ECLI:NL:GHLEE:2012:BX1954
Arrest d.d. 17 juli 2012 Zaaknummer 200.071.236/01 (zaaknummer rechtbank: 252232 / CV EXPL 09-1544) HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN Arrest van de eerste kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van: [appellante], wonende te [woonplaats], appellante, in eerste aanleg: eiseres, hierna te noemen: [appellante], advocaat: mr. H.A. van der Kleij, kantoorhoudende te Zwolle, tegen [X], gevestigd te [plaats], geïntimeerde, in eerste aanleg: gedaagde, hierna te noemen: [X], advocaat: aanvankelijk mr. M.G. Roessingh, kantoorhoudende te Zwolle, die zich aan de zaak heeft onttrokken.
Het geding in eerste instantie In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen uitgesproken op 18 augustus 2009 en 29 juni 2010 door de rechtbank Assen, sector kanton, locatie Assen, verder aan te duiden als: de kantonrechter.
Het geding in hoger beroep Bij exploot van 28 juli 2010 is door [appellante] hoger beroep ingesteld van genoemd vonnis van 29 juni 2010 met dagvaarding van [X] tegen de zitting van 10 augustus 2010.
Bij arrest van 31 augustus 2010 heeft het hof een comparitie gelast. Deze heeft doorgang gevonden op 29 november 2010. Ter gelegenheid van de comparitie heeft [appellante] een akte genomen. [X] is niet ter comparitie verschenen.
De conclusie van de memorie van grieven luidt: "dat het het gerechtshof behage om:
I. het tussen partijen op 29 juni 2010 door de rechtbank Assen, sector kanton, locatie Assen onder zaaknummer 252232 \ CV EXPL 09-1544 gewezen vonnis, waarvan appèl, te vernietigen; en opnieuw recht doende II. de vorderingen die appellante in eerste aanleg instelde volledig toe te wijzen en derhalve geïntimeerde te veroordelen om: a. appellante te vrijwaren voor de nadelige gevolgen van het uitvoer bij voorraad verklaarde vonnis dat op 29 juni 2010 door de rechtbank Assen, sector kanton, locatie Assen onder zaaknummer 243030 \ CV EXPL 08-7580 tussen appellante als gedaagde en de vennootschap naar buitenlands recht Varde Investments (Ireland) Limited als eiseres gewezen werd; b. de kosten van beide instanties te vergoeden."
De advocaat van [X] heeft zich aan de zaak onttrokken. Een nieuwe advocaat heeft zich niet voor hem gesteld.
Ten slotte heeft [appellante] de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.
De grieven [appellante] heeft zes grieven opgeworpen.
De beoordeling Ten aanzien van de feiten 1. Tussen partijen staan de volgende feiten vast als enerzijds gesteld en anderzijds onvoldoende weersproken.
1.1. [appellante] heeft op of omstreeks 23 november 2000 met Bank Labouchere N.V. (later Dexia Bank Nederland N.V.) een effectenleaseovereenkomst gesloten met een looptijd van 20 jaar.
1.2. [appellante] werd daarbij begeleid door [X], destijds werkzaam als adviseur en verbonden aan Het Fries Drentse Wold. Deze overeenkomst is voortijdig beëindigd.
1.3. Op deze overeenkomst is de "Duisenberg regeling" van toepassing ingevolge de WCAM-beschikking van het Gerechtshof te Amsterdam van 25 januari 2007, LJN AZ7033. [appellante] heeft geen opt-out verklaring afgelegd.
1.4. [appellante] is door Varde Investments (Ireland) Ltd, (verder: Varde) de rechtsopvolgster van Dexia Bank Nederland N.V. (verder: Dexia) aangesproken tot betaling van de restschuld c.a. (€ 5.789,04 in hoofdsom) voortvloeiende uit de eerdergenoemde effectenleaseovereenkomst. Varde heeft [appellante] doen dagvaarden.
1.5. In die procedure voor de kantonrechter te Assen heeft [appellante] [X] in vrijwaring opgeroepen. In de hoofdzaak heeft de kantonrechter bij vonnis van 29 juni 2010 [appellante] veroordeeld tot betaling na € 5.789,04 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 februari 2008, alsmede met de proceskosten.
De beslissing in eerste aanleg 2. Bij vonnis van eveneens 29 juni 2010 heeft de kantonrechter de vordering van [appellante] in vrijwaring afgewezen, daartoe overwegende dat [appellante] geen gemotiveerde reactie heeft gegeven op het verweer zijdens [X] dat de Duisenberg-regeling bepaalt dat particuliere belegger die onder de reikwijdte van de WCAM-beschikking valt geen vordering meer tegen een tussenpersoon toekomt.
De beoordeling van de grieven 3. De eerste grief komt er tegenop dat de kantonrechter, in navolging van [X], een verkeerd artikel van de oorspronkelijke Duisenberg-regeling heeft geciteerd (artikel 4.2), welk artikel in de uiteindelijke WCAM-overeenkomst is vernummerd tot 14.3 en welk artikel ook overigens enige verschillen vertoont met het oorspronkelijke artikel 4.2.
Deze grief is op zich terecht voorgedragen, doch kan niet tot vernietiging leiden, omdat op de vorderingen betreffende de door [appellante] gesloten leaseovereenkomst de WCAM-beschikking van 25 januari 2007 van toepassing is. Artikel 14 van de in die beschikking opgenomen overeenkomst ter collectieve afwikkeling van massaschade, geconsolideerde tekst zoals gewijzigd bij Aanvullende Overeenkomst d.d. 8 mei 2006, luidt als volgt:
Artikel 14 Kwijting 14.1 Elke Gerechtigde verleent aan Dexia en aan elke rechtspersonen waarmee Dexia op enig moment in een groep (…) verbonden is geweest … kwijting terzake van alle vorderingen die voortvloeien uit of verband houden met de geldigheid, het aangaan en de uitvoering van Effectenlease-overeenkomsten en de wijze waarop voor dergelijke overeenkomsten reclame is gemaakt of anderszins het aangaan daarvan is bevorderd, ongeacht de aard en grondslag van dergelijke vorderingen, zulks met uitzondering van: (I) De aanspraken die voortvloeien uit deze Overeenkomst (…) 14.2 (…) 14.3 Indien een derde naast een Dexia-partij waaraan bij artikel 14.1 kwijting is verleend hoofdelijk aansprakelijk jegens enige Gerechtigde is voor enige vordering waarvoor bij artikel 14.1 kwijting wordt verleend, dan verbindt de Gerechtigde zich om zijn of haar vorderingen op die derde overeenkomstig het bepaalde in artikel 6:14 Burgerlijk Wetboek te verminderen met het bedrag dat die derde van de Dexia-partijen als bijdrage had kunnen vorderen. (…) Het hof verstaat het beroep van [X] als een beroep op artikel 14.3 voornoemd.
Naar 's hofs oordeel berust deze grief op een verkeerde uitleg van artikel 14 van de WCAM-overeenkomst en van de wet. Door de algemeenverbindendverklaring van de WCAM-overeenkomst hebben alle gerechtigden - waartoe ook [appellante] behoort - kwijting verleend voor alle vorderingen die de gerechtigde heeft op Dexia die voortvloeien uit of verband houden met de geldigheid, het aangaan en de uitvoering van de Effectenlease-overeenkomst. Bij 14.3 gaat het om partijen die naast Dexia hoofdelijk aansprakelijk zijn voor een dergelijke vordering van de gerechtigde. Daarvan is in de door [appellante] gestelde constellatie sprake, zij heeft immers aangevoerd dat [X] onvoldoende voorlichting gegeven. Ook van een dergelijke vordering wordt kwijting verleend.
Dat Dexia vervolgens haar resterende vordering - de vordering die voortvloeit uit de WCAM-overeenkomst - heeft gecedeerd aan Varde, doet aan de rechtspositie van [X] niet af (zie artikel 6:145 BW).
Artikel 6:14 BW, eerste volzin, brengt in een dergelijk geval met zich dat als de gerechtigde jegens Dexia afstand heeft gedaan van zijn vordering betreffende de gebrekkige totstandkoming van de overeenkomst (in wat voor zin ook), zulks Dexia niet bevrijdt van haar verplichting in het bijdragen (overeenkomstig artikel 6:10 BW) aan een vergoeding die aan de medeschuldenaar - de tussenpersoon - is opgedragen. Om te voorkomen dat via de u-bocht van artikel 6:14 BW, eerste volzin, de vorderingen waarvoor in de WCAM-overeenkomst in artikel 14 lid 1 kwijting is verleend aan Dexia, alsnog door Dexia (gedeeltelijk) moet worden voldaan als regresvordering, is artikel 14.3 in de WCAM-overeenkomst opgenomen. Dit is een beding in de zin van artikel 6:14 BW, tweede volzin. Een dergelijk beding wordt bij een WCAM-overeenkomst ook verondersteld, tenzij nadrukkelijk daarvan is afgeweken (zie artikel 7:910 BW).
Het hof zal daarbij de door [X] aangevoerde omstandigheid dat hij tussentijds [appellante] heeft aangeraden de overeenkomst te beëindigen buiten beschouwing laten, nu [appellante] zulks heeft bestreden en in appel geen bewijsaanbod voorligt.
De slotsom 21. Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen en, opnieuw rechtdoende, [X] veroordelen om aan [appellante] te betalen € 1.899,69 te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 15 februari 2008 tot de dag der volledige betaling. Deze renteveroordeling is overeenkomstig het vonnis van de kantonrechter in de hoofdzaak. Voor doorbelasting van [X] met (een gedeelte van) de proceskosten in de hoofdzaak bestaan sedert HR 28 oktober 2011, LJN BQ6079 geen termen meer.
Gelet op deze uitkomst zal het hof de proceskosten in beide instanties compenseren.
De beslissing Het gerechtshof: vernietigt het vonnis waarvan beroep en opnieuw rechtdoende: veroordeelt [X] om tegen deugdelijk bewijs van kwijting aan [appellante] te betalen de somma van € 1.899,69, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 15 februari 2008 tot de dag der algehele betaling; compenseert de proceskosten, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt; verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad; wijst af het meer of anders gevorderde.
Aldus gewezen door mrs. J.H. Kuiper, voorzitter, M.M.A. Wind en I. Tubben en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 17 juli 2012 in bijzijn van de griffier.