Gerechtshof Leeuwarden Sector strafrecht Parketnummer: 24-001003-12 Uitspraak d.d.: 6 december 2012 TEGENSPRAAK Promis Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 12 april 2012 in de strafzaak tegen [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum], wonende te [woonplaats], [adres]. Het hoger beroep De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 11 juni 2012 en 22 november 2012 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot vrijspraak van verdachte ter zake van het primair en subsidiair ten laste gelegde en veroordeling voor het meer subsidiair ten laste gelegde tot een gevangenisstraf van 18 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren met als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht, ook als dit inhoudt het volgen van een ambulante behandeling in een forensische polikliniek. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd om de vordering van de benadeelde partij toe te wijzen tot een bedrag van € 668,- met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr G.J. Baken, naar voren is gebracht. Het vonnis waarvan beroep Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen. De tenlastelegging Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep - tenlastegelegd dat: primair: hij op of omstreeks 03 december 2011 in de gemeente [gemeente] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [benadeelde] van het leven te beroven, met dat opzet die [benadeelde] met een aardappelschilmesje, althans een (hobby)mesje, in de borst- en/of buikstreek heeft gestoken/geprikt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; subsidiair: hij op of omstreeks 03 december 2011 in de gemeente [gemeente] aan een persoon genaamd [benadeelde], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, door deze opzettelijk met een aardappelschilmesje, althans een (hobby)mesje, in de borst- en/of buikstreek te prikken/steken; meer subsidiair: hij op of omstreeks 03 december 2011 in de gemeente [gemeente] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [benadeelde], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [benadeelde] met een aardappelschilmesje, althans een (hobby)mesje, in de borst- en/of buikstreek heeft gestoken/geprikt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Vrijspraak primair ten laste gelegde Door de raadsman is ter zitting van het hof aangevoerd, dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de primair ten laste gelegde poging tot doodslag. De raadsman heeft hiertoe gesteld, dat verdachte niet de intentie had om [benadeelde] van het leven te beroven, en dat er bij verdachte ook geen sprake was van voorwaardelijk opzet op de dood bij verdachte. Het hof stelt met betrekking tot de feiten het volgende vast. Verdachte en aangever [benadeelde], oude bekenden van elkaar, treffen elkaar op 3 december 2011 op straat. Verdachte laat op dat moment zijn drie hondjes uit. Na een woordenwisseling die uitmondt in een handgemeen, blijft aangever achter met een bloedende wond in zijn borstkas. Aangever is door een arts onderzocht. Die constateerde een snij-steekverwonding. Inwendig letsel wordt niet geconstateerd. Verdachte heeft - nadat hij aanvankelijk verklaarde dat hij hierbij een aardappelschilmesje had gebruikt - verklaard dat hij aangever met een hobbymesje had verwond. Ten tijde van het hoger beroep is op verzoek van de verdediging DNA-onderzoek verricht op het hobbymesje. De uitkomst van het DNA-onderzoek bevestigde dit verhaal van verdachte, in die zin dat er DNA van aangever op het hobbymesje werd aangetroffen. Het hof gaat er - in tegenstelling tot de rechtbank, die nog niet beschikte over voornoemd DNA-onderzoek, en met de raadsman en de advocaat-generaal - dan ook van uit dat verdachte aangever met het hobbymesje heeft verwond. Uit foto’s in het dossier blijkt dat het hobbymesje (heft en lemmet) 13 centimeter lang is, met een lemmet van ongeveer 1,5 centimeter. Ook van belang is dat aangever – zo blijkt uit het dossier – tijdens het incident over zijn kleren een leren jas droeg. Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg - zoals hier de dood - is aanwezig indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dat gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Er is geen grond de inhoud van het begrip ‘aanmerkelijke kans’ afhankelijk te stellen van de aard van het gevolg. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregelen aanmerkelijk is te achten. Het hof is - met de raadsman en de advocaat-generaal - van oordeel dat niet kan worden gesteld dat verdachte met de hierna bewezen verklaarde handeling onder de omstandigheden zoals hiervoor geschetst de aanmerkelijke kans op het gevolg – in casu de dood – in het leven heeft geroepen. Gelet hierop kan het primair ten laste gelegde opzet op de dood niet worden bewezen, zodat verdachte van de primair ten laste gelegde poging tot doodslag behoort te worden vrijgesproken. Vrijspraak subsidiair ten laste gelegde Subsidiair is het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel ten laste gelegd. Het hof heeft - evenals de advocaat-generaal en de raadsman - uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat er bij aangever als gevolg van het handelen van verdachte sprake was van zwaar lichamelijk letsel. Verdachte dient derhalve ook van het subsidiair ten laste gelegde te worden vrijgesproken. Bewijsoverweging ten aanzien van het meer subsidiair ten laste gelegde Verdachte heeft ter zitting van het hof verklaard, dat hij zich tijdens de bewuste handelingen niet bewust is geweest van het feit dat hij [benadeelde] met het hobbymesje stak. Hij heeft hiertoe verklaard dat hij een aansteker, die hij altijd bij zich draagt, uit zijn jaszak wilde pakken, om met de aansteker in de vuist [benadeelde] in de buik te stompen. Per abuis pakte hij niet de aansteker, maar het mesje. Doordat [benadeelde] een van zijn hondjes trapte en het hondje zich als gevolg hiervan verplaatste, veranderde de baan van de hand van verdachte waarin hij zowel het mes als de hondenriem had, met als gevolg een stekende in plaats van een stompende beweging waardoor Struik voornoemd letsel heeft opgelopen, aldus verdachte. Het hof vat het hiervoor weergegevene op als een verweer ten aanzien van het opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Het hof overweegt hieromtrent het volgende. Een aansteker is qua gewicht en vorm een geheel ander voorwerp dan het hobbymesje, dat zoals hiervoor reeds is vastgesteld een totale lengte heeft van 13 centimeter en volledig van metaal is. Het hof acht het dan ook niet aannemelijk geworden dat verdachte zich in het voorwerp heeft vergist. Bovendien acht het hof het niet aannemelijk geworden dat verdachte een stekende in plaats van een stompende beweging heeft gemaakt als gevolg van het plotseling trekken van één van de hondjes aan de riem, die aan de betreffende hand/arm van verdachte was bevestigd. Het verweer is dan ook niet aannemelijk geworden. Het hof verwerpt het verweer. Bewezenverklaring Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging gekregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het meer subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: meer subsidiair: hij op 3 december 2011 in de gemeente [gemeente] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [benadeelde], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [benadeelde] met een hobbymesje in de borststreek heeft gestoken/geprikt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid. Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde het meer subsidiair bewezen verklaarde levert op: poging tot zware mishandeling. Strafbaarheid van de verdachte I Door en namens verdachte is een beroep gedaan op noodweer, dan wel noodweerexces. Vooropgesteld moet worden dat indien door of namens de verdachte een beroep is gedaan op noodweer, de rechter zal moeten onderzoeken of de voorwaarden voor de aanvaarding van dat verweer zijn vervuld. Die houden in dat het begane feit was geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, waaronder onder omstandigheden mede is begrepen een onmiddellijk dreigend gevaar voor zo een aanranding. De vraag of een gedraging geboden is door de noodzakelijke verdediging - waarmee onder meer de proportionaliteitseis tot uitdrukking wordt gebracht - van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed leent zich niet voor beantwoording in algemene zin. Bij de beslissing daaromtrent komt mede betekenis toe aan de waardering van de feitelijke omstandigheden van het geval. Het hof gaat uit van de volgende feitelijke omstandigheden van het geval en gaat daarbij op dit punt uit van de verklaringen van verdachte. Verdachte en aangever [benadeelde] komen elkaar tegen op straat. Aangever zoekt de confrontatie, door naar verdachte te roepen en hem uit te schelden. Verdachte verstopt zich achter een boom, maar aangever stormt op hem af. Verdachtes verklaringen worden op dit punt ondersteund door de verklaring van aangever, die heeft verklaard dat hij degene was die op verdachte afliep. Aangever slaat daarop verdachte in zijn gezicht. Verdachtes verklaring wordt op dit punt ondersteund door de constatering van een verbalisant van een gezwollen lip bij verdachte nadat hij is aangehouden. Verdachte slaat terug, op dat moment trapt aangever een van de hondjes van verdachte. Daarna verricht verdachte de bewezen verklaarde handeling. Op grond van voorgaande acht het hof aannemelijk geworden dat er sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van verdachte en zijn hondje door [benadeelde], waartegen verdachte zich diende te verdedigen. De wijze waarop verdachte zich vervolgens tegen deze onmiddellijke dreigende wederrechtelijke aanranding heeft verdedigd staat echter niet in een redelijke verhouding tot de ernst van de aanval, nu verdachte een mes ter hand heeft genomen en daarmee het slachtoffer in de borststreek heeft gestoken/geprikt. Het gedane beroep op noodweer wordt derhalve verworpen. Met betrekking tot het beroep op noodweerexces overweegt het hof het volgende. In het licht van het vorenstaande zou aan verdachte nog een geslaagd beroep op noodweerexces kunnen toekomen, als aannemelijk is geworden dat de bewezen verklaarde gedragingen van verdachte het onmiddellijke gevolg zijn geweest van een hevige gemoedsbeweging veroorzaakt door een hieraan voorafgegane wederrechtelijke aanranding van verdachtes lichaam. In het dossier, noch in het verhandelde ter zitting ziet het hof aanwijzingen dat verdachte vanuit een dergelijke hevige gemoedsbeweging heeft gehandeld. Dat sprake is geweest van een door de aanranding veroorzaakte hevige gemoedsbeweging die de doorslag heeft gegeven voor het steken door de verdachte van het slachtoffer met het mesje, is dan ook onvoldoende aannemelijk geworden. Het hof betrekt hierbij ook nog de verklaring van verdachte, dat hij doelbewust een voorwerp uit zijn zak pakte om het slachtoffer hard te kunnen raken. Het hof verwerpt ook het beroep op noodweerexces. Strafbaarheid van de verdachte II Verdachte is onderzocht door drs. R.R. Beth, forensisch gedragsdeskundige, orthopedagoog en F.M.J. Bruggeman, psychiater. Zij hebben elk een Pro Justitia rapport opgesteld, respectievelijk op 6 maart 2012 en 9 maart
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.