Arrest d.d. 11 september 2012 Zaaknummer 200.090.679/01 (zaaknummer rechtbank: 78373/HA ZA 10-187) HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN Arrest van de tweede kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van: [appellante], gevestigd te [woonplaats], appellante in het principaal en geïntimeerde in het incidenteel appel, in eerste aanleg: gedaagde in conventie en eiseres in reconventie, hierna te noemen: [appellante], advocaat: mr. E.D. Kruidhof-Dijk, kantoorhoudende te Emmen, die ook gepleit heeft, tegen [geïntimeerde], gevestigd te [woonplaats], geïntimeerde in het principaal en appellante in het incidenteel appel, in eerste aanleg: eiseres in conventie en verweerster in reconventie, hierna te noemen: [geïntimeerde], advocaat: mr. J.M. Jansen, kantoorhoudende te Peize, die ook gepleit heeft. Het geding in eerste instantie In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen uitgesproken op 9 juni 2010 en 13 april 2011 door de rechtbank Assen. Het geding in hoger beroep Bij exploot van 8 juli 2011 is door [appellante] hoger beroep ingesteld van de genoemde vonnissen met dagvaarding van [geïntimeerde] tegen de zitting van 11 oktober 2011. [geïntimeerde] heeft daarop een anticipatie-exploit uitgebracht ter verkorting van de termijn waartegen zij is gedagvaard en onder peremptoirstelling voor grieven en waarbij zij [appellante] heeft opgeroepen tegen de zitting van 19 juli 2011. De conclusie van de memorie van grieven luidt: "het vonnis d.d. 9 juni 2010 en 13 april 2011 onder zaaknummer / rolnummer 78373/ HA ZA 10-187 door de Rechtbank te Assen tussen partijen gewezen te vernietigen en opnieuw rechtdoende, één en ander voorzover de wet dit toelaat uitvoerbaar bij voorraad: In conventie primair I. te bepalen dat geïntimeerde niet-ontvankelijk is in haar vorderingen in eerste aanleg dan wel dat haar vorderingen in eerste aanleg ongegrond zijn, zodat deze moeten worden afgewezen; subsidiair II. te bepalen dat het depotbedrag van € 1.000,- in mindering strekt op de vorderingen van geïntimeerde; In reconventie (voorwaardelijk, indien het vonnis in eerste aanleg alsnog wordt vernietigd) III. geïntimeerde te veroordelen om aan appellante terug te betalen op grond van onverschuldigde betaling een bedrag van € 12.704,14, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum appeldagvaarding In reconventie (onvoorwaardelijk) IV. te bepalen dat de voorwaardelijke vordering in reconventie van appellante in eerste aanleg wordt gewijzigd in een onvoorwaardelijke vordering in reconventie; V. geïntimeerde te veroordelen om het depotbedrag van € 1.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 november 2010, althans vanaf een in goede rechtspraak te bepalen datum, aan appellante terug te betalen. VI. voor recht te verklaren dat geïntimeerde toerekenbaar tekort is geschoten jegens appellante; VII. voor recht te verklaren dat geïntimeerde aansprakelijk is voor de geleden en te lijden schade van appellante in verband met de tekortkomingen; VIII. geïntimeerde te veroordelen om de schade die appellante heeft geleden en nog zal lijden als gevolg van het toerekenbaar tekortschieten van geïntimeerde, aan appellant te vergoeden, welke schade nader dient te worden opgemaakt bij staat en te worden vereffend volgens de wet, althans de schade te schatten naar redelijkheid en billijkheid; In conventie en reconventie IX. geïntimeerde te veroordelen in de kosten van beide instanties." Bij memorie van antwoord is door [geïntimeerde] verweer gevoerd en incidenteel geappelleerd met als conclusie: "bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: - in conventie: het vonnis van de Rechtbank Assen van 13 april 2011, gewezen onder zaak- en rolnummer 78373 / HA ZA 10-187, zo nodig onder verbetering van gronden, te bekrachtigen, en te vernietigen uitsluitend voor wat betreft punt 3 van het dictum daarvan met betrekking tot de afgewezen wettelijke handelsrente door te oordelen dat waar onder punt 1 van het dictum staat vermeld wettelijke rente dient te staan wettelijke handelsrente, althans deze alsnog toe te wijzen, en met betrekking tot de afgewezen buitengerechtelijke incassokosten door deze alsnog toe te wijzen; - in (voorwaardelijke) reconventie: [appellante] niet-ontvankelijk te verklaren, althans haar vorderingen af te wijzen, en het vonnis van de Rechtbank Assen van 13 april 2011, gewezen onder zaak- en rolnummer 78373 / HA ZA 10-187, zo nodig onder verbetering van gronden, te bekrachtigen, met zowel in conventie als in (voorwaardelijke) reconventie veroordeling van [appellante] in de kosten van het hoger beroep, waaronder het griffierecht en salaris (proces)advocaat, standaard forfaitair bepaald." Door [appellante] is in het incidenteel appel geantwoord met als conclusie: "bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [geïntimeerde] niet ontvankelijk te verklaren in incidenteel appel, althans de vorderingen in incidenteel appel af te wijzen en opnieuw rechtdoende zoals is omschreven in de memorie van grieven d.d. 4 oktober 2011, met veroordeling van incidenteel appellante in de kosten van het incidenteel appel." Vervolgens hebben partijen hun zaak doen bepleiten onder overlegging van pleitnota's door hun advocaten. Ter zitting van het hof heeft mr. Kruidhof-Dijk akte gevraagd en verkregen van het in het geding brengen van de producties 15 tot en met 20. De grieven [appellante] heeft in het principaal appel vier als zodanig aangeduide grieven opgeworpen. [geïntimeerde] heeft in het incidenteel appel één als zodanig aangeduide grief opgeworpen. De beoordeling De feiten 1. De volgende feiten zijn tussen partijen niet in geschil. 1.1. Vanaf september 1978 is aan [echtgenoot appellante], de echtgenoot van [appellante] (hierna: [echtgenoot appellante]), een arbeidsongeschiktheidsuitkering (AAW) toegekend. Met ingang van 1 januari 1998 betreft dit een Wajong-uitkering. 1.2. Op 8 juni 2005 heeft UWV onder meer beslist dat de uitkering van 1 januari 2001 tot 1 januari 2004 in het geheel niet dient te worden betaald wegens verzwegen werkzaamheden in de onderneming van [appellante] en inkomsten daaruit. Op 9 juni 2005 is door UWV beslist dat de Wajong-uitkering van [echtgenoot appellante] per 1 januari 2004 wordt ingetrokken. UWV heeft een terugvorderingsbeslissing genomen waartegen [echtgenoot appellante] bezwaar heeft gemaakt. Bij beslissing op bezwaar van 17 juli 2006, die in kracht van gewijsde is gegaan, is het terug te vorderen bedrag aan bruto uitkering vastgesteld op € 46.045,55. 1.3. Executiemaatregelen tegen [echtgenoot appellante] zijn mislukt omdat hij inkomen noch vermogen heeft. 1.4. [echtgenoot appellante] is sinds 14 april 1987 op huwelijkse voorwaarden (van algehele uitsluiting van gemeenschap, met verrekenbeding) gehuwd met [appellante]. 1.5. De aan [echtgenoot appellante] toegekende uitkering is op zijn aangeven steeds gestort op rekeningnummer 66.24.02.861. Dit rekeningnummer stond tot in 2005 op naam van [echtgenoot appellante]-[appellante]. 1.6. [appellante] heeft in november 2005 een bedrag van € 140.000,-- in depot gestort op de derdengeldrekening van de advocaat van UWV, (mede) ter opheffing van door UWV gelegd conservatoir paulianabeslag ter verzekering van voldoening van de onder 1.2 bedoelde vordering. 1.7. UWV heeft in eerste aanleg zowel [echtgenoot appellante] als [appellante], handelende onder de naam Elba Enterprices, gedagvaard en betaling gevorderd van het onder 1.2. genoemde bedrag met wettelijke rente vanaf 3 augustus 2005 en veroordeling in de proceskosten, primair van zowel [echtgenoot appellante] en [appellante] na vernietigingen van hun paulianeuze rechtshandelingen, subsidiair, na wijziging van eis, van alleen [appellante] uit hoofde van onverschuldigde betaling. 1.8. Bij vonnis van 2 juli 2008 heeft de rechtbank de vordering op de primaire grondslag afgewezen en op de subsidiaire grondslag toegewezen tegen [appellante]. 1.9. [appellante] is van dat vonnis in hoger beroep gekomen. Bij arrest van 13 oktober 2009 heeft dit hof het bestreden vonnis vernietigd voor zover [appellante] daarbij is veroordeeld tot betaling van wettelijke rente vanaf 3 augustus 2005 en bepaald dat [appellante] in plaats daarvan wettelijke rente verschuldigd is vanaf 31 juli 2007, het bestreden vonnis voor het overige bekrachtigd en ieder van partijen belast met de eigen kosten in hoger beroep. 1.10. Zowel in de onder 1.6. genoemde beslagkwestie als in de daarop volgende incassoprocedure van UWV in eerste en in tweede aanleg is [appellante] bijgestaan door [geïntimeerde]. 1.11. [geïntimeerde] heeft [appellante] bij brief van 28 september 2005, voor zover relevant, het volgende geschreven: ‘(…) Hedenmiddag hebt u mij opdracht verstrekt om de behandeling van uw zaak over te nemen van [advocaat] en spraken wij af dat ik [advocaat] hieromtrent zal inlichten en de stukken bij hem op zal vragen. Betreffende de door mij te verrichten werkzaamheden kwamen wij overeen dat u deze zult vergoeden tegen een uurtarief van (…). Eventuele verschotten (…) zullen afzonderlijk aan u worden belast. Wij spraken af dat eerst getracht zal worden om de beslagen doorgehaald te krijgen door overboeking van een bedrag ad € 85.000 op de derdenrekening van de raadsman van het UWV. Voor het geval de wederpartij hiermee niet akkoord mocht gaan spraken wij af dat alsdan een kort geding zal worden geëntameerd. Vertrouwende met het voorgaande een correcte weergave te hebben gegeven van hetgeen vanmiddag is besproken, verblijf ik in afwachting van uw eventuele berichtgeving.’ 1.12. Bij brief van 24 oktober 2005 heeft [geïntimeerde] onder meer het volgende aan [appellante] geschreven: ‘In bovengenoemde kwestie ontvangt u bijgaand een afschrift van de kort geding dagvaarding die heden naar de wederpartij is gezonden voor betekening.’ Deze (concept) dagvaarding in kort geding strekte tot opheffing van, kort samengevat, door UWV ten laste van [appellante] gelegde conservatoire beslagen. 1.13. Bij brief van 30 november 2005 heeft [geïntimeerde], voor zover van belang, het volgende aan [appellante] geschreven: ‘Inzake opgemelde kwestie zijn, zoals u bekent, inmiddels alle beslagen opgeheven. Navolgend hierop bericht ik u langs deze weg het volgende. (…) Conform uw opdracht is inmiddels (prof forma) bezwaar gemaakt tegen de aan u door het Uwv opgelegde premienota’s en zullen de bezwaarschriften binnenkort worden aangevuld met de gronden daarvan. Zoals hiervoor aangegeven is door het Uwv tevens een paulianabeslag gelegd ter opheffing waarvan door u een bedrag ad € 60.000 onder de advocaat van het Uwv is gestort. Het Uwv stelt zich op het standpunt dat het laten voldoen van de aan [echtgenoot appellante] toegekende Wajong-uitkering op uw bankrekening valt te kwalificeren als een zogenaamde‘paulianeuze’ rechtshandeling, waarvan in rechte vernietiging kan worden gevorderd. De advocaat van het Uwv heeft aangekondigd deze vordering in rechte te zullen instellen. U heeft ons kantoor opdracht gegeven om te zijner tijd verweer te gaan voeren tegen de door de advocaat van het Uwv aangekondigde procedure en wij kwamen overeen dat onze werkzaamheden zullen worden verricht onder dezelfde condities als eerder met u overeengekomen in de kwestie betreffende de premienota’s. Dat betekend dat wij onze werkzaamheden zullen verrichten tegen een (gematigd) uurtarief van (…) vermeerderd met 8% kantoorkosten en 10% omzetbelasting. Eventuele verschotten (…) zullen afzonderlijk aan u worden doorbelast.’ (…)’ 1.14. [geïntimeerde] heeft [appellante] en [echtgenoot appellante] bij brief van 4 juli 2008 een kopie van het eindvonnis van de rechtbank van 2 juli 2008 gezonden, en haar daarbij onder meer het volgende geschreven: ‘De Rechtbank heeft de vordering tegen u beiden wegens paulianeus handelen afgewezen, maar heeft de vordering wegens onverschuldigde betaling jegens mevrouw [appellante] toegewezen. In financieel opzicht brengt dit met zich mee dat mevrouw [appellante] voorlopig het bedrag van € 46.055,55 aan het Uwv dient te betalen, zulks vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 augustus 2005. (…) Met de inhoud van het vonnis kan ik mij volstrekt niet verenigen. Dit onder andere omdat door de Rechtbank is overwogen dat het niet mogelijk is om het recht tot betaling over te dragen. Dit is echter niet gesteld, noch gebleken waarmee de Rechtbank dus buiten de rechtsstrijd is getreden. Bovendien is er geen sprake geweest van een overdracht, maar is uitsluitende de bankrekening van mevrouw [appellante] door de heer [echtgenoot appellante] aangewezen als betaaladres waarop door het Uwv bevrijdend kon worden betaald. Dit laatste is door de Rechtbank miskend en is reden om in beroep te komen van het vonnis. Inmiddels heb ik een appeldagvaarding klaargemaakt en heb ik deze heden naar de deurwaarder gezonden met het verzoek deze te betekenen. De dagvaarding zal op 16 juli aanstaande worden aangebracht bij het Gerechtshof Leeuwarden. Graag zou ik de gevolgen van het vonnis in een nader onderhoud met u willen bespreken. Langs deze weg wil ik u vriendelijk verzoeken om even contact op te nemen voor het maken van een afspraak.’ 1.15. Nadat het hof op 13 oktober 2009 arrest had gewezen heeft [geïntimeerde] [appellante] bij brief van 14 oktober 2009 onder meer het volgende geschreven: ‘Tot mijn spijt moet ik u berichten dat het Gerechtshof Leeuwarden het vonnis van de Rechtbank Assen (…) voor het grootste deel heeft bekrachtigd. Het Gerechtshof Leeuwarden heeft uitsluitend de periode waarover de wettelijke rente wordt berekend ingekort. Gevolg hiervan is dat het UWV aan u – volgens mijn berekening – een bedrag ad € 4.226,75 moet terugbetalen. (…) Gevolg van het eindarrest is dat schuld van de heer [echtgenoot appellante] aan het UWV door u is voldaan waardoor u een vordering hebt verkregen op de heer [echtgenoot appellante]. (…) (…) Voor mijn werkzaamheden in zowel eerste aanleg als het hoger beroep zend ik u bijgaand mijn declaratie met bijbehorende zaakspecificatie. Ter toelichting daarop wil ik het volgende opmerkingen. Door mij zijn ruim 75 uren besteedt aan deze kwestie. Wanneer deze uren worden afgerekend tegen het met u overeengekomen uurtarief van € 125 dan zou dat neerkomen op een honorarium van € 9.375. Ik heb gemeend mijn honorarium te moeten matigen naar een bedrag ad € 6.000 hetgeen neerkomt op een uurtarief van € 80. Totaal dient door u te worden voldaan een bedrag ad € 9.479,97. Hierop zou in mindering kunnen strekken het van het UWV te ontvangen bedrag ad € 4.226,75, zodat alsdan door u nog resteert te voldoen een bedrag ad € 5.253,22. Voorts wil ik u er op wijzen dat u het in de declaratie begrepen bedrag ad € 1.293,27 wegens omzetbelasting kunt terugvragen bij de Belastingdienst aangezien de door u gemaakte kosten een zakelijk karakter hebben. (…).’ 1.16. Bij factuur van diezelfde datum heeft [geïntimeerde] aan [appellante] haar einddeclaratie ten bedrage van € 9.479,97 gezonden. [appellante] heeft deze declaratie niet voldaan. 1.17. [geïntimeerde] heeft [appellante] drie tussentijdse declaraties gezonden, te weten op 3 november 2005 (€ 1.183,41 honorarium inzake opheffing beslag, periode 6 oktober 2005 tot en met 25 oktober 2005), 9 december 2005 (€ 776,46 honorarium inzake opheffing beslag, periode 3 november 2005 tot en met 19 november 2005) en 19 oktober 2007 (€ 1.015,00 ter zake van onbelaste verschotten). Het geschil en de beslissing in eerste aanleg 2. [geïntimeerde] vordert in (oorspronkelijke) conventie betaling door [appellante] van een bedrag van € 10.247,97 vermeerderd met contractuele rente, bestaande uit de wettelijke handelsrente vermeerderd met 2%, althans deze, met betrekking tot een factuur van [geïntimeerde] aan Elba van 14 oktober 2009 vanaf 7 dagen na deze tot aan de dag der algehele voldoening. Het gevorderde bestaat voor een bedrag van € 9.479,97 uit kosten voor aan [appellante] verleende rechtsbijstand over de periode van 24 november 2005 tot en met 13 oktober 2009 conform de op 14 oktober 2009 aan haar verzonden factuur, vermeerderd met een bedrag van € 768,-- voor buitengerechtelijke incassokosten conform Rapport Voor-werk II. In (oorspronkelijke) voorwaardelijke reconventie vordert [appellante] dat voor recht wordt verklaard dat [geïntimeerde] jegens haar toerekenbaar is tekort geschoten alsmede dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld tot vergoeding van schade op te maken bij staat. 3. Bij het bestreden eindvonnis van 13 april 2011 heeft de rechtbank in conventie de gevorderde hoofdsom (€ 9.479,97) toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente. De gevorderde contractuele rente, bestaande uit de wettelijke handelsrente vermeerderd met 2%, heeft de rechtbank afgewezen, evenals de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten. In reconventie zijn de vorderingen van [appellante] afgewezen. Eiswijziging 4. [appellante] vordert in hoger beroep voorwaardelijk, indien het bestreden vonnis alsnog wordt vernietigd, terugbetaling van hetgeen zij uit hoofde van dat vonnis aan [geïntimeerde] heeft voldaan, te weten een bedrag van € 12.704,14, althans een in goede justitie te betalen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 juli 2011. [appellante] vordert daarnaast onvoorwaardelijk: a. een veroordeling van [geïntimeerde] om het depotbedrag van € 1.000,--, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 november 2010, althans vanaf een in goede rechtspraak te bepalen datum, aan appellante terug te betalen, b. een verklaring voor recht dat [geïntimeerde] toerekenbaar tekort is geschoten jegens [appellante], c. een verklaring voor recht dat [geïntimeerde] aansprakelijk is voor de geleden en te lijden schade van [appellante] in verband met de tekortkomingen, d. een veroordeling van [geïntimeerde] om de schade die [appellante] heeft geleden en nog zal lijden als gevolg van het toerekenbaar tekortschieten van [geïntimeerde], aan [appellante] te vergoeden, welke schade nader dient te worden opgemaakt bij staat en te worden vereffend volgens de wet, althans de schade te schatten naar redelijkheid en billijkheid. In zoverre heeft [appellante] haar oorspronkelijke, geheel voorwaardelijk ingestelde, reconventionele vorderingen gewijzigd. Tegen die eiswijziging heeft [geïntimeerde] geen bezwaar gemaakt terwijl het hof die eiswijziging ook niet strijdig oordeelt met de beginselen van een goede procesorde. Er zal derhalve worden recht gedaan op de gewijzigde eis zoals hiervoor weergegeven onder "Het geding in hoger beroep". De grieven In het principaal en in het incidenteel appel 5. Het hof zal eerst de grieven in het principaal appel bespreken. 6. [geïntimeerde] vordert van [appellante] betaling van haar einddeclaratie van 14 oktober 2009 ten bedrage van € 9.479,97. Deze heeft betrekking op verleende rechtsbijstand over de periode 24 november 2005 tot en met 14 oktober 2009. Blijkens de specificatie (productie 6 conclusie van antwoord in voorwaardelijke reconventie alsmede akte overlegging producties) en de daarop gegeven toelichting ziet de einddeclaratie op werkzaamheden in het kader van (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.