WAHV 200.096.427 23 januari 2012 CJIB [nummer] Gerechtshof te Leeuwarden Arrest op het hoger beroep tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Arnhem van 6 oktober 2011 betreffende [betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene), wonende te [woonplaats], voor wie als gemachtigde optreedt mr. C.M.J.E.P. Meerts, kantoorhoudende te Beegden. De beslissing van de kantonrechter De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie in het arrondissement Arnhem genomen beslissing ongegrond verklaard. Voorts heeft de kantonrechter het verzoek van betrokkene tot vergoeding van kosten afgewezen. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. Het procesverloop De gemachtigde van de betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. Tevens is verzocht om vergoeding van kosten. De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen. Hiervan is geen gebruik gemaakt. Beoordeling
- Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 240,- opgelegd ter zake van “op autosnelweg buiten noodzaak gebruik maken van vluchtstrook of vluchthaven”, welke gedraging zou zijn verricht op 31 oktober 2010 om 16.51 uur op de A2 links afslag Geldermalsen (oostbaan) te Deil met het voertuig met het kenteken [AB-AB-00].
- De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de betrokkene twee sancties heeft gekregen voor één gedraging. Naar de mening van de gemachtigde is er namelijk sprake van eendaadse samenloop, ten aanzien van de onderhavige zaak en een andere WAHV-zaak van de betrokkene (met CJIB-nummer [nummer]). De betrokkene heeft de verbalisant rechts ingehaald over de vluchtstrook. Beide aldus verrichte gedragingen - zonder noodzaak de vluchtstrook gebruiken en rechts inhalen waar dat is verboden - werden blijkens de verklaringen van de verbalisant op hetzelfde moment verricht. De gemachtigde stelt zich op het standpunt - zo begrijpt het hof - dat, nu hiermee rekening moet worden gehouden in de strafmaat, de beschikking dient te worden vernietigd.
- De ambtsedige verklaring van de verbalisant zoals opgenomen in het zaakoverzicht van het CJIB houdt onder meer het volgende in: “Betrokkene heeft zonder noodzaak over de vluchtstrook gereden. Haalde mij namelijk rechts in over de vluchtstrook met een geschatte snelheid van ongeveer 120 km/h. Later zag ik de betrokkene weer voor mij op de Provincialeweg en van daar de afslag Rumpt/Beesd dus geen (…) noodzaak.”
- De verbalisant heeft op verzoek van de officier van justitie nog een aanvullende verklaring ingediend. In het daartoe opgemaakte proces-verbaal, d.d. 23 februari 2011, bevestigt de verbalisant - voor zover nu van belang - dat, toen hij in zijn privé-auto naar zijn woonadres reed, hij op de hiervoor genoemde locatie rechts, over de vluchtstrook, werd ingehaald door het voertuig met het hiervoor genoemde kenteken.
- Deze verklaring van de verbalisant wordt niet bestreden namens de betrokkene. Gelet hierop, en in aanmerking genomen dat het dossier geen aanleiding geeft tot een andersluidend oordeel, staat naar de overtuiging van het hof vast dat de betrokkene buiten noodzaak gebruik heeft gemaakt van de vluchtstrook. Vast staat derhalve dat de gedraging is verricht. Het hof dient te beoordelen of er sprake is van zodanige omstandigheden dat het opleggen van een sanctie niet te billijken is, dan wel dat matiging van de sanctie gerechtvaardigd is.
- Bij het hof is ook de andere zaak van de betrokkene (met CJIB-nummer [nummer]) aanhangig. In die zaak (die staat geregistreerd onder WAHV-nummer 200.096.428 en waarin het hof vandaag eveneens uitspraak doet) is aan de betrokkene, eveneens als houder van voormeld kenteken, een administratieve sanctie van € 160,- opgelegd ter zake van “rechts inhalen waar dat is verboden”, welke gedraging eveneens zou zijn verricht op 31 oktober 2010, ditmaal om 16.50 uur, op de A2 links, afslag Geldermalsen te Deil. Die gedraging betreft hetzelfde feitencomplex als de onderhavige gedraging.
- Het hof stelt het volgende voorop. Gedragingen als de onderhavige gelden niet als een strafbaar feit in de zin van het Wetboek van Strafrecht. Ingevolge artikel 2 WAHV zijn voorzieningen van strafrechtelijke of strafvorderlijke aard uitgesloten. De samenloopregeling van Titel 4 van het Wetboek van Strafrecht mist in dit geval derhalve toepassing. De WAHV kent niet een met die regeling vergelijkbare samenloopregeling. In zoverre vindt het standpunt van de gemachtigde, dat bij het vaststellen van de sanctie(s) rekening moet worden gehouden met de (een- dan wel meerdaadse) samenloop van beide gedragingen, geen steun in het recht. In het midden kan daarom blijven of er al dan niet sprake is van eendaadse samenloop, zoals de gemachtigde betoogt, dan wel dat er sprake is van twee los van elkaar staande feiten, zoals de kantonrechter heeft overwogen. Wat daar verder ook van zij, deze vraag is - gelet op het voorgaande - op zichzelf niet van belang voor de vraag of er een sanctie dient te worden opgelegd voor beide gedragingen, en wat de hoogte van die sanctie dient te zijn. Het door de gemachtigde gewenste gevolg - vernietiging van de beschikking(en) kan die stelling daarom ook niet hebben.
- In de ten tijde van de gedraging geldende Aanwijzing administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (2010A006; verder: De Aanwijzing) is overigens wel voorzien in een regeling teneinde de cumulatie van administratieve sancties te beperken. Die regeling houdt in: “Om ongewenste cumulatie van sancties te voorkomen wordt per gebeurtenis aan de betrokkene voor ten hoogste drie overtredingen een sanctie opgelegd.” Het hof stelt vast dat, gelet op de samenhang van voornoemde gedragingen, sprake is van "een gebeurtenis" als bedoeld in de Aanwijzing en dat, nu de verbalisant in casu twee administratieve sancties heeft opgelegd niet in strijd met de Aanwijzing is gehandeld.
- Wellicht ten overvloede overweegt het hof nog dat de in hoge mate tariefsmatige afdoening van gedragingen als bedoeld in artikel 2 WAHV meebrengt dat de omstandigheden van het concrete geval niet licht van invloed zullen zijn op de hoogte van de opgelegde sanctie. Slechts in het geval van bijzondere omstandigheden bestaat er aanleiding voor het matigen of op nihil stellen van de sanctie. De enkele omstandigheid dat aan de betrokkene twee sancties zijn opgelegd in verband met onderhavig feitencomplex acht het hof niet een zodanig bijzondere omstandigheid dat zou moeten worden afgeweken van het vaste tarief.
- Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de onderhavige sanctie terecht is opgelegd. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter bevestigen.
- Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het hof het verzoek tot vergoeding van kosten afwijzen. Beslissing Het gerechtshof: bevestigt de beslissing van de kantonrechter; wijst het verzoek tot vergoeding van kosten af. Dit arrest is gewezen door mr. Dijkstra, in tegenwoordigheid van mr. Verdoorn als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.