Arrest d.d. 23 oktober 2012 Zaaknummer 200.068.236/01 (zaaknummer rechtbank: 107247/HA ZA 09-64) HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN Arrest van de tweede kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van: [appellant], wonende te [woonplaats], appellant in het principaal en geïntimeerde in het incidenteel appel, in eerste aanleg: gedaagde in conventie en eiser in reconventie, hierna te noemen: [appellant], advocaat: mr. J.H. Arends, kantoorhoudende te Roden, tegen [geïntimeerde], eertijds wonende te [woonplaats], geïntimeerde in het principaal en appellante in het incidenteel appel, in eerste aanleg: eiseres in conventie en verweerster in reconventie, hierna te noemen: [geïntimeerde], advocaat: mr. I.M.G. Maste, kantoorhoudende te Almere. De inhoud van het tussenarrest d.d. 6 december 2011 wordt hier overgenomen. Het verdere procesverloop [appellant] heeft op 3 januari 2012 een akte genomen en op 12 januari 2012 een memorie van antwoord in het incident. [geïntimeerde] heeft op 31 januari 2012 een antwoordakte genomen. Vervolgens heeft [geïntimeerde] de stukken wederom overgelegd voor het wijzen van arrest. De verdere beoordeling Aantekening van het appel in het rechtsmiddelenregister 1. Het hof constateert dat [appellant] het appel niet in het rechtsmiddelenregister heeft doen aantekenen. Voor de gevolgen hiervan verwijst het hof naar rechtsoverweging 10 van dit arrest. De vaststaande feiten 2. Over de weergave van de vaststaande feiten in rechtsoverweging 2.1 tot en met 2.7 van het vonnis van 3 maart 2010 bestaat geen geschil, zodat ook in hoger beroep van die feiten zal worden uitgegaan, aangevuld met enkele andere feiten die in hoger beroep als gesteld en onvoldoende weersproken zijn komen vast te staan. Daarmee staat het volgende vast: 2.1. Partijen hebben gedurende zes maanden een affectieve relatie met elkaar gehad. 2.2. Begin januari 2008 hebben zij een woning gekocht aan de [adres], hierna: de woning. Partijen hebben een hypothecaire lening met nummer 4001.778,767 van € 141.000,- afgesloten bij de Rabobank, waarvoor zij hoofdelijk aansprakelijk zijn. Van het geleende bedrag is € 20.000,- op een bouwdepotrekening met nummer 1413.63.789 gezet. Aan deze lening is een levensverzekering bij Interpolis gekoppeld met nummer 40447895. 2.3. Op 14 januari 2008 hebben partijen een samenlevingscontract ondertekend. Op diezelfde dag zijn partijen in de woning gaan samenwonen. 2.4. In het samenlevingscontract is onder meer het volgende opgenomen: "De comparanten verklaarden dat zij een affectieve relatie hebben, dat zij met ingang van heden gaan samenwonen en een gemeenschappelijke huishouding gaan voeren. Zij zijn overeengekomen de vermogensrechtelijke gevolgen daarvan als volgt te regelen: DOEL Artikel 1 Met deze overeenkomst willen partijen onder meer regelen: a. de kosten van de gemeenschappelijke huishouding; b. de gemeenschappelijke goederen; c. de gemeenschappelijke woning; d. de pensioentoekenning. Partijen beschouwen deze regeling mede als voldoening aan een dringende verplichting van moraal en fatsoen. Zij komen overeen deze natuurlijke verbintenis hierbij om te zetten in een rechtens afdwingbare. (…) GEMEENSCHAPPELIJKE HUISHOUDING Artikel 3 (…) 2. Partijen verplichten zich naar evenredigheid van hun inkomens bij te dragen in de kosten van de gemeenschappelijke huishouding. (…) 5. Indien het inkomen niet toereikend is, is iedere partij gehouden naar evenredigheid van haar vermogen het tekort aan te vullen. Artikel 4 (…) 3. Indien ter financiering van de door partijen gezamenlijk te bewonen woning en van zaken aangeschaft voor de gemeenschappelijke huishouding een geldlening is aangegaan, zal de rente worden gerekend tot de kosten van de gemeenschappelijke huishouding. Zijn bedoelde zaken gemeenschappelijk eigendom, dan wordt ook de aflossing tot de kosten van de gemeenschappelijke huishouding gerekend. Voorts worden in dat geval tot die kosten gerekend de kosten van alle gewone lasten en herstellingen en buitengewone herstellingen als bedoeld in artikel 3:220 Burgerlijk Wetboek, de zakelijke belasting en de premie voor de opstalverzekering. (…) EINDE Artikel 7 Deze overeenkomst eindigt: a. door opzegging van één van de partijen op het tijdstip tegen welke de opzegging is gedaan. De opzegging geschiedt bij aangetekend schrijven gericht aan de wederpartij, waarbij een opzegtermijn van ten minste een maand in acht moet worden genomen. (…) b. (…) c. (…) d. indien, zonder dat een opzegging als sub a bedoeld heeft plaatsgevonden, partijen in gezamenlijk overleg de overeenkomst feitelijk hebben beëindigd en zijn overgegaan tot verdeling van hun gezamenlijke vermogensbestanddelen. (…) Artikel 9 1. Indien de overeenkomst eindigt door opzegging of het aangaan van een huwelijk of een geregistreerd partnerschap zijn partijen verplicht eraan mee te werken: a. (…) b. (…) 2. Het overig gemeenschappelijk vermogen zal zo spoedig mogelijk door partijen bij helfte worden verdeeld. (…) (TIJDELIJKE) VOORTZETTING WOONGENOT Artikel 10 1. Ingeval de overeenkomst eindigt anders dan door overlijden van één van de partijen, heeft ieder van partijen het recht zich tot de kantonrechter te wenden met het verzoek uit te spreken dat hij of zij - met uitsluiting van de andere partij - nog zes maanden mag blijven wonen in de laatstelijk door beiden bewoonde woning. (…) 2. Indien het een huurwoning betreft kan de kantonrechter op verzoek van de partij die blijft wonen, indien deze over onvoldoende inkomsten beschikt, aan de andere partij opleggen de huurpenningen over die periode geheel of gedeeltelijk te betalen. 3. (…) 4. Indien de woning toebehoort aan beide partijen (…), dient de partij die blijft wonen over gemelde periode een redelijke vergoeding te betalen. De kantonrechter kan overeenkomstig het hiervoor bepaalde de partij die blijft wonen gehele of gedeeltelijke vrijstelling verlenen van het betalen van vergoeding. De vergoeding zal worden vastgesteld door partijen in onderling overleg. Indien partijen het over de vergoeding niet eens kunnen worden, zullen zij deze laten bepalen door een door de kantonrechter te benoemen deskundige." 2.5. Partijen hebben een offerte van [bouwbedrijf] ontvangen voor het maken en plaatsen van nieuwe kozijnen in de woning voor een bedrag van € 12.753,23 inclusief BTW. 2.6. Op 24 februari 2008 heeft [appellant] de woning metterwoon verlaten. Het bedrag van het bouwdepot was op dat moment nog € 16.898,07. 2.7. [bouwbedrijf] heeft conform haar offerte op 2 maart 2008 een factuur aan [geïntimeerde] gezonden voor de eerste termijn van € 5.950,- inclusief BTW. Deze factuur is op 13 maart 2008 voldaan uit het bouwdepot. 2.8. [geïntimeerde] heeft de woning medio juni 2008 metterwoon verlaten. De oorspronkelijke vorderingen van partijen en de beslissing in eerste aanleg. 3. Bij dagvaarding van 12 januari 2009 heeft [geïntimeerde] - samengevat weergegeven - gevorderd [appellant] te veroordelen tot medewerking aan de verdeling van de "boedel, welke is ontstaan naar aanleiding van de affectieve relatie van partijen" en tot medewerking aan de verkoop en levering van de woning. [geïntimeerde] heeft daarnaast gevorderd te bepalen dat met de verkoopopbrengst van de woning de hypothecaire schuld bij de Rabobank wordt afgelost, dat een eventueel winst of verlies bij helfte door partijen wordt gedeeld, en dat de aan de hypothecaire schuld gekoppelde polis van levensverzekering, de gezamenlijke rekening bij de Rabobank en nagenoeg alle roerende zaken zonder verdere verrekening aan haar worden toegedeeld. 4. [appellant] heeft zich erop beroepen dat partijen onmiddellijk na zijn vertrek uit de woning hebben afgesproken dat de woning werd toegedeeld aan [geïntimeerde] en heeft in reconventie - samengevat weergegeven - gevorderd voor recht te verklaren dat de woning is toegedeeld aan [geïntimeerde], dan wel om de woning aan [geïntimeerde] toe te delen met veroordeling van [geïntimeerde] tot medewerking aan de akte van verdeling en om te bewerkstelligen dat hij uit de hoofdelijke verplichtingen met betrekking tot de hypotheekschuld wordt ontslagen, alles op straffe van een dwangsom. [appellant] heeft verder gevorderd [geïntimeerde] te veroordelen tot vergoeding van alle kosten verbonden aan de levering van de woning en zijn ontslag uit de verplichtingen uit de hypothecaire geldschuld en van de door hem in dit kader nog te maken advocaatkosten. Tot slot heeft hij heeft gevorderd voor recht te verklaren dat [geïntimeerde] is tekortgeschoten in de nakoming van de tussen partijen gesloten overeenkomst tot verdeling van de woning en om haar te veroordelen tot vergoeding van alle schade, nader op te maken bij staat, als gevolg van deze tekortkoming. 5. De rechtbank heeft in het bestreden, uitvoerbaar bij voorraad verklaard, vonnis van 3 maart 2010, beslist: "in conventie 6.1 veroordeelt [appellant] tot volledige en onvoorwaardelijke medewerking aan de verdeling van de gemeenschap, die is ontstaan naar aanleiding van de relatie van partijen; 6.2. veroordeelt [appellant] tot volledige en onvoorwaardelijke medewerking aan de verkoop van de gemeenschappelijke woning van partijen aan de [adres]; 6.3. bepaalt dat [appellant] na verkoop van de woning gehouden is mee te werken aan de transportakte tot verkoop en levering ervan en daartoe dient te verschijnen ten kantore van een nader aan te wijzen notaris; 6.4. stelt dit vonnis in de plaats van de wilsverklaring van [appellant] wanneer hij niet wil verschijnen of wanneer hij wel verschenen is, maar weigert aan het transport van de woning mee te werken en verklaart in de notariële akte van levering voor recht dat de aldus opgemaakte transportakte rechtsgeldig in de daartoe bestemde registers kan worden overgeschreven; 6.5. veroordeelt [appellant] tot volledige en onvoorwaardelijke medewerking aan de wijziging van de tenaamstelling in de naam van [geïntimeerde] van de Rabobank rekening, nummer 1331.49.536; in reconventie 6.6. wijst de vorderingen af; in conventie en reconventie 6.7. bepaalt dat aan [geïntimeerde] wordt toegedeeld: - (….); - de woonlasten van de woning in de periode van april 2008 tot 1 augustus 2008, - de helft van de woonlasten van de woning na 1 augustus 2008; 6.8. bepaalt dat aan [appellant] wordt toegedeeld: - (…) - de helft van de woonlasten van de woning na 1 augustus 2008." De rechtbank heeft de proceskosten aldus gecompenseerd dat iedere partij de eigen kosten draagt en heeft het meer of anders gevorderde afgewezen. De gewijzigde vorderingen van [geïntimeerde] in hoger beroep 6. [geïntimeerde] heeft in hoger beroep haar eis als volgt vermeerderd: - [appellant] te veroordelen om binnen twee weken na betekening van dit arrest aan haar te vergoeden alle lasten terzake de woning die zij na het verbreken van de samenwoning tot heden heeft voldaan: a. primair geheel; b. subsidiair naar rato van inkomen en c. meer subsidiair voor de helft; dan wel een vergoeding te voldoen in goede justitie te bepalen; - [appellant] te veroordelen tot het vergoeden aan haar van alle lasten terzake de woning zij vanaf heden tot de eigendomsoverdracht zal voldoen: a. primair geheel; b. subsidiair naar rato van inkomen en c. meer subsidiair voor de helft; dan wel een vergoeding te voldoen door het hof in goede justitie te bepalen primair iedere maand per de eerste dag, subsidiair op andere door het hof in goede justitie te bepalen tijdsmomenten; - dat het hof bepaalt dat [appellant] financiële zekerheid stelt, door het hof in goede justitie te bepalen, terzake de woonlasten vermeld onder grieven 1 en 2 in incidenteel appel. 7. [appellant] heeft geen bezwaar gemaakt tegen de eiswijziging van [geïntimeerde]. Het hof ziet ook geen aanleiding de eiswijziging ambtshalve buiten beschouwing te laten wegens strijd met een goede procesorde. Ter zake van de vordering van [geïntimeerde] zal derhalve recht worden gedaan op de gewijzigde eis. De eiswijzigingen van [appellant] in hoger beroep 8. [appellant] heeft in grief V in het principaal appel betoogd dat [geïntimeerde] is gehouden een redelijke vergoeding voor het gebruik van de woning aan hem te voldoen. [appellant] heeft geen daartoe strekkende vordering in het petitum van de appeldagvaarding opgenomen. Evenmin heeft [appellant] in eerste aanleg in reconventie een vordering van die strekking ingesteld. De rechtbank heeft in eerste aanleg toch een vordering van die strekking aangenomen en vervolgens afgewezen. Uit grief V in het principaal appel wordt voldoende duidelijk dat [appellant] dit (alsnog) heeft willen vorderen en dat [geïntimeerde] zich in hoger beroep tegen die vordering heeft te verweren. [geïntimeerde] heeft zich daartegen niet verzet en heeft daadwerkelijk inhoudelijk verweer gevoerd. Het hof acht daarmee voor [geïntimeerde] voldoende duidelijk dat die vordering deel uitmaakt van het hoger beroep. Nu het hof hier geen sprake van strijd met een goede procesorde aanwezig acht zal het hof tevens recht doen op de vordering van [appellant] dat [geïntimeerde] aan hem een redelijke vergoeding betaalt voor het gebruik van de woning. 9. [appellant] heeft in zijn memorie van antwoord in incidenteel appel (bladzijde 4 onder subsidiair) gevorderd [geïntimeerde] te veroordelen om de door hem vanaf april 2008 betaalde woonlasten aan hem terug te betalen, wat volgens hem mogelijk is op de door hem onder VI of VIII van het petitum van de appeldagvaarding ingestelde vordering. Het hof vat onderdeel VIII van het petitum van de appeldagvaarding aldus op dat het (mede) deze vordering insluit. De grieven 10. [appellant] heeft in zijn akte verklaard dat hij het instellen van het hoger beroep niet heeft doen aantekenen in het rechtsmiddelenregister. Zoals in rechtsoverweging 4 van voormeld tussenarrest van 6 december 2011 is overwogen leidt dit tot niet-ontvankelijkheid van het hoger beroep voor zover dat is gericht tegen de onderdelen 6.2, 6.3 en 6.4 van het dictum van het bestreden vonnis. Anders dan [appellant] heeft betoogd in zijn akte bestaat er wel degelijk een rechtstreeks verband tussen hetgeen in de grieven I, II en III is aangevoerd en de onderdelen 6.2, 6.3 en 6.4 van het dictum. Zouden de grieven namelijk slagen, dan zou dat moeten leiden tot vernietiging van de onderdelen 6.2, 6.3 en 6.4. Dit betekent dat de grieven I, II en III in het principaal appel geen bespreking meer behoeven. 11. Het hof begrijpt de voorwaarde waaronder de grieven IV en V in het principaal appel zijn ingesteld, namelijk afwijzing van de grieven I, II en III in het principaal appel, aldus dat deze grieven mede in geval van niet-ontvankelijkheid dienen te worden beoordeeld. 12. [appellant] heeft in grief IV in het principaal appel aangevoerd dat de rechtbank door te bepalen dat aan hem worden toegedeeld de woonlasten van de woning na 1 augustus 2008 buiten de rechtsstrijd is getreden. In het petitum van de inleidende dagvaarding is dit niet gevorderd. De rechter heeft ter zitting gevraagd of onderdeel 9 van de dagvaarding tot de vordering van [geïntimeerde] zou behoren, hetgeen zij heeft bevestigd. De primaire stelling van [appellant] is dat daarmee sprake is geweest van een ongeoorloofde eiswijziging. Indien het [geïntimeerde] mocht zijn toegestaan haar eis op deze wijze te wijzigen, zou hij hierop schriftelijk hebben mogen reageren. Zijn subsidiaire stelling komt erop neer dat [geïntimeerde] niet de toedeling aan hem van de helft van de woonlasten na 1 augustus 2008 heeft gevorderd. 13. Het hof overweegt dat aan [appellant] kan worden toegegeven dat op grond van artikel 130 Rv de vermeerdering van een eis schriftelijk dient plaats te hebben, zodat voor een ieder duidelijk is dat en op welke wijze de eis wordt gewijzigd en de wederpartij eventueel bezwaar daartegen kan maken, en dat dit in eerste aanleg niet is gebeurd. Daarbij moet de wederpartij de gelegenheid krijgen om, al dan niet schriftelijk, tegen de gewijzigde eis verweer te voeren. 14. [geïntimeerde] heeft bij haar memorie van antwoord in principaal appel tevens memorie van grieven in het incidenteel appel alsnog haar vordering deugdelijk gewijzigd en gevorderd [appellant] te veroordelen tot vergoeding aan haar van de na de verbreking van de samenwoning door haar betaalde woonlasten. Voor zover (de toelichting
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.