Arrest d.d. 31 juli 2012 Zaaknummer 200.101.562/01 (zaaknummer rechtbank: 83874 / HA ZA 07-552) HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN Arrest van de eerste kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van: [appellante], gevestigd te Appelscha, appellante in het principaal en geïntimeerde in het incidenteel appel, in eerste aanleg: eiseres, hierna te noemen: [appellante], advocaat: mr. W.E.M. Klostermann, kantoorhoudende te Zwolle, die ook gepleit heeft, tegen De Gemeente Ooststellingwerf, gevestigd te Oosterwolde, geïntimeerde in het principaal en appellante in het incidenteel appel, in eerste aanleg: gedaagde, hierna te noemen: de gemeente, advocaat: mr. W.H.C. Bulthuis, kantoorhoudende te Leeuwarden, voor wie gepleit heeft mr. J.B. Mus, advocaat te Breda. Het geding in eerste instantie In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen uitgesproken op 9 februari 2009 en 2 november 2011 door de rechtbank Leeuwarden. Het geding in hoger beroep Bij exploot van 27 januari 2012 is door [appellante] hoger beroep ingesteld van de genoemde vonnissen met dagvaarding van de gemeente tegen de zitting van 14 februari 2012. De conclusie van de dagvaarding in hoger beroep luidt: "de vonnissen van de rechtbank d.d. 14 januari 2009 en 2 november 2011 vernietigd behoren te worden. De Gemeente Ooststellingwerf behoort alsnog veroordeeld te worden tot betaling aan [appellante] conform het petitum zoals geformuleerd in de conclusie van repliek, met dien verstande dat [appellante] zijn vordering tot vergoeding van de gederfde IPR premie terugtrekt en dat de vordering onder het twaalfde gedachtestreepje van dat petitum (kosten van rechtsbijstand) in aansluiting op paragraaf 8 van de conclusie van repliek als volgt samengevat kan worden: € 21.749,21 te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 17 oktober 2001; € 1.102,34 te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 19 april 2002; € 1.830,62 te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 15 mei 2002; € 637,59 te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 31 juni 2002; € 341,85 te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 25 juli 2002; € 5.936,15 te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 21 september 2002; € 166,19 te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 25 december 2003; € 507,62 te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 12 januari 2004; € 142,46 te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 20 maart 2004; € 652,54 te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 11 juni 2004; € 1.353,42 te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 15 december 2004; € 649,25 te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 18 juni 2006; € 246,45 te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 12 juli 2006; € 337,61 te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 18 augustus 2006; € 701,19 te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 18 november 2006; € 1.537,89 te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 14 december 2006; € 2.129,54 te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 20 januari 2007; € 1.579,45 te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 19 februari 2007; € 1.270,41 te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 20 maart 2007; € 108,12 te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 14 april 2007; € 2.081,31 te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 26 mei 2007; € 621,69 te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 2 juli 2007; en met veroordeling van de Gemeente in de kosten van beide instanties." Bij memorie van antwoord is door de gemeente verweer gevoerd en incidenteel geappelleerd met als conclusie: "bij arrest, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, IN PRINCIPAAL APPÈL: de door [appellante] voorgedragen grieven te verwerpen alsmede de tussenvonnissen van de rechtbank te Leeuwarden op 14 januari 2009 en op 2 november 2011, gewezen onder zaak- en rolnummer 83874 / HA ZA 07-552, te bekrachtigen, behoudens voor zover de gemeente in het incidenteel appèl zelf grieven tegen het tussenvonnis naar voren heeft gebracht; IN INCIDENTEEL APPÈL: de tussenvonnissen van de rechtbank te Leeuwarden op 14 januari 2009 en op 2 november 2011 gewezen, onder zaak- en rolnummer 83874 / HA ZA 07-552, te vernietigen, en opnieuw rechtdoende, [appellante] niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vorderingen, althans de vorderingen van [appellante] alsnog geheel af te wijzen; IN PRINCIPAAL EN INCIDENTEEL APPÈL: [appellante] te veroordelen in de kosten van deze procedure in beide instanties, onder bepaling dat [appellante] de wettelijke rente over deze kosten verschuldigd zal zijn wanneer [appellante] deze kosten niet binnen veertien dagen na het in dezen te wijzen arrest aan de Gemeente zal hebben voldaan." Door [appellante] is in het incidenteel appel geantwoord met als conclusie: "het incidentele appèl dient te verwerpen, met veroordeling van de Gemeente in de kosten van het incidentele appèl." Vervolgens hebben partijen hun zaak doen bepleiten onder overlegging van pleitnota's door hun advocaten. Door de gemeente is een akte genomen Ten slotte hebben partijen arrest gevraagd en heeft het hof een dag bepaald waarop arrest zal worden gewezen. De grieven [appellante] heeft in het principaal appel acht, niet als zodanig genummerde, grieven opgeworpen. Het hof zal de aanduiding volgen die de gemeente aan deze grieven heeft gegeven. De gemeente heeft in het incidenteel appel zes grieven opgeworpen. De beoordeling Ten aanzien van de ontvankelijkheid 1. Deze procedure kent een bijzonder verloop. 1.1. [appellante] heeft de gemeente aansprakelijk gesteld voor de schade voortvloeiende uit diverse tekortkomingen/onrechtmatige gedragingen zijdens de gemeente rond de verplaatsing van attractiepark Duinenzathe c.a. te Appelscha naar de locatie De Maden. 1.2. Bij tussenvonnis van 17 maart 2004 heeft de rechtbank Leeuwarden de gemeente aansprakelijk geacht. De gemeente is, na verkregen verlof, van dat tussenvonnis in appel gekomen waarna het hof bij eindarrest van 21 december 2005 de gemeente aansprakelijk heeft geacht en daartoe in het dictum voor recht heeft verklaard dat de gemeente jegens [appellante] tekort is geschoten door a. geen toereikende planologische basis te creëren voor de verplaatsing van het gehele attractiepark Duinenzathe naar locatie De Maden, derhalve inclusief de zelfstandige horeca-activiteiten waardoor deze daar thans niet in tenminste dezelfde omvang als op de oude locatie kunnen worden uitgeoefend; b. na te laten direct een deugdelijke planologische basis te creëren voor de verplaatsing van de attracties naar locatie De Maden, waardoor GS bij besluit van 7 juli 1998 aan dit deel van het bestemmingsplan zijn goedkeuring heeft onthouden; c. na te laten direct een toereikende planologische basis te creëren voor de verplaatsing van de autoscooter-attractie naar de nieuwe locatie De Maden. Voorts heeft het hof de gemeente veroordeeld tot vergoeding van de schade die [appellante] ten gevolge van de hierboven omschreven tekortkomingen nader op te maken bij staat, daaronder ook begrepen de schade ter vaststelling van de aansprakelijkheid. 1.3. Partijen hebben vervolgens de schade betreffende de aanvankelijk ontbrekende basis voor zelfstandige horeca-activiteiten in onderling overleg geschikt. Ter zake van de andere schadeposten heeft [appellante] een schadestaat doen opstellen, die sloot op € 6.559.017,-. Deze schadestaat heeft [appellante] op 23 juli 2008 aan de gemeente betekend. Nadien is de schadestaat nog iets aangepast. 1.4. Bij vonnis van 14 januari 2009 heeft de rechtbank de vorderingen van [appellante] deels afgewezen en voor het overige een comparitie van partijen gelast Op verzoek van de [appellante] heeft de rechtbank bij nader vonnis van 25 maart 2009 hoger beroep opengesteld van het tussenvonnis van 14 januari 2009. 1.5. De gemeente heeft op 10 juni 2009 appel ingesteld van dat tussenvonnis terwijl de gemeente incidenteel heeft geappelleerd. 1.6. Na een tussenarrest van 28 december 2010 heeft het hof bij arrest van 26 april 2011 zowel [appellante] als de gemeente niet-ontvankelijk verklaard in hun appellen, zulks wegens termijnoverschrijding. 1.7. [appellante] heeft daarop een akte voortprocederen bij de rechtbank ingediend, waarin hij heeft aangedrongen op het wijzen van een tussenvonnis dat wederom opengesteld zou moeten worden voor tussentijds appel. De rechtbank heeft daaraan voldaan bij vonnis van 2 november 2011, waarna [appellante] wederom interimappel heeft ingesteld en de gemeente ook wederom incidenteel appel. Beide appellen hebben in hoofdzaak als voorwerp het tussenvonnis van 14 januari 2009 voornoemd. 2. Het hof ziet zich voor de vraag gesteld of beide partijen wel ontvankelijk zijn in hun appel tegen het tussenvonnis van 14 januari 2009, nu dat vonnis voor beide partijen reeds eerder voorwerp van hoger beroep is geweest. Het hof brengt in herinnering dat in dezen leidend is de "eenmaal schieten regel", die inhoudt dat een tussenvonnis slechts eenmaal voorwerp van appel kan zijn. Op deze regel is een uitzondering geformuleerd in HR 21 juni 1940, NJ 1940, 918, (waaraan ondermeer gerefereerd wordt in HR 9 mei 2003, LJN AF4606), waar de Hoge Raad overwoog dat een hoger beroep tegen een tussenvonnis dat wegens termijnoverschrijding op een niet-ontvankelijkheid was gestrand, geenszins het recht teloor doet gaan om alsnog tegen dat tussenvonnis tegelijkertijd met het eindvonnis te appelleren. Uit dat arrest volgt evenwel niet zondermeer dat ook een tweede tussentijds appel mogelijk is zonder dat er een eindvonnis is gewezen en dat bij een tweede tussenvonnis in een zaak als deze ook alle voorgaande tussenvonnissen wederom kunnen worden aangevochten. 3. Het hof is van oordeel dat de belangen van de wederpartij bij een voortvarende behandeling van de procedure in een dergelijk geval ook meegewogen dienen te worden bij de vraag of het tweede tussentijdse appel tegen hetzelfde tussenvonnis ontvankelijk is. In dit geval wensen beide partijen het oordeel van het hof over het tussenvonnis van 14 januari 2009 te vernemen en lopen derhalve de belangen van beide partijen op dit punt parallel, zodat het hof geen reden ziet om de uitzondering van het arrest van 21 juni 1940 hier niet overeenkomstig toe te passen. Het hof zal dan ook beide beroepen ontvankelijk achten, ook voor zover ze zich richten tegen het vonnis van 14 januari 2009. De beoordeling in eerste aanleg en de aanduiding van het geschil 4. De rechtbank heeft vooropgesteld dat de gemeente aansprakelijk is voor de schade die [appellante] heeft geleden vanwege de vertraagde opening van Duinenzathe, die voorzien was in het voorjaar van 2000 maar uiteindelijk heeft plaatsgevonden in het voorjaar van 2002. De rechtbank heeft het verweer van de gemeente verworpen dat per 28 juni 2000 al een toereikende planologische basis bestond. Volgens de rechtbank ontstond eerst na de vrijstelling van 6 november 2001 een planologische grondslag op basis waarvan Duinenzathe verplaatst kon worden. 4.1. Het oordeel dat de vertragingsschade tot het voorjaar 2002 voor rekening van de gemeente komt wordt aangevochten in de grieven 2 tot en met 4 van het incidenteel appel. In grief 2, betoogt de gemeente dat de lange duur van de rechtsgang bij de Raad van State haar niet verweten kan worden, in grief 3 dat [appellante] zelf vertraging heeft veroorzaakt door buiten het bouwblok te bouwen en in grief 4 betoogt de gemeente dat [appellante] eerder om een artikel 19-Wro-vrijstelling (oud) had kunnen verzoeken. 5. De rechtbank heeft voorts overwogen dat de schade over de seizoenen 2000 en 2001 voor vergoeding in aanmerking komt, evenals schade na de opening in 2002, voor zover wordt aangetoond dat de gestelde schade het rechtstreekse gevolg is van de vertraagde opening in 2002. Hiertegen richt zich grief 1 in incidenteel appel waarin de gemeente betoogt dat haar aansprakelijkheid hoe dan ook een eind neemt na de opening van het nieuwe Duinenzathe. Ook in prinicipaal appel wordt deze overweging aangevochten. [appellante] stelt dat de gemeente aansprakelijk is voor de schade die zij heeft geleden omdat niet van meet af aan een deugdelijk bestemmingsplan door de gemeente is vastgesteld. Volgens [appellante] is een artikel 19 WRO- vrijstelling (oud) een onvoldoende flexibele basis voor de exploitatie van een pretpark en dient de schadeberekening door te lopen totdat er een deugdelijk bestemmingsplan tot stand is gekomen. Voorts is [appellante] van oordeel dat de rechtbank de schadecomponenten te eng heeft begrepen en ten onrechte de posten reputatieschade en gebrek aan financiële middelen heeft afgewezen als zijnde te ver verwijderd van de schadeoorzaak waarvoor de verwijzing naar de schadestaat heeft plaatsgevonden. De beoordeling van de grieven. 6. Het hof stelt voorop dat het bij de hier voorliggende schadestaat niet om een geheel zelfstandige procedure gaat, doch om een bijzondere wijze van tenuitvoerlegging (exécution par suite d'instance) waarbij de partijen in de schadestaatprocedure gebonden zijn aan hetgeen de rechter in de procedure tot vaststelling van de schade heeft overwogen (vgl. HR 17 januari 1997, NJ 1997, 230). Die procedure zal hier verder als de bodemprocedure worden aangeduid. 7. In de bodemprocedure - waarbij het accent lag op de problemen rond de horeca - heeft het hof de gemeente veroordeeld tot hetgeen hiervoor onder 1.2 is aangehaald. Daarin ligt, anders dan [appellante] heeft gesteld, niet besloten dat de gemeente aansprakelijk is voor de gehele achterblijvende omzet van het attractiepark Duinenzathe sedert de verhuizing naar De Maden, doch enkel voor die schade die het gevolg is van het te laat beschikbaar zijn van een deugdelijke planologische basis voor de verplaatsing. Wat het hof daarbij onder een deugdelijke planologische basis verstaat is nader uitgewerkt in rechtsoverweging 23 van het arrest van 21 december 2005: "De overeenkomst verplichtte de gemeente óók tot het creëren van een toereikende (dat is: overeenkomstig de ten tijde van de totstandkoming van de overeenkomst geldende wettelijke en jurisprudentiële regels opgestelde) planologische basis voor de verplaatsing van het gehele attractiepark Duinenzathe, derhalve inclusief de zelfstandige horeca-activiteiten in tenminste de omvang die deze hadden vóór de verhuizing naar locatie De Maden, waarbij de gemeente zich naar vermogen diende in te spannen om daarvoor de benodigde goedkeuring van GS te verkrijgen." 8. De bewijslast terzake van de causaliteit en de omvang van de schade die het gevolg is van de tekortkoming zijdens de gemeente, berust onverkort bij [appellante]. 9. Ten aanzien van het beginmoment van de schade heeft het hof in zijn arrest van 21 december 2005 nog overwogen dat de problematiek rond het bebouwingsvlak eveneens naar de schadestaatprocedure wordt verwezen. Voorts heeft het hof in rechtsoverweging 34 het verweer van de gemeente dat [appellante] eigen schuld aan de vertraging heeft omdat zij een vrijstellingsverzoek had moeten indienen, afgewezen. Gelet op het karakter van de schadestaatprocedure staat het de gemeente niet vrij om dit in de bodemprocedure integraal verworpen verweer thans nogmaals te voeren. Dit betekent dat grief 4 in het incidenteel appel geen doel kan treffen. De vertraging tot 2002 10. Het hof zal nu eerst de bezwaren van de gemeente tegen het aanvangsmoment van de schadeberekening behandelen. De rechtbank is er van uitgegaan dat de gemeente in ieder geval aansprakelijk is voor de vertragingsschade (zo die er al
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.