over dit subsidiaire standpunt in de akte van 15 september 2010 niet te beschouwen is als een nieuwe -en tardieve- grief maar als een verdere toelichting op haar eerdere en door de rechtbank buiten beschouwing gelaten verzoek daartoe in eerste aanleg. De verrekening van de waarde van de voormalige echtelijke woning 35. Partijen stellen in hoger beroep de verrekening van de voormalige echtelijke woning aan [adres] te [woonplaats] aan de orde. De man klaagt in zijn grieven XIX tot en met XXV over het oordeel van de rechtbank dat de woning in de verrekening dient te worden betrokken, en wel voor de volledige waarde¬vermeerdering. De vrouw stelt in haar grieven I tot en met XII met name de (te verrekenen) waarde van de woning aan de orde. 36. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad strekt een verrekenbeding als voorkomend in de huwelijkse voorwaarden van partijen er naar zijn aard toe dat periodiek wordt verrekend hetgeen van de inkomsten van partijen wordt bespaard, waarna elk van de echtgenoten vervolgens in staat is zijn aandeel in de besparingen -door belegging- te besteden aan vorming en vermeerdering van het eigen vermogen. Laten partijen, zoals in dit geval, tijdens het huwelijk deling van de overgespaarde inkomsten achterwege, dan moet daaraan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid, mede in verband met de aard van het verrekenbeding, het gevolg worden verbonden dat partijen bij het einde van het huwelijk alsnog tot verrekening overgaan en dat in deze verrekening ook wordt betrokken de vermogensvermeerdering, die is ontstaan door hetgeen uit de inkomsten van een echtgenoot is bespaard maar ongedeeld is gebleven. Hetzelfde geldt voor een belegging die is gefinancierd met geleend geld, voor zover de lening is afgelost met bespaarde maar onverdeeld gebleven inkomsten. Deze regels zijn neergelegd in artikel 1:141 lid 1 BW en voor zover het gaat om de aflossing van een schuld die met het oog op de verwerving van een goed is aangegaan in artikel 1:136 lid 1 BW. 37. Onverschillig is of de tijdens het verrekentijdvak verrichte belegging geschiedt in vermogen van een van de echtgenoten dat tijdens dat tijdvak dan wel reeds voordien is verworven. Voor beide situaties geldt immers in gelijke mate dat de overgespaarde inkomsten, die naar de aard van het periodieke verrekeningbeding bestemd waren om na verrekening door ieder van de echtgenoten benut te (kunnen) worden voor vermogensvermeerdering door belegging in eigen vermogen, zonder tussen de echtelieden te zijn verrekend voor belegging in het vermogen van slechts een van de echtgenoten zijn aangewend. Aldus is, in strijd met aard en strekking van het verrekenbeding, aan de andere echtgenoot de kans ontnomen deze inkomsten (na verrekening) in eigen vermogen te beleggen en daardoor vermogensvermeerdering te bereiken. 38. In het licht van recente jurisprudentie van de Hoge Raad (Hoge Raad, 10 juli 2009, 07/12242, LJN BI4387, NJ 1009,377) waarvan hiervoor de essentie is weergegeven, dient dan ook geen onderscheid te worden gemaakt tussen de situatie waarin de woning door de man is verworven voor het huwelijk en de situatie waarin de woning door hem is verworven tijdens het huwelijk. Het gaat in de kern om de vraag of er in het verrekentijdvak aflossingen zijn gedaan uit te verrekenen vermogen op een schuld die is aangegaan in verband met de verwerving van deze woning door de man. 39. Vaststaat dat de man de woning aan [adres] te [woonplaats] voor het huwelijk heeft aangekocht van familie en dat hij het volledige bedrag van de aankoop (inclusief kosten koper) heeft gefinancierd door middel van een hypothecaire geldlening ten bedrage van f 55.000,-. Deze lening is, zoals tussen partijen ook niet in geschil is, tijdens het huwelijk afgelost. Partijen strijden over het antwoord op de vraag of en in hoeverre deze aflossing heeft plaatsgevonden met overgespaarde inkomsten die verrekend hadden behoren te worden. 40. Partijen hebben niet voldaan aan de overeengekomen verrekenplicht in de huwelijkse voorwaarden zodat -op grond van artikel 1:141 lid 3 BW- wordt vermoed dat hun beider vermogens op de peildatum, 4 november 2008, zijn gevormd uit inkomsten die verrekend hadden moeten worden. In het licht van artikel 1:141 lid 3 BW verwoorde uitgangspunt ligt het dan ook op de weg van de man om aannemelijk te maken dat en voor welk deel de woning behorende tot zijn vermogen niet behoort tot het te verrekenen vermogen, in het bijzonder dat de aflossingen op de schuld die met het oog op de verwerving van de woning is aangegaan niet zijn verricht uit overgespaarde inkomsten die verrekend hadden moeten worden. Anders dan de man kennelijk ingang wil doen vinden, brengt de omstandigheid dat de woning door de man is aangekocht voor het huwelijk niet mee dat het wettelijk vermoeden als bedoeld in genoemd artikel niet van toepassing is. 41. De enkele omstandigheid dat de man in april 1985 de woning heeft gekocht van familieleden en/of dat bij deze aan/verkoop ten behoeve van -de ten tijde van de overdracht reeds op leeftijd zijnde- Oom [oom] een huurrecht is voorbehouden, recht¬vaardigt in het licht van het door de vrouw genoemde -en door de man niet bestreden- taxatierapport van [taxatiebureau], niet de conclusie dat de waarde van de woning in het economisch verkeer ten tijde van de verwerving door de man (ver) beneden de overeen¬gekomen koopprijs van f 50.000,- heeft gelegen en dat de -toch nog vrij onverwachte- verhuizing van Oom [oom] kort nadien naar een bejaardentehuis, reeds tot een waardestijging van de woning heeft geleid die buiten de verrekening dient te blijven. 42. Met betrekking tot de aflossingen die tijdens het huwelijk zijn verricht op de hypothecaire geldlening heeft de man in zijn beroepschrift -als ook in eerste aanleg- aangenomen dat daarvoor overgespaarde inkomsten zijn gebruikt (aangezien, aldus de man, geen andere bewijsstukken aanwezig zijn betreffende de aflossing). Naderhand heeft de man medegedeeld dat een deel van de opbrengst van de vakantiewoning "[vakantiewoning]" is gebruikt om (ook) de hypothecaire lening ter zake van [adres] af te lossen waarbij ook de man er -nog altijd- vanuit gaat dat die vakantiewoning is gefinancierd uit overgespaarde inkomsten. Ook in zijn akte van 21 juli 2010 luidt de conclusie van de man -in het bijzonder in de punten 128 en 129- nog altijd dat de verkoopopbrengst van de vakantie¬woning dient te worden gekwalificeerd als netto-inkomsten die verrekend dienen te worden. 43. Ter zitting in hoger beroep heeft de man echter alsnog betwist dat de verkoop¬opbrengst van de vakantiewoning kan worden aangemerkt als te verrekenen inkomen. Naar het hof begrijpt, heeft de man hierdoor kennelijk willen betwisten dat de aflossingen op de hypothecaire lening(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.