Het Gerechtshof te 's-Gravenhage Tweede civiele kamer, heeft het volgende arrest gewezen in de zaak van: X., (hierna te noemen: X), wonende te P. procureur: mr J.A. van Keulen. Het geding Bij verzoekschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 19 mei 1999, heeft X. hoger beroep ingesteld van het vonnis van de rechtbank van 12 mei 1999, waarbij het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling is afgewezen. Bij voormeld verzoekschrift heeft X. het hof verzocht het vonnis waarvan beroep te vernietigen, en opnieuw rechtdoende, X. alsnog toe te laten tot de schuldsaneringsregeling. De mondelinge behandeling bij het hof heeft plaatsgevonden op 1 juni 1999, waarbij X. niet is verschenen. Namens X. is verschenen mr M.J. van der Veen, advocaat te Haarlem. Beoordeling van het hoger beroep De grief van X. strekt - zakelijk weergegeven - ten betoge dat de rechtbank zijn verzoek ten onrechte heeft afgewezen omdat zij aannemelijk acht dat de schuld van de partner aan de Gemeente P. terzake bijstandsfraude niet te goeder trouw is ontstaan of onbetaald gelaten. X. voert aan dat de door de rechtbank toegepaste regeling, artikel 288 lid 2 onder b, een discretionaire bevoegdheid betreft die ook bij kwade trouw toepassing van de saneringsregeling toelaat en stelt voorts dat er geen sprake is van bijstandsverlening aan hemzelf en dat niet is gebleken dat hij zelf te kwader trouw is geweest bij het ontstaan of onbetaald laten van de schulden. Voorts wijst X. ter ondersteuning van zijn stellingen op het arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 9 maart
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.