Arrest d.d. 4 december 2012 Zaaknummer 200.072.190/01 (zaaknummer rechtbank: 422547\CV EXPL 09-14736) HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN Arrest van de eerste kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van: 1. mr. Rutger Jan Schimmelpenninck, wonende te Amsterdam, hierna te noemen: Schimmelpenninck, 2. mr. Bernardus Franciscus Maria Knüppe, wonende te Dordrecht, hierna te noemen: Knüppe, appellanten, in eerste aanleg: eisers, hierna gezamenlijk te noemen: curatoren , advocaat: mr. G.J. Houweling, kantoorhoudende te Bleiswijk, tegen [geïntimeerde], wonende te [woonplaats], geïntimeerde, in eerste aanleg: gedaagde, hierna te noemen: [geïntimeerde], advocaat: mr. J. Bolt, kantoorhoudende te Groningen. Het geding in eerste instantie In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen uitgesproken op 19 november 2009 en op 15 juli 2010 door sector kanton, locatie Groningen van de rechtbank Groningen (verder: de kantonrechter). Het geding in hoger beroep Bij exploot van 9 augustus 2010 is door de curatoren hoger beroep ingesteld van genoemd vonnis d.d. 15 juli 2010 met dagvaarding van [geïntimeerde] tegen de zitting van 24 augustus 2010. Bij de memorie van grieven zijn producties overgelegd. De conclusie van deze memorie luidt: "het bestreden vonnis te vernietigen en de vordering alsnog toe te wijzen, kosten rechtens." Bij memorie van antwoord is door [geïntimeerde] verweer gevoerd met als conclusie: "het bestreden vonnis van de kantonrechter te bekrachtigen met veroordeling van DSB in de kosten van beide instanties." Ten slotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest. De grieven Curatoren van de naamloze vennootschap DSB Bank N.V. hebben geen als zodanig benoemde grieven opgeworpen. De beoordeling 1. DSB Financieringen B.V., gevestigd en kantoorhoudende te Wognum (verder: DSB) heeft bij inleidende dagvaarding d.d. 5 september 2009 mevrouw [geïntimeerde], wonende te [adres] gedagvaard en veroordeling van [geïntimeerde] gevorderd tot betaling van een bedrag groot € 3.480,66 te vermeerderen met contractuele rente vanaf 1 augustus 2009. Aan de vordering ligt de stelling ten grondslag dat met genoemde [geïntimeerde] een kredietovereenkomst is gesloten, welke door achterstalligheid in de betalingen opeisbaar is geworden. 2. [geïntimeerde] heeft primair het bestaan van de overeenkomst en de hoogte van het gevorderde bedrag betwist. [geïntimeerde] heeft zich subsidiair beroepen op verjaring, stellende dat hij de afgelopen 5 jaren geen aanmaning of sommatie ter zake heeft ontvangen. Nadat de kantonrechter een comparitie van partijen heeft gelast, heeft DSB - zo begrijpt het hof uit het beroepen vonnis d.d. 15 juli 2010 - een overeenkomst van geldlening (met bankpas) van 22 augustus 2003 en een mutatieoverzicht overgelegd, waarin als kredietnemer [geïntimeerde] vermeld staat. De comparitie heeft geen doorgang gevonden, waarna [geïntimeerde] bij akte nog op de overgelegde productie heeft gereageerd. [geïntimeerde] heeft daarbij aangegeven de overgelegde overeenkomst, welke door twee kredietnemers is ondertekend, niet te kennen. Hij geeft wel aan "destijds" alleen een rekening courant bij DSB te hebben afgesloten. Het mutatieoverzicht zou nieuw voor hem zijn en hij geeft aan dat voor hem volstrekt onduidelijk is hoe de gevorderde hoofdsom is opgebouwd. Het beroep op verjaring is herhaald. 3. De kantonrechter heeft overwogen dat de ontkenning van [geïntimeerde] dat hij de kredietovereenkomst met DSB is aangegaan onvoldoende door DSB is weerlegd en dat DSB het door [geïntimeerde] gestelde omtrent de verjaring niet heeft weersproken. De vordering is vervolgens afgewezen met veroordeling van DSB in de kosten. Met betrekking tot de grieven: 4. De uiterst korte memorie van grieven voldoet ternauwernood aan het zogenaamde kenbaarheidsvereiste, hetwelk inhoudt dat aan de appelrechter en de wederpartij duidelijk moet worden gemaakt in hoeverre en op welke gronden appellant(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.