Arrest d.d. 4 december 2012 Zaaknummer 200.085.197/01 (zaaknummers rechtbank 76958/HA ZA 09-955 en 78723/HAZA 10-238) HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN Arrest van de tweede kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van: [appellante], gevestigd te [woonplaats], appellante in het principaal appel, in eerste aanleg: gedaagde in de hoofdzaak en eiseres in de vrijwaring, hierna te noemen: [appellante], advocaat: mr. J. Mulder, kantoorhoudende te Hoogeveen, tegen 1. [geïntimeerde 1], wonende te [woonplaats], 2. [geïntimeerde 2], wonende te [woonplaats], 3. [geïntimeerde 3], gevestigd te [woonplaats], geïntimeerden in het principaal en appellanten in het voorwaardelijk incidenteel appel, in eerste aanleg: eisers in de hoofdzaak, hierna gezamenlijk in vrouwelijk enkelvoud te noemen: [geïntimeerden ] advocaat: mr. G.P. Wempe, kantoorhoudende te Drachten, en tegen [geïntimeerde sub 4], gevestigd te [woonplaats], geïntimeerde in het principaal appel sub 4 en geïntimeerde in het voorwaardelijk incidenteel appel, in eerste aanleg: gedaagde in de hoofdzaak en gedaagde in de vrijwaring, hierna te noemen: [geïntimeerde sub 4], advocaat: mr. R.J.G. Abeln, kantoorhoudende te Amsterdam. De inhoud van het tussenarrest van 31 juli 2012 wordt hier overgenomen. Het verdere verloop van de procedure [appellante] heeft een akte na tussenarrest genomen. [geïntimeerden] heeft een antwoordakte genomen. In het voorwaardelijk incidenteel appel is door [geïntimeerde sub 4] een antwoordakte genomen. Ten slotte heeft [geïntimeerden] de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest. De verdere beoordeling In de hoofdzaak tussen [appellante] en [geïntimeerden] 1. In het tussenarrest van 31 juli 2012 heeft het hof overwogen dat de grieven II en III falen. Ter verdere beoordeling van grief I is [appellante] in de gelegenheid gesteld bij akte te reageren op de door [geïntimeerden] bij memorie van antwoord overgelegde foto met bijbehorend commentaar. Op genoemde foto is een combine waarneembaar die is uitgerust met een stevige trap aan de zijkant. Voorts is [appellante] in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de aanname van het hof dat de afstand van de grond tot de bovenkant van de combine zoals deze op de dieplader stond 4,20 meter bedroeg. 2. In haar na het tussenarrest genomen akte heeft [appellante] het volgende aangevoerd. De afstand van de grond tot de bovenkant van de combine zoals deze op de dieplader stond bedroeg inderdaad 4,20 meter. De trap zoals die zichtbaar is op de foto was niet uitgeklapt. De trap was ten behoeve van het transport ingeklapt en gezekerd met touwen. Op grond daarvan betwist [appellante] dat haar chauffeur de trap kon gebruiken. Indien de chauffeur de trap wel had kunnen gebruiken, dan had volgens [appellante] de chauffeur daarmee uitsluitend de cabine kunnen bereiken. De chauffeur zou alsdan niet het dak van de combine hebben kunnen inspecteren, zonder op de gladde bovenkant en zijkant van de combine te kruipen, met alle risico’s van dien. Vanaf het plateau bij de cabine is de hoogte tot het dak van de cabine “naar verwachting” meer dan 2 meter, zodat vanaf het plateau het dak van de cabine, laat staan het betreffende luik, niet zichtbaar is, aldus nog steeds [appellante]. [appellante] handhaaft haar standpunt dat zij alle redelijkerwijs van haar te vergen maatregelen heeft genomen om schade te voorkomen en dat haar een beroep op vervoerdersovermacht toekomt. 3. [geïntimeerden] heeft in reactie hierop aangevoerd dat, naar mag worden aangenomen, de trap was uitgeklapt toen de combine op de oplegger werd gereden. De chauffeur van [appellante] had vóór het inklappen van de trap hiervan gebruik kunnen maken om de lading te controleren. De trap leidt tot het plateau voor de cabine en naar een iets hoger plateau van waaraf de bovenkant van de combine geïnspecteerd kan worden en de vergrendeling van de klep gecontroleerd kan worden. Ook als de trap was ingeklapt had de combine gemakkelijk beklommen kunnen worden door het profiel op de band als trap te gebruiken, aldus nog steeds [geïntimeerden]. 4. Het hof stelt voorop dat een beroep op vervoerdersovermacht door de vervoerder dient te worden onderbouwd en, bij betwisting, te worden bewezen. Het hof constateert dat de door [appellante] aan haar beroep op vervoerdersovermacht ten grondslag gelegde feiten door [geïntimeerden] gemotiveerd zijn betwist. [geïntimeerden] heeft gemotiveerd betwist dat (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.