ECLI:NL:GHLEE:2012:BX3091
Arrest d.d. 31 juli 2012 Zaaknummer 200.085.197/01 (zaaknummers rechtbank: 76958/HA ZA 09-955 en 78723/HAZA 10-238) HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN Arrest van de tweede kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van: [appellante] gevestigd te [woonplaats], appellante in het principaal appel, in eerste aanleg: gedaagde in de hoofdzaak en eiseres in de vrijwaring, hierna te noemen: [appellante], advocaat: mr. J. Mulder, kantoorhoudende te Hoogeveen, tegen 1. [geïntimeerde 1], wonende te [woonplaats], 2. [geïntimeerde 2], wonende te [woonplaats], 3. [geïntimeerde 3], gevestigd te [woonplaats], geïntimeerden in het principaal en appellanten in het voorwaardelijk incidenteel appel, in eerste aanleg: eisers in de hoofdzaak, hierna gezamenlijk in vrouwelijk enkelvoud te noemen: [geïntimeerden], advocaat: mr. G.P. Wempe, kantoorhoudende te Drachten, en tegen [geïntimeerde 4], gevestigd te [woonplaats], geïntimeerde in het principaal appel sub 4 en geïntimeerde in het voorwaardelijk incidenteel appel, in eerste aanleg: gedaagde in de hoofdzaak en gedaagde in de vrijwaring, hierna te noemen: [geïntimeerde 4], advocaat: mr. R.J.G. Abeln, kantoorhoudende te Amsterdam.
Het geding in eerste instantie In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen uitgesproken op 7 april 2010 en 1 december 2010 door de rechtbank Assen.
Het geding in hoger beroep Bij exploten van 17 en 18 februari 2011 is door [appellante] hoger beroep ingesteld van genoemd vonnis met dagvaarding van [geïntimeerden] en [geïntimeerde 4] tegen de zitting van 26 juli 2011.
De conclusie van de appeldagvaarding luidt: "voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
Bij exploot van 24 maart 2011, hersteld bij exploot van 1 april 2011, heeft [geïntimeerde 4] [appellante] opgeroepen bij vervroeging te verschijnen op de zitting van 12 april 2011. Op laatst genoemde datum is de zaak aangebracht. [appellante] heeft een memorie van grieven (per abuis genaamd "memorie van antwoord") genomen.
Bij memorie van antwoord is door [geïntimeerde 4] verweer gevoerd met als conclusie: "bij arrest uitvoerbaar bij voorraad voor wat betreft de proceskostenveroordeling, het vonnis in vrijwaring van de rechtbank Assen d.d. 1 december 2010 te bekrachtigen, met veroordeling van [appellante] in de proceskosten in beide instanties."
Bij memorie van antwoord is door [geïntimeerden] verweer gevoerd en voorwaardelijk incidenteel geappelleerd met als conclusie: "tot bekrachtiging van het vonnis van de rechtbank Assen d.d. 1 december 2010 en voorwaardelijk incidenteel appel tot vernietiging van het vonnis van de rechtbank Assen van 1 december 2010:
Door [geïntimeerde 4] is in het voorwaardelijk incidenteel appel geantwoord met als conclusie: "bij arrest uitvoerbaar bij voorraad voor wat betreft de proceskostenveroordeling, het vonnis in vrijwaring van de rechtbank Assen d.d. 1 december 2010 te bekrachtigen, met veroordeling van [appellante] in de proceskosten in beide instanties."
Door [appellante] is in het voorwaardelijk incidenteel appel geantwoord met als conclusie: "te beslissen overeenkomstig de eis in de appeldagvaarding."
Ten slotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.
De grieven [appellante] heeft in het principaal appel drie grieven opgeworpen. [geïntimeerden] heeft in het voorwaardelijk incidenteel appel één grief opgeworpen.
De beoordeling De feiten (in de hoofdzaak tussen [appellante] en [geïntimeerden] en in de vrijwaringszaak tussen [appellante] en [geïntimeerde 4]) 1. Niet in geschil is dat de feiten die de rechtbank in het bestreden vonnis onder 2 (2.1 tot en met 2.7) heeft weergegeven vaststaan. Derhalve zal ook het hof van die feiten zal uitgaan. Het gaat om het volgende.
1.1. In de vorm van de maatschap [geïntimeerden] (geïntimeerde in het principaal appel sub 3) oefenen de heer en mevrouw [geïntimeerden] (geïntimeerden in het principaal appel sub 1 en 2) te [woonplaats] een landbouwbedrijf uit.
1.2. Bij overeenkomst van 3 juni 2008 heeft [geïntimeerden] een gebruikte combine gekocht van [geïntimeerde 4].
1.3. [geïntimeerden] is met [appellante] overeengekomen dat [appellante] de combine vanaf het bedrijf van [geïntimeerde 4] zou vervoeren naar het bedrijf van [geïntimeerden]. Daarbij heeft [geïntimeerden] geen bijzondere instructies gegeven. Op deze vervoersovereenkomst zijn de Algemene Vervoercondities 2012 (AVC 2012) van toepassing.
1.4. Op 10 juni 2008 heeft [chauffeur], chauffeur bij [appellante], de combine bij [geïntimeerde 4] opgehaald met een trekker/diepladercombinatie.
1.5. De combine is door [werknemer], werkzaam bij [geïntimeerde 4], op de dieplader gereden. [werknemer] is vervolgens over de bovenzijde van de combine gelopen en heeft gecontroleerd of er kleppen openstonden en of uitsteeksels (zoals zwaailampen) aanwezig waren die verwijderd moesten worden. [werknemer] heeft tegen de chauffeur gezegd dat het hem in orde leek. Daarna heeft [chauffeur] de combine met spanbanden vastgezet. De combinatie was 4,20 meter hoog. Het hof neemt voorshands aan dat hiermee gedoeld wordt op de afstand van de grond tot de bovenkant van de combine als deze op de dieplader staat. Partijen wordt verzocht zich daarover uit te laten.
1.6. Onderweg met de lading zag [chauffeur] tijdens het passeren van een viaduct een grote stofwolk achter de trekker/diepladercombinatie. Hij is vervolgens gestopt en heeft een schade aan de bovenzijde van de combine geconstateerd. Een automobilist die achter hem was gestopt heeft hem meegedeeld dat vlak voor het passeren van het viaduct de klep bovenop de combine open waaide. De klep ramde het viaduct, raakte los van de combine en kwam in de berm terecht.
1.7. De aansprakelijkheidsverzekeraar van [appellante] heeft op 27 juni 2008 de schade vastgesteld op € 8.500,-.
Het geschil en de beslissing in eerste aanleg 2. [geïntimeerden] heeft [appellante] en [geïntimeerde 4] gedagvaard en (zoals dat door de rechtbank is uitgelegd en in appel niet is bestreden:) van elk van hen betaling gevorderd van € 9.080,33, vermeerderd met rente en kosten. Voormeld bedrag is de schade die [geïntimeerden] stelt te hebben geleden als gevolg van de hiervoor onder 1.6 omschreven gebeurtenis.
2.1. [appellante] en [geïntimeerde 4] hebben ieder voor zich verweer gevoerd. Voorts heeft [appellante] [geïntimeerde 4] in vrijwaring opgeroepen en gevorderd [geïntimeerde 4] te veroordelen tot betaling aan [appellante] van al hetgeen waartoe [appellante] in de hoofdzaak wordt veroordeeld.
2.2. De rechtbank heeft in de hoofdzaak geoordeeld dat [appellante] geen beroep toekomt op vervoerdersovermacht als bedoeld in artikel 10 lid 1 AVC 2012 en op de ontheffingsgronden als bedoeld in artikel 11, aanhef en onder b en c AVC 2012. Op grond daarvan heeft de rechtbank [appellante] aansprakelijk gehouden voor de schade die de rechtbank heeft begroot op € 8.500,-. Tot dat bedrag is de vordering, vermeerderd met rente toegewezen. De vordering tegen [geïntimeerde 4] heeft de rechtbank afgewezen omdat [geïntimeerde 4] naar het oordeel van de rechtbank niet jegens [geïntimeerden] toerekenbaar is tekortgeschoten.
2.3. In de vrijwaringzaak van [appellante] tegen [geïntimeerde 4] heeft de rechtbank geoordeeld dat [geïntimeerde 4] niet onrechtmatig heeft gehandeld. De vordering tegen [geïntimeerde 4] is om die reden afgewezen.
De van elkaar te onderscheiden appellen 3. Het principaal appel is door [appellante] ingesteld tegen [geïntimeerden] voor zover het betreft de veroordeling van [appellante] in de hoofdzaak en tegen [geïntimeerde 4] voor zover het betreft de afwijzing van de vordering in de vrijwaring.
3.1. In haar memorie van antwoord heeft [geïntimeerden] beoogd een voorwaardelijk incidenteel appel in te stellen voor zover het gaat om de afwijzing van haar vordering in de hoofdzaak tegen [geïntimeerde 4]. De voorwaarde waaronder dit beoogde appel is ingesteld houdt in dat de vorderingen op [appellante] geheel of ten dele zullen worden afgewezen. Reeds nu overweegt het hof dat indien deze voorwaarde zou worden vervuld, [geïntimeerden] in haar incidenteel appel niet kan worden ontvangen omdat incidenteel appel door haar slechts kan worden ingesteld tegen de appellant in het principaal appel in de hoofdzaak, in casu: [appellante]. Een appel tegen [geïntimeerde 4] had [geïntimeerden] dan ook bij afzonderlijk exploot moeten inleiden.
De bespreking van de grieven In de hoofdzaak tussen [appellante] en [geïntimeerden] 4. Het hof stelt voorop dat op de vervoerder een resultaatsverbintenis rust (art. 9 lid 1 AVC 2012 en 8:1095 BW). Hij is, behoudens overmacht, aansprakelijk voor schade aan de vervoerde zaken (art. 10 lid 1 AVC 2012 en art. 8:1098 lid 1 BW). Van overmacht is sprake als de schade is veroorzaakt door een omstandigheid die een zorgvuldig vervoerder niet heeft kunnen vermijden en voor zover zulk een vervoerder de gevolgen daarvan niet heeft kunnen verhinderen (art. 8:1098 lid 1 BW). De bewijslast van overmacht rust op de vervoerder. In een aantal gevallen wordt evenwel in de wet en de AVC 2012 aan deze bewijslast tegemoetgekomen. Als de schade het gevolg is van de bijzondere risico's die zijn verbonden aan in de wet (art. 8:1099 BW en 8:1101) en AVC 2012 (art. 11) omschreven omstandigheden is de vervoerder niet aansprakelijk. De zogenaamde "bevrijdende omstandigheden" of "ontheffingsgronden". Wel moet de vervoerder (behoudens de situatie bedoeld onder art. 8:1101 aanhef en onder a BW) bewijzen dat, gelet op de omstandigheden van het geval, de schade een gevolg heeft kunnen zijn van een of meer van deze bijzondere risico's. Dit volgt uit de artikelen 8:1100 lid 1 en 8:1101 aanhef en onder b BW respectievelijk artikel 12 lid 1 AVC 2012. Als dat bewijs wordt geleverd, dan wordt vermoed dat de schade daarvan het gevolg is. De ladingbelanghebbende mag evenwel in dat geval bewijzen dat de schade geheel of gedeeltelijk niet door een van de bijzondere risico's is veroorzaakt.
In de vrijwaringszaak tussen [appellante] en [geïntimeerde 4] 16. Met de enige grief bestrijdt [appellante] het oordeel van de rechtbank dat [geïntimeerde 4] niet onrechtmatig jegens [appellante] heeft gehandeld, omdat het op de weg van [appellante] als vervoerder had gelegen om zich ervan te verzekeren dat de klep met het oog op het vervoer adequaat gesloten was en [geïntimeerde 4] niet gehouden was de combine met vast getapete klep aan de vervoerder aan te bieden.
In de hoofdzaak tussen [geïntimeerden] en [geïntimeerde 4] (het voorwaardelijk incidenteel appel) 19. Verwezen wordt naar wat hiervoor onder 3.1 is overwogen. Ieder verder oordeel zal worden aangehouden in afwachting van de beslissing in de hoofdzaak tussen [appellante] en [geïntimeerden].
De beslissing Het gerechtshof: verwijst de zaak naar de rol van dinsdag 28 augustus 2012 voor het nemen van een akte aan de zijde van [appellante] voor uitlating als bedoeld in rechtsoverweging 15; houdt iedere verdere beslissing aan.
Aldus gewezen door mrs. L. Janse, voorzitter, G. van Rijssen, B.J.H. Hofstee en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 31 juli 2012 in bijzijn van de griffier.