Arrest d.d. 16 oktober 2012 Zaaknummer 200.104.232/01 (zaaknummer rechtbank: 323294 \ CV EXPL 11-5410) HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN Arrest van de eerste kamer voor burgerlijke zaken in het incident ex art. 162 en 843a Rv in de zaak van: [appellante], wonende te [woonplaats], appellante, tevens eiseres in het incident, in eerste aanleg: gedaagde in conventie, eiseres in reconventie, hierna te noemen: [appellante] advocaat: mr. R. Skála, kantoorhoudende te Haren (Gr.), tegen [geïntimeerde], wonende te [woonplaats], geïntimeerde, tevens verweerster in het incident, in eerste aanleg: eiseres in conventie, gedaagde in reconvntie, hierna te noemen: [geïntimeerde], advocaat: mr. H.K. Scholtens, kantoorhoudende te Emmeloord. Het geding in eerste instantie In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het vonnis uitgesproken op 7 februari 2012 door de rechtbank Assen, sector kanton, locatie Assen (hierna: de kantonrechter). Het geding in hoger beroep Bij exploot van 9 maart 2012 is door [appellante] beroep ingesteld van genoemd vonnis met dagvaarding van [geïntimeerde] tegen de zitting van 27 maart 2012. De conclusie van de memorie van grieven, tevens inhoudende incidentele conclusie van eis, luidt: “bij incidenteel arrest, uitvoerbaar bij voorraad, [geïntimeerde] te veroordelen de specificaties van de door haar benutte telefoonaansluitingen over de periode oktober 2007 tot en met maart 2011 in het geding te brengen. en in de hoofdzaak: (…) het vonnis van de rechtbank Assen (…) te vernietigen en opnieuw rechtdoende de vordering van de oorspronkelijk eiseres in conventie af te wijzen en de vordering van eiseres in reconventie toe te wijzen met veroordeling van geïntimeerde in de kosten van de procedure, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep.” Bij memorie van antwoord is door [geïntimeerde] verweer gevoerd met als conclusie: “appellante in haar vordering in hoger beroep alsmede in het incident niet-ontvankelijk te verklaren, althans in elk geval deze vorderingen aan appellante te ontzeggen als zijnde ongegrond en onbewezen en [dat uw hof] zo nodig onder verbetering van gronden zal bevestigen het vonnis van de kantonrechter te Assen d.d. 7 februari 2010 tussen partijen gewezen, zo nodig onder aanvulling en wijziging van de gronden, een en ander met veroordeling van appellante in de kosten van het hoger beroep en het opgeworpen incident." Ten slotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest in het incident. De grieven [appellante] heeft zeven grieven tegen het bestreden vonnis opgeworpen. De beoordeling 1 Het gaat in deze zaak in het kort om het volgende. [geïntimeerde] heeft [appellante] tussen januari 2008 en maart 2010 verschillende geldbedragen, in totaal € 4.035,-, ter beschikking gesteld. In juli 2011 heeft [geïntimeerde] [appellante] tot terugbetaling hiervan gesommeerd. [appellante] heeft niet aan die sommatie voldaan. [appellante] heeft [geïntimeerde] in diezelfde maand een bedrag van (pro resto) € 1.170,- in rekening gebracht. [geïntimeerde] heeft de rekening onbetaald gelaten. 2 [geïntimeerde] heeft in eerste aanleg gevorderd dat [appellante] wordt veroordeeld om het voormelde totaalbedrag van € 4.035,- (in hoofdsom) aan haar te voldoen, op de grond dat de betalingen uit hoofde van een door haar aan [appellante] verstrekte lening werden gedaan. [appellante], die een praktijk voor astrologie, tarot en droomduiding drijft, heeft in reconventie betaling van het voormelde bedrag van € 1.170,- gevorderd, op de grond dat [geïntimeerde] haar dit bedrag ter zake van therapeutische consulten is verschuldigd. Beide partijen vorderden daarbij rente en kosten. De kantonrechter heeft de vordering van [geïntimeerde] toegewezen. De vordering van [appellante] in reconventie werd afgewezen onder overweging dat zij deze onvoldoende had onderbouwd. [appellante] werd in de proceskosten verwezen. 3 Met de grieven beoogt [appellante] de hoofdzaak in volle omvang aan het hof voor te leggen. 4 [appellante] heeft in het incident op de grondslag van artikel 162 en 843a Rv. gevorderd dat [geïntimeerde] de gespreksgegevens van een drietal aan [geïntimeerde] ter beschikking staande telefoonaansluitingen in het geding brengt. [appellante] wenst hiermee aan te tonen dat [geïntimeerde] zich jegens haar schuldig heeft gemaakt aan stalking (in de vorm van onophoudelijk bellen en sms-en) en wel in die mate dat [appellante] haar praktijk als therapeute niet meer behoorlijk kon uitoefenen. [geïntimeerde] ontkent de aantijging en [appellante] kan deze naar eigen zeggen niet anders aantonen dan door raadpleging van de telefoon- dan wel gespreksgegevens van de telefoonaansluitingen van [geïntimeerde]. [geïntimeerde] heeft zich tegen overlegging van die gegevens verzet. In haar antwoordmemorie stelt [geïntimeerde] dat [appellante] in haar incidentele vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, althans dat deze dient te worden afgewezen. 5 Het hof overweegt als volgt. 5.1 Art. 162 Rv. Art. 162 Rv. bepaalt (in lid 1) dat de rechter in de loop van een geding, op verzoek of ambtshalve, aan partijen of aan een van hen de openlegging kan bevelen van de boeken, bescheiden en geschriften, die zij ingevolge de wet moeten houden, maken of bewaren. Deze bepaling ziet op openlegging van de boekhouding en eventuele andere bescheiden die een onderneming ingevolge de wet verplicht is te houden. Niet valt in te zien op welke wijze de gespreksgegevens waar [appellante] het oog op heeft daaronder kunnen worden gebracht. Voor zover haar vordering op art. 162 Rv. is gestoeld, is deze dan ook niet toewijsbaar. 5.2 Art. 843a Rv. Een exhibitievordering ex art. 843a lid 1 Rv komt in beginsel voor toewijzing in aanmerking, indien is voldaan aan de volgende, cumulatieve, voorwaarden:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.