← Nederland

ECLI:NL:GHSGR:1993:2

Uitspraak: 15 december 1993 rolno. 92/258 rolno. rb. 276/87 Het Gerechtshof te ’s-Gravenhage, kamer IIB, heeft het navolgende arrest gewezen in de zaak van [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, tevens incidenteel geïntimeerde, procureur: Mr H.J.A. Knijff, Tegen

  1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [naam] B.V., gevestigd en kantoorhoudende te Groot Ammers,
  2. [geïntimeerde sub 2], wonende te [woonplaats], geïntimeerden, tevens incidenteel appellanten, procureur: Mr W. Taekema. HET GEDING Bij exploit van 24 januari 1992 is appellant, hierna te noemen [appellant], in hoger beroep gekomen van drie tussenvonnissen resp. d.d. 1 november 1989, 13 juni 1990 en 6 november 1991, door de arrondissementsrechtbank te Middelburg tussen partijen gewezen. [appellant] heeft elf grieven aangevoerd. Geïntimeerden (geïntimeerde sub 2 verder te noemen [geïntimeerde sub 2] ) hebben bij memorie van antwoord, tevens akte tot vermeerdering van eis, de grieven bestreden en hunnerzijds twee bezwaren aangevoerd tegen het in deze zaak gewezen tussenvonnis d.d. 6 juli
  3. Daarbij heeft [geïntimeerde sub 2] zijn eis terzake van vergoeding van immateriële schade vermeerderd. Bij akte ter rolle heeft [appellant] zich verzet tegen de vermeerdering van eis. Bij akte tot rectificatie hebben geïntimeerden de conclusie van hun memorie van antwoord gerectificeerd. [appellant] heeft een antwoordakte genomen. Bij rolbeschikking van dit gerechtshof d.d. 18 maart 1993 is de gedane verandering/wijziging van eis toegestaan. [appellant] heeft een akte genomen houdende uitlating producties in principaal appel en reactie op vermeerderde eis, tevens memorie van antwoord in incidenteel appel. Blijkens daarvan opgemaakte akte d.d. 11 mei 1993 heeft zijdens geïntimeerden depot van twee foto’s plaats gevonden. Vervolgens zijn de stukken overgelegd voor arrest. De conclusies van partijen worden geacht hier te zijn overgenomen. BEOORDELING VAN DE ZAAK IN HET HOGER BEROEP
  4. Het hoger beroep beoogt het geschil tussen partijen in volle omvang aan het hof voor te leggen.
  5. Het gaat in deze zaak om de vraag of [appellant] jegens geïntimeerden aansprakelijk is voor de gevolgen van een gebeurtenis op 31 oktober
  6. [geïntimeerde sub 2] heeft op 31 oktober 1984, samen met een vriend, [X], in het door [appellant] en diens vrouw geëxploiteerde restaurant in [woonplaats] het noenmaal gebruikt. Na afloop van de maaltijd heeft een handgemeen tussen [geïntimeerde sub 2] en [appellant] plaatsgevonden.
  7. Geïntimeerden stellen dat [appellant] [geïntimeerde sub 2] heeft mishandeld door hem een aantal vuistslagen toe te dienen, enkele op diens voorhoofd links en rechts, onder het linkeroog en op het linker oor, ten gevolge waarvan [geïntimeerde sub 2] onder meer een dubbelzijdig subduraal haematoom heeft opgelopen. Geïntimeerden houden [appellant] aansprakelijk voor de gevolgen van deze (gestelde) mishandeling.
  8. [appellant] betwist dat hij zich op deze wijze tegenover [geïntimeerde sub 2] heeft gedragen. Hij erkent dat hij [geïntimeerde sub 2] één klap heeft gegeven en dat [geïntimeerde sub 2] dientengevolge tegen de deur van het restaurant is gevallen (antwoordconclusie na deskundigenbericht sub 1). Voor het overige heeft [appellant], volgens zijn stellingen, geen geweld uitgeoefend jegens [geïntimeerde sub 2]. 6.
  9. De rechtbank heeft in haar eerste tussenvonnis, van 6 juli 1988, geïntimeerden toegelaten de door hen gestelde toedracht van de gebeurtenissen door middel van getuigen te bewijzen. 6.
  10. In haar tweede tussenvonnis, van 1 november 1989, heeft de rechtbank overwogen dat de verklaringen van [geïntimeerde sub 2] en [X] aan de ene kant en de andere getuigen aan de andere kant elkaar in sterke mate weerspreken en dat er termen aanwezig zijn voor het doen uitbrengen van een deskundigenbericht, omdat de rechtbank het denkbaar acht dat de bij [geïntimeerde sub 2] geconstateerde letsels kunnen bijdragen tot het bewijs van [geïntimeerde sub 2]’ stelling ten aanzien van de toedracht van de gebeurtenissen o 31 oktober
  11. Ook blijkens haar derde tussenvonnis, van 13 juni 1990, ziet de rechtbank het deskundigenbericht als een vervolg op de bewijsopdracht aan geïntimeerden. 6.
  12. Nadat de door de rechtbank benoemde deskundigen hun rapporten hadden uitgebracht, heeft de rechtbank in haar vierde tussenvonnis, van 6 november 1991, uit de getuigenverklaringen in samenhang met de rapporten van de deskundigen de conclusie getrokken “dat [geïntimeerde sub 2] door [appellant] mishandeld is door middel van het ondergaan van uitwendig geweld op – tenminste – twee plaatsen”. De rechtbank heeft voorts het beroep van [appellant] op medeschuld van [geïntimeerde sub 2] verworpen, overwegende – zakelijk weergegeven – dat de reactie van [appellant] op het (veronderstellenderwijze aangenomen) gedrag van [geïntimeerde sub 2] en [X] buiten proportie is geweest.
  13. Tegen deze overwegingen richten zich de grieven VI en IX. De grieven zijn gegrond. Daarbij gaat het hof ervan uit dat [appellant] [geïntimeerde sub 2] één klap heeft gegeven, waardoor [geïntimeerde sub 2] tegen de deur van het restaurant is gevallen. Het hof baseert dit uitgangspunt op hetgeen door de getuigen [Y], [Z] en [appellant] is verklaard en neemt daarbij in aanmerking dat hetgeen [X] als getuige heeft verklaard zodanig afwijkt van de verklaring die hij tegenover de politie heeft afgelegd, dat de daarbij komende verklaring van [geïntimeerde sub 2] als partij-getuige niet de aanvullende werking kan hebben waarop artikel 213, eerste lid, Rv. doelt.
  14. Weliswaar hebben geïntimeerden bij memorie van antwoord, tevens akte tot vermeerdering van eis, gesteld dat zij onverkort hun lezing van het gebeurde handhaven. Tot nu toe hebben zij echter, ondanks de hun gegeven mogelijkheden van getuigenbewijs en deskundigenbericht, deze lezing niet kunnen bewijzen. Geïntimeerden hebben wel in genoemde memorie nader bewijs door getuigen aangeboden, maar dit aanbod dient als te ongespecificeerd te worden gepasseerd, mede in aanmerking genomen dat alle bij het handgemeen aanwezigen reeds zijn gehoord, de meesten zelfs diverse malen, en geïntimeerden nalaten aan te geven welke andere personen iets zouden kunnen verklaren omtrent de toedracht van de gebeurtenis op 31 oktober 1984, terwijl zulks op de weg van geïntimeerden zou hebben gelegen. 9.
  15. Bij de beoordeling van de vraag of [appellant] jegens [geïntimeerde sub 2] aansprakelijk is voor de gevolgen van de door hem aan [geïntimeerde sub 2] gegeven klap en de daardoor veroorzaakte val tegen de deur, moet gelet worden op alle relevante omstandigheden van dit geval. 9.
  16. Daartoe behoren de volgende omstandigheden, bezien in verband met hetgeen overigens, mede op grond van de afgelegde getuigenverklaringen, ten processe vast staat: [geïntimeerde sub 2] en [X] hebben zich gedragen als zeer kritische, moeilijk te vreden te stellen gasten. Na de koffie met cognac heeft [appellant] aan de sommelier [Y] gevraagd om “het verder af te handelen” en is hij de tuin ingegaan. Vervolgens is hij, op hun verzoek, naar [geïntimeerde sub 2] en [X] teruggegaan. Daarop ontstond een meningsverschil tussen [appellant] enerzijds en [geïntimeerde sub 2] en [X] anderzijds omtrent de betaling van de rekening ad f. 721,
  17. Uit hetgeen door [X] en [geïntimeerde sub 2] gezegd werd, kregen [appellant] en [Y] de indruk dat [geïntimeerde sub 2] en [X] van plan waren om zonder betaling te vertrekken. [appellant] heeft aan [Y] gevraagd om de politie te bellen. Vervolgens liepen [X] en [geïntimeerde sub 2], in die volgorde, naar de uitgang van het restaurant. [appellant] heeft [geïntimeerde sub 2] vastgepakt bij de kraag van diens jasje om te voorkomen dat deze zonder betaling het restaurant zou verlaten. [geïntimeerde sub 2] draaide zich om, maakte een beweging met zijn arm in de richting van [appellant] en krabde deze over diens gezicht. Daarop gaf [appellant] [geïntimeerde sub 2] een klap, waardoor [geïntimeerde sub 2] tegen de deur aanviel. 9.
  18. Uit deze omstandigheden leidt het hof af dat [appellant] door het gedrag van [geïntimeerde sub 2] en [X] in de gerechtvaardigde veronderstelling verkeerde dat beiden van plan waren het restaurant te verlaten zonder de rekening te betalen. Het is [appellant] niet euvel te duiden dat hij heeft geprobeerd dit te verhinderen door [geïntimeerde sub 2], die achter [X] liep in de richting van de uitgang van het restaurant, vast te pakken bij de kraag van diens jasje. Toen [geïntimeerde sub 2] zich daarop omdraaide en een armbeweging maakte in de richting van [appellant], waarbij hij [appellant] daadwerkelijk raakte in diens gezicht, heeft [appellant] dit mogen opvatten als een bedreiging door [geïntimeerde sub 2], waarop hij heeft gereageerd door [geïntimeerde sub 2] een klap te geven. Deze reactie is niet buiten proportie.
  19. In beginsel heeft [appellant] onrechtmatig gehandeld jegens [geïntimeerde sub 2] door deze een klap te geven. Het hof is echter van oordeel dat het gedrag van [appellant] zozeer is uitgelokt door het gedrag van [geïntimeerde sub 2], dat het gedrag van [appellant] in casu niet onrechtmatig is tegenover [geïntimeerde sub 2].
  20. Zelfs al zou moeten worden geoordeeld dat de in beginsel bestaande onrechtmatigheid van het gedrag van [appellant] niet wordt opgeheven door het gedrag van [geïntimeerde sub 2], zou moeten worden geoordeeld dat de plicht van [appellant] tot vergoeding van de door [geïntimeerde sub 2] geleden schade geheel is vervallen, omdat de billijkheid dit in casu eist wegens de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten.
  21. Uit het bovenstaande volgt dat hetgeen ten processe vast staat onvoldoende grond oplevert voor toewijzing van de vorderingen van geïntimeerden.
  22. De gegrondbevinding van de grieven VI en IX brengt mede dat de andere grieven geen bespreking behoeven. 14.
  23. Het hof komt tot de slotsom dat het vonnis van 6 november 1991 behoort te worden vernietigd en dat de vorderingen van geïntimeerden alsnog behoren te worden afgewezen. Gelet hierop, kan het beroep tegen de vonnissen van 1 november 1989 en 13 juni 1990 buiten behandeling blijven. 14.
  24. Geïntimeerden moeten, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van beiden instanties.
  25. Gelet op de beslissing op het principaal beroep kan het incidenteel beroep buiten behandeling blijven en zal ter zake van dit beroep geen beslissing over de kosten worden gegeven. BESLISSING Het gerechtshof in het principaal beroep: - vernietigt het vonnis d.d. 6 november 1991; en opnieuw rechtdoende; wijst de vorderingen van thans-geïntimeerden af; veroordeelt thans-geïntimeerden in de kosten van het geding in beide instanties – waaronder begrepen de kosten van de deskundigenberichten -, aan de zijde van [appellant] voor de eerste aanleg begroot op f. 3.600,-- en voor het hoger beroep op f. 3.412,
  26. Dit arrest is gewezen door Mrs Van Deth, Jonkers en Michiels van Kessenich-Hoogendam en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 december 1993.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.