Rolnummers : 2200144699 en 2200151299 (gevoegde zaken) Parketnummers : 0975408797 en 0975403399 Datum uitspraak : 30 juni 2000 Verstek GERECHTSHOF TE 's-GRAVENHAGE meervoudige kamer voor strafzaken ARREST Gewezen op het hoger beroep, ingesteld door de verdachte en de officier van justitie tegen de vonnissen met de parketnummers 0975408797 en 0975403399 van de arrondissementsrechtbank te ‘s-Gravenhage van 16 juli 1999 in de strafzaak tegen [verdachte], geboren te [geboorteplaats] (Suriname) op [geboortedatum] 1945,zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande. 1. Voeging Het hof heeft ter terechtzitting van 15 december 1999 de voeging bevolen van de beide hiervoor genoemde zaken, welke in eerste aanleg afzonderlijk zijn behandeld. 2. Onderzoek van de zaak 2.1. Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van 9, 10, 13, 15, 16, 17, 20 en 22 december 1999, 23, 27, 28, 29 en 31 maart 2000, 3, 4, 5, 6, 10, 13 en 14 april 2000, 15, 16, 22 en 31 mei 2000, 5, 9, 14 en 16 juni 2000. 2.2. Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaten-generaal mrs. Van den Broek en Van Atteveld en van hetgeen door de raadsman mr. Moszkowicz, advocaat te Amsterdam, naar voren is gebracht. 3. Tenlastelegging 3.1. Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaardingen, waarvan kopieën zijn gevoegd in dit arrest. 3.2. Het hof heeft de feiten die in deze dagvaardingen zijn opgenomen, van een doorlopende nummering voorzien. Het hof zal die nummering in dit arrest aanhouden. 4. De behandeling van het hoger beroep buiten aanwezigheid van de verdachte 4.1. Het hof heeft de zaak in hoger beroep buiten aanwezigheid van de verdachte behandeld. Het hof overweegt dienaangaande het volgende. 4.2. De verdediging heeft reeds bij de aanvang van de behandeling in hoger beroep verzocht om de verdachte een vrijgeleide te verlenen. Voor wat betreft dit verzoek verwijst het hof naar hetgeen het hof ter terechtzitting van 10 december 1999 omtrent dat verzoek heeft overwogen. 4.3. Het belang van de waarheidsvinding, dat zeer gediend is door de verschijning van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep ten einde omtrent de hem tenlastegelegde feiten te kunnen worden ondervraagd, heeft het hof ertoe gebracht om -desgewenst- de voorlopige hechtenis onder de gebruikelijke algemene voorwaarden te schorsen. De schorsing zou gelden voor de periode van 2 dagen vóór en 2 dagen ná de ondervraging van de verdachte, behoudens de mogelijkheid van verlenging door het hof. Datum en tijdstip waarop de schorsing zou plaatsvinden zouden in een later stadium, wanneer de verdachte daarop positief zou hebben gereageerd, door het hof, gehoord het openbaar ministerie en de verdediging, worden vastgesteld. 4.4. Het hof achtte zich niet bevoegd andere maatregelen dan de reeds genoemde schorsing van de voorlopige hechtenis te treffen, indien het nodig zou blijken te zijn om de verdachte gedurende de schorsingsperiode feitelijk strafrechtelijke immuniteit te verschaffen. Het openbaar miniserie heeft er terecht op gewezen dat in dit verband veeleer moet worden gesproken over "tijdelijke vrijwaring van toepassing van dwangmiddelen", welke tijdelijke vrijwaring door de verdachte noodzakelijk werd geacht om ter terechtzitting van het hof te verschijnen. 4.5. Het hof heeft op 10 december 1999 geoordeeld dat het dus op de weg van de verdediging ligt om door het indienen van de nodige verzoeken bij de bevoegde autoriteiten die immuniteit (lees: vrijwaring) te verkrijgen. 4.6. Tenslotte heeft het hof overwogen dat, indien naderhand zou blijken dat de verdachte door toedoen van de Nederlandse overheid feitelijk geen strafrechtelijke immuniteit (lees: vrijwaring) heeft verkregen en de verdachte om die reden ervan heeft afgezien ter terechtzitting in hoger beroep te verschijnen, het hof bij zijn eindarrest zou bezien of, en zo ja in welke mate, hieraan gevolgen behoren te worden verbonden. 4.7. De verdediging heeft in het schrijven aan de advocaten-generaal mr. van Atteveld en mr. D.C. van den Broek van 4 mei 2000 het volgende meegedeeld: "Bij beslissing van december 1999 heeft het Hof bepaald dat op enig moment, in de woorden van het Hof, de voorlopige hechtenis van cliënt onder de gebruikelijke algemene voorwaarden kan worden geschorst. Blijkens de beslissing van het Hof dient de schorsing voor de periode van 2 dagen vóór en 2 dagen ná de ondervraging van de verdachte te gelden, behoudens de mogelijkheid van verlenging door het Hof (de verdediging verstaat onder de periode "2 dagen voor en 2 dagen na" overigens ook de dag ter terechtzitting zelve). Het Hof heeft bovendien overwogen dat het op de weg ligt van de verdediging (door het indienen van de nodige verzoeken bij U) te komen tot een, voor de duur van de schorsingsperiode, feitelijke strafrechtelijke immuniteit van cliënt. Het is om die laatste reden, dat ik mij thans tot U wend en U verzoek mij mede te delen of het Openbaar Ministerie bereid is zo'n feitelijke strafrechtelijke immuniteit voor [verdachte] te - doen - verstrekken. Daaronder dient dan in ieder geval te worden verstaan dat jegens [verdachte] geen dwangmiddelen zullen worden toegepast, uit welke hoofde ook door welke (ook buitenlandse, intergouvernementele of supranationale) autoriteit ook. Bovendien zal de Staat der Nederlanden aan [verdachte] op voorhand een schriftelijke garantie dienen te verstrekken, dat de Staat ervoor zal instaan dat eventuele verzoeken van buitenlandse (c.q. intergouvernementele of supranationale) autoriteiten ziende op het toepassen van dwangmiddelen jegens [verdachte] niet zullen worden ingewilligd en daaraan anderszins niet tegemoet zal worden gekomen." 4.8. Ter terechtzitting van het hof van 15 mei 2000 heeft het openbaar ministerie - voor zover hier van belang - het volgende meegedeeld: “1. Het OM zal de medeverdachte 1 en [verdachte] niet aanhouden voor de huidige ten laste gelegde feiten, gedurende en voor zover voldaan wordt aan de voorwaarden zoals genoemd in het schorsingsbevel van het Hof. Mocht het OM van oordeel zijn dat (een van) de verdachten zich niet houden aan de schorsingsvoorwaarden dan zal dat door middel van een vordering opheffing schorsing onmiddellijk aan uw Hof worden voorgelegd. 2. Van andere eerder gepleegde strafbare feiten van de verdachte is ons niets bekend. Bovendien heeft het OM in eerste aanleg er ook mee ingestemd dat de verdachten terzake reeds gepleegde feiten als zij naar Nederland zouden komen om als getuigen te worden gehoord niet zouden worden aangehouden. De verdachten zullen niet worden aangehouden op verdenking van eerder door hun gepleegde andere strafbare feiten, voor zover hier niet anders is bepaald. 3. De verdachte [verdachte] zal door het OM niet worden aangehouden voor wat wel wordt genoemd de 'decembermoorden' gelet op de eerder door de hoofdofficier van justitie te Amsterdam genomen beslissing geen vervolging ter zake in te stellen jegens de verdachte [verdachte]. Wanneer de rechter, in casu de raadkamer van het Amsterdamse Gerechtshof, het OM in de zin van art. 12 Sv. een bevel tot vervolging o.d. geeft kan dat anders komen te liggen. Voor juli 2000 wordt geen beslissing van het Hof Amsterdam verwacht. 4. Wanneer (een van) de verdachten tevens als getuigen in de strafzaak tegen een medeverdachte zal optreden en daarbij het misdrijf van art. 207 Sr. pleegt dan zou het OM gebruik kunnen maken van de haar toekomende dwangmiddelen om de verdachte (buiten heterdaad) aan te houden. De verdachte wordt wettelijk namelijk de keuze geboden tussen de waarheid te verklaren of zich te beroepen op zijn verschoningsrecht ex art. 219 jo. 284 lid 4 jo. 415 Sv. Gelet op de verwevenheid van het strafbare feit van meineed met de strafzaak tegen de verdachte zelf zal het OM bij een verdenking ter zake meineed geen eigen dwangmiddelen toepassen, maar door middel van een vordering opheffing schorsing dit ter beslissing aan het Hof voorleggen. 5. In de hiervoor genoemde voorwaarden is uitgegaan van de veronderstelling dat het Hof als "bijzondere" voorwaarde in de zin van art. 80 lid 1 Sv in zijn schorsingsbevel heeft opgenomen dat de verdachten (gedurende de schorsing) geen strafbare feiten mogen plegen en dat de verdachten aanwijzingen van de autoriteiten in Nederland zullen opvolgen in het kader van de openbare orde en (hun eigen) veiligheid. Hoewel wij in beginsel geen mededelingen doen over signaleringen van verdachten zullen wij, zoals ook al aangegeven, in de geest van de beslissing van uw Hof thans mededelen dat de verdachte [verdachte] in Nederland niet gesignaleerd staat ter fine van uitlevering, op verzoek van een andere soevereine staat. Op dit moment zijn ook geen andere rechtshulpverzoeken tot Nederland gericht waarbij eventueel vrijheidsbenemende dwangmiddelen zouden kunnen worden toegepast. De minister van justitie is benaderd, n.a.v. het verzoek van de raadsman van de verdachte [verdachte] m.b.t. internationale rechtshulp. De minister van justitie is namelijk verantwoordelijk voor de internationale rechtshulp. De door de raadsman gevraagde toezegging, in algemene zin, kan door de minister uiteraard niet worden gegeven. Zonder wetenschap te hebben over aard en inhoud van een eventueel nog te ontvangen rechtshulpverzoek kan de minister, gelet op de in het internationale rechtsverkeer geldende omgangsvormen tussen rechtsstaten, niet bij voorbaat in de algemene zin een toezegging doen, zoals gevraagd. Gerespecteerd moet worden dat in casu geen sprake is van een internationaal, op grond van het gewoonterecht gerespecteerde, regeling van een vrijgeleide.” 4.9. Ter terechtzitting van 22 mei 2000 heeft de verdediging het volgende betoogd: “Mijn verzoek van 4 mei jl. is kennelijk zo uitgelegd, als zou ik de Minister van Justitie zich willen laten verbinden tot een andere opstelling, dan waartoe hij uit hoofde van internationale verdragen in het kader van met name uitlevering is verplicht. Deze implicatie heeft mijn voorstel niet. Ik heb enkel een toezegging verlangd, ertoe strekkende dat vanwege de Staat (waaronder ook de Minister van Justitie) geen dwangmiddelen jegens [verdachte] zullen worden toegepast, uit welke hoofde ook (dus ook niet uit hoofde van een eventueel toekomstig verzoek tot uitlevering van de [verdachte]). Met betrekking tot vrijheidsbeneming in het kader van uitleverings-verzoeken, moet zowel de nationale wet als het toepasselijk verdrag worden bezien. Ik meen dat de Uitleveringswet de autoriteiten hier te lande geenszins verplicht tot het toepassen van dwangmiddelen, ook al is ten aanzien van de betrokkene een uitleveringsverzoek gedaan. Ik verwijs naar de artikelen 16 e.v. van de Uitleveringswet (met name artikel 21), waaruit de discretionaire bevoegdheid van de aangezochte autoriteiten in deze zin blijkt. In gelijke zin ook Swart (Nederlands Uitleveringsrecht), pp. 513 v. Krachtens nationale wetgeving staat er dus mijns inziens niets aan in de weg, dat op voorhand de garantie komt dat ten aanzien van de heer [verdachte] in dit kader geen dwangmiddelen zullen worden toegepast. Complicerende factor daarbij is dat krachtens een enkel verdrag de vrijheidsbeneming wel verplicht is (vergelijk Swart t.a.p.; hij wijst er daarbij overigens op dat veelal zelfs dan daar discussie kan bestaan of de vrijheidsbeneming "onvoorwaardelijk verplicht" is). Ik meen dat dit bezwaar (voor de verdediging althans) kan worden ondervangen, door de heer [verdachte] -in ieder geval mede- "uit te nodigen" onder de titel van artikel 7 lid 18 van het Verdrag van de Verenigde Naties tegen de sluikhandel in verdovende middelen en psychotrope stoffen, waarbij Nederland en Suriname partij zijn. Uiteraard heb ik -ook andermaal- kennis genomen van het standpunt van Uw Hof terzake, zoals uitgedragen in het eerste zittingsblok, inhoudende (naast het probleem, dat zo'n vrijgeleide enkel ziet op handelingen gepleegd voorafgaande aan zijn vertrek van het grondgebied van de aangezochte partij; dat probleem wordt echter ondervangen door de overige garanties die door de verdediging zijn verzocht): "deze verdragsbepaling is overigens ingevolge het bepaalde in artikel 7 lid 7 van het verdrag in het rechtsverkeer tussen Nederland en Suriname niet van toepassing nu tussen deze landen een bilateraal verdrag inzake wederzijdse rechtshulp van kracht is." De regeling op grond waarvan Uw Hof haar stellingname heeft ingenomen luidt aldus (artikel 7 lid 7 Sluikhandelverdrag): "Het achtste lid tot en met het negentiende lid van dit artikel gelden voor verzoeken die ingevolge dit artikel worden gedaan, indien de betrokken partijen niet gebonden zijn door een verdrag aangaande wederzijdse rechtshulp. Indien de partijen wel door een dergelijk verdrag zijn gebonden, gelden de overeenkomstige bepalingen van dat verdrag, tenzij de partijen overeenkomen in plaats daarvan het achtste lid tot en met het negentiende lid van dit artikel toe te passen." Ik heb daarbij de volgende kanttekeningen te maken. Het bilaterale verdrag er nog eens op nagekeken hebbende, valt op dat in dat bilaterale verdrag ontbreekt een bepaling die ziet op het verstrekken van een vrijgeleide in de zin van het Sluikhandelverdrag; overeenkomstige bepalingen met betrekking tot andere rechtshulp in de zin van de leden 8 tot en met 19 van het Sluikhandelverdrag zijn wel opgenomen. Ik versta de beslissing van Uw Hof aldus, dat vanwege de toepasselijkheid van een bilateraal verdrag per definitie de toepasselijkheid van het multilaterale verdrag is uitgesloten. Daarmee miskent Uw Hof evenwel dat in het multilateraal verdrag zelve al de mogelijkheid van toepasselijkheid van een bilateraal verdrag is voorzien en dat dan toch geopteerd kan worden door partijen voor toepassing van de bepalingen van het multilaterale verdrag, ook al zijn er -zoals in casu- overeenkomstige bepalingen in het bilaterale verdrag. De premisse van het Hof dat een bilateraal verdrag per definitie uitsluit de toepasselijkheid van het multilateraal verdrag, is daarmee een onjuiste. Als partijen (Nederland en Suriname) dus nu overeenkomen dat -in weerwil van de overeenkomstige bepalingen in het bilaterale verdrag- de bepalingen van het multilaterale verdrag toepassing verdienen, dan kan in zo'n bilaterale afspraak wel degelijk (overeenkomstig lid 18 van artikel 7; dat valt binnen dat deel van het artikel waarvan partijen kunnen afspreken dat dat toepasselijk is -lid 8 tot en met 19-) immers een vrijgeleide worden verstrekt. Het Sluikhandelverdrag schept de mogelijkheid dat een persoon (een getuige, maar ook een andere persoon "die zich bereid verklaart te getuigen in een proces of te helpen bij een onderzoek, vervolging of gerechtelijke procedure op het grondgebied van de verzoekende Partij"; de heer [verdachte] zou onder beide categorieën zijn te scharen) in het kader van deze strafzaken naar Nederland afreist onder de garantie van een vrijgeleide in de zin van dit verdrag. Deze vrijgeleide, indien die aan de heer [verdachte] zou worden verstrekt, kan dan worden tegengeworpen aan een Staat die om de uitlevering van de heer [verdachte] zou vragen (of enig ander verzoek tot rechtshulp zou doen, in het kader waarvan toepassing van vrijheidsbenemende dwangmiddelen in aanmerking zou komen) en op grond van dat verzoek (in het licht van het toepasselijk verdrag) aanspraak zou kunnen maken op imperatieve toepassing van vrijheidsbenemende maatregelen uit hoofde van dat verzoek. Ten overvloede nog het volgende met betrekking tot de zienswijze van het Hof als zou op basis van de eerste zin van artikel 7 lid 7 van het Sluikhandelverdrag per definitie het bilaterale verdrag van toepassing zijn en daarmee het verstrekken van een vrijgeleide uitgesloten moeten worden geacht. Ik zie niet in dat als op grond van deze bepaling naar het bilaterale verdrag moet worden gekeken en dan blijkt dat in dat verdrag de vrijgeleide niet is geregeld (maar dus ook niet de mogelijkheid van het verstrekken van een vrijgeleide expliciet wordt uitgesloten) niet kan -of zelfs moet- worden teruggegrepen op de bepalingen van het multilaterale (posterieur aan het bilaterale) verdrag, waarbij beide partijen zijn aangesloten en waarbij zo'n vrijgeleide wel is geregeld. Toen Nederland en Suriname zich in de jaren '90 aansloten bij het multilaterale verdrag heeft men daarmee kennelijk de mogelijkheid aanvaard dat vrijgeleiden op basis van dat verdrag zouden kunnen worden verstrekt. (..) Conclusie: ik persisteer bij mijn verzoek van 4 mei en verzoek het Openbaar Ministerie haar standpunt te heroverwegen en (
- of)alsnog bij de Minister aan te dringen op het doen van toezeggingen in de zin van mijn brief van 4 mei jl., die blijkens het hiervoor overwogene niet moet worden gelezen als een verzoek tot het niet in behandeling nemen van rechtshulpverzoeken, maar als een verzoek tot het niet toepassen van dwangmiddelen in dat verband. Voorts geef ik het Openbaar Ministerie in overweging het ertoe te leiden dat er een rechtshulpverzoek naar Suriname zal uitgaan, waarin verzocht wordt om de heer [verdachte] uit hoofde van het bilaterale verdrag (na van toepassing verklaring van de leden 8 tot en met 19 van het Sluikhandelverdrag) ten behoeve van de thans lopende strafzaken naar Nederland te laten komen, onder de garanties die dat verdrag hem alsdan biedt.” 4.10. Het openbaar ministerie heeft ter terechtzitting van 22 mei 2000 als volgt gerepliceerd. "Die toezegging om geen dwangmiddelen toe te passen kan niet worden gedaan om de navolgende redenen. De raadsman heeft ongeclausuleerd om vrijwaring van de toepassing van dwangmiddelen gevraagd. In zijn eigen betoog heeft hij terecht al verwezen naar Verdragen die de Nederlandse Staat verplichten om gevolg te geven, aan verzoeken van andere Staten die aan de eisen in het Verdrag voldoen. De minister heeft daarom terecht, in algemene zin, gelet op die Verdragsverplichtingen, die toezegging niet KUNNEN doen. De discretionaire bevoegdheid waar Swart over spreekt richt zich n. op een andere problematiek die zich in deze casus niet voor doet en waar wij dus nu niet verder op in zullen gaan. B. Bij ons standpunt zoals geformuleerd op 15 mei 2000 hebben wij reeds aangegeven dat de minister van justitie, als vertegenwoordiger van een rechtstaat die zijn verdragsverplichtingen zal moeten nakomen, zonder kennis te hebben van de inhoud en de aard van een eventueel te ontvangen rechtshulpverzoek rechtens deze toezegging niet kan doen. Voor zover het rechtshulpverzoek niet op een verdrag is gebaseerd dient dit op grond van art. 552k lid 2 Sv op zijn redelijkheid te worden getoetst, dat wil zeggen dat ook hier niet op voorhand die vrijwaring van dwangmiddelen kan worden gegeven gelet op afwegingen van proportionaliteit en subsidiariteit. Tot slot nog een enkele opmerking over de visie van de raadsman over de uitleg van de relevante verdragen. Die visie delen wij niet. De volgende redenen kunnen daarvoor worden aangevoerd. Nog daargelaten welke betekenis aan een uitleveringsverzoek aan Nederland moet worden toegekend indien het, zoals in casu, om een niet ingezetene/nationaal gaat die zich niet meer in Nederland bevindt. Via een omweg stelt de raadsman eigenlijk voor dat Nederland het uitleveringsverzoek niet in behandeling zal nemen omdat Nederland dan eenvoudigweg de opgeëiste persoon niet meer kan uitleveren. Materieel zou dat dan op hetzelfde neerkomen. De raadsman miskent in zijn standpunt de in het internationaal verdragenrecht geldende uitleg van verdragen. In het Multilaterale verdrag van Wenen inzake de sluikhandel in verdovende middelen (enz) is de opdracht gegeven, als gevolg van de formulering in art. 7 van dit verdrag, dat aangesloten Staten die een bilateraal (of multilateraal) verdrag gaan sluiten op dit terrein moeten afspreken of zij in hun onderlinge relatie de mogelijkheden van art. 7 (lid 7, tweede volzin) in het leven willen roepen of juist niet. Het multilaterale verdrag van Wenen respecteert juist de uitdrukkelijke beslissing van verdrag- sluitende partijen om een en ander anders onderling te regelen. Dit sluit ook aan bij het Verdrag van Wenen inzake verdragenrecht (waarbij zowel Nederland als Suriname partij
- is)met name de artikel 30 lid 3 van het verdrag. Het zal uw Hof niet zijn ontgaan dat het bilateraal verdrag tussen Nederland en Suriname sterke gelijkenis vertoont met het Benelux-verdrag inzake uitlevering en wederzijdse rechtshulp in strafzaken, waarin de vrijgeleide wel is geregeld. Uit het feit dat dit Benelux-verdrag kennelijk als uitgangspunt van de besprekingen tussen Nederland en Suriname heeft gediend moet worden afgeleid dat Nederland en Suriname welbewust hebben afgezien van een voorziening als bedoeld in artikel 7 van het Verdrag van Wenen inzake de sluikhandel en art. 35 van genoemd Benelux-verdrag. Ook uit deze feiten en omstandigheden blijkt dat er geen steun kan worden gevonden voor de visie van de raadsman. Het OM heeft de maximaal mogelijke toezegging gedaan aan de verdachte om hier ter zitting in het kader van de waarheidsvinding te worden gehoord. Een verdergaande toezegging zoals door de raadsman thans ter zitting wordt gevraagd kan niet worden gedaan. Die toezegging is in strijd met het internationale recht en kan derhalve niet van de minister van justitie worden verlangd. Het is aan de verdachte de keuze, zoals wij eerder al hebben aangegeven, om te komen of door zijn raadsman de volledige verdediging ter zitting te laten voeren door hem een machtiging te verstrekken." 4.11. Ter terechtzitting van 22 mei 2000 heeft de verdediging bevestigd dat de verdachte niet naar Nederland komt teneinde ter terechtzitting van het hof te verschijnen. 4.12. De verdachte is ook sedertdien niet ter terechtzitting van het hof verschenen en het in de onderhavige zaak verleende verstek is onverminderd van kracht gebleven. Ook heeft de verdediging niet de wens te kennen gegeven dat de voorlopige hechtenis van de verdachte op enig moment met het oog op diens verschijning ter terechtzitting van het hof zou moeten worden geschorst. 4.13. Op het hof rust thans de, overigens door het hof aan zichzelf opgelegde verplichting, om, indien zou blijken dat de verdachte door toedoen van de Nederlandse overheid feitelijk geen tijdelijke vrijwaring van toepassing van dwangmiddelen heeft verkregen en hij om die reden ervan heeft afgezien ter terechtzitting in hoger beroep te verschijnen, te bezien of, en zo ja in welke mate, hieraan gevolgen behoren te worden verbonden. 4.14. Als eerste dient te worden beantwoord de vraag of de verdachte door toedoen van de Nederlandse overheid feitelijk geen tijdelijke vrijwaring van toepassing van dwangmiddelen heeft verkregen. 4.15. Volgens het hof dient het handelen van de Nederlandse overheid in dezen te worden getoetst aan het redelijkheidscriteriu Het hof zoekt in zoverre aansluiting bij het bepaalde in artikel 552k, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering dat onder meer bepaalt dat in gevallen waarin het betreft een redelijk verzoek - om rechtshulp - dat niet op een verdrag is gegrond, aan het verzoek wordt voldaan, tenzij de inwilliging in strijd is met een wettelijk voorschrift of met een aanwijzing van de Minister van Justitie. 4.16. De door het openbaar ministerie gestelde condities "tijdelijke vrijwaring van toepassing van dwangmiddelen", kort samengevat inhoudende, dat door of in opdracht van het openbaar ministerie geen eigen dwangmiddelen zullen worden toegepast en dat, ingeval door de verdachte tijdens de schorsing van de voorlopige hechtenis nieuwe strafbare feiten zouden worden gepleegd, door het openbaar ministerie aan het hof opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis zou worden verzocht, zijn door de verdediging niet bestreden en zijn ook als alleszins redelijk te typeren. Het spreekt vanzelf dat aan een verdachte geen tijdelijke vrijwaring van toepassing van dwangmiddelen kan worden gegeven, indien hij na aankomst in Nederland nieuwe strafbare feiten zou plegen. Door voorts de toepassing van dwangmiddelen in handen te geven van de rechter die over de strafzaak tegen de verdachte oordeelt, heeft het openbaar ministerie aan de verdachte ruim baan willen geven om ter terechtzitting van het hof te verschijnen. 4.17. Het hof onderschrijft voorts het standpunt van het openbaar ministerie dat door de Minister van Justitie geen toezegging in algemene zin kan worden gedaan om in geval van een rechtshulpverzoek ten aanzien van de verdachte tijdens de schorsing van de voorlopige hechtenis geen dwangmiddelen toe te passen. Ook in geval het toepasselijke verdrag niet tot toepassing van dwangmiddelen zou verplichten, kunnen zich met betrekking tot het verzoek om internationale rechtshulp, waaronder begrepen ook verzoeken om uitlevering, omstandigheden voordoen die in vergelijkbare gevallen aanleiding zouden geven om tot toepassing van dwangmiddelen over te gaan. Door onder dergelijke omstandigheden de toepassing van dwangmiddelen achterwege te laten zou Nederland niet alleen zijn uit het toepasselijke verdrag voortvloeiende verplichtingen niet nakomen doch ook in strijd handelen met het gelijkheidsbeginsel. 4.18. Het hof bevestigt nog eens de eerder ter terechtzitting van 10 december 1999 gegeven interpretatie van artikel 7 lid 7 van het Verdrag van de Verenigde Naties tegen de sluikhandel in verdovende middelen en psychotrope stoffen, Wenen, 20 december 1988 (Trb. 1989, 97), hierna te noemen het Sluikhandelverdrag, namelijk dat de regeling in artikel 7 lid 18 van het Verdrag inzake de vrijgeleide in het rechtsverkeer tussen Nederland en Suriname niet van toepassing is, nu tussen deze landen een bilateraal verdrag inzake wederzijdse rechtshulp (De Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname betreffende de uitlevering en rechtshulp in strafzaken, Gravenhage 27 augustus 1976, Trb. 1976, 143, 1981, 160 en 1983, 8, hierna te noemen de Overeenkomst, en het Protocol houdende bijzondere voorzieningen inzake evengenoemde Overeenkomst, ’s-Gravenhage, 18 mei 1993 (Trb. 1995, 84; in werking getreden op 28 februari 1995), van kracht is. De bij het Sluikhandelverdrag aangesloten Staten moeten ingevolge eerstgenoemd artikellid, indien zij bilateraal een Verdrag inzake wederzijdse rechtshulp in strafzaken sluiten, uitdrukkelijk overeenkomen om uitvoering te geven aan een of meer verzoeken genoemd in het achtste tot en met het negentiende lid van artikel 7 van het Verdrag. 4.19. Blijkens de toelichtende nota op de Overeenkomst (Tweede Kamer, zitting 1976-1977, 14 429 (R 1067) nr. 1, blz. 2) is "bij de opstelling van de overeenkomst zoveel mogelijk aansluiting gezocht aan het Beneluxverdrag aangaande de uitlevering en de rechtshulp in strafzaken van 27 juni 1962 (Trb. 1962, 97 en Bijl. Hand.II-8054) en is een groot aantal bepalingen uit dat verdrag overgenomen." De regeling inzake de immuniteit zoals opgenomen in artikel 35 van het Beneluxverdrag is in de Overeenkomst tussen Nederland en Suriname niet terug te vinden, zodat aangenomen moet worden dat door beide Staten van het maken van een dergelijke afspraak bij de totstandkoming van de Overeenkomst is afgezien. 4.20. Zoals reeds eerder overwogen heeft artikel 7 lid 18 van het Sluikhandelverdrag geen betrekking op verdachten. Indien de verdachte uitsluitend met het oogmerk om artikel 7 lid 18 van het Sluikhandelverdrag toepassing te doen vinden als "een andere persoon die zich bereid verklaart te getuigen in een proces of te helpen bij een onderzoek, vervolging of gerechtelijke procedure op het grondgebied van de verzoekende Partij" zou moeten worden aangemerkt, zou van deze bepaling een oneigenlijk gebruik worden gemaakt. 4.21. Het verzoek van de verdediging betreft derhalve een niet op enig verdrag gegrond verzoek. 4.22. De suggestie om Nederland en Suriname thans nog te doen overeenkomen om, al dan niet met overeenkomstige toepassing van artikel 7 lid 18 van het Sluikhandelverdrag, aan de verdachte een vrijgeleide te verschaffen, komt het hof onrealistisch voor, gelet op het totale gebrek aan medewerking van de Surinaamse Regering bij eerder door Nederland gedane rechtshulpverzoeken. Bovendien komt deze suggestie, na 's hofs tussenuitspraak van 10 december 1999, wel bijzonder laat. 4.23. Het antwoord op de vraag of de verdachte door toedoen van de Nederlandse overheid feitelijk geen tijdelijke vrijwaring van toepassing van dwangmiddelen is verleend luidt derhalve ontkennend. Aan de niet-verschijning van de verdachte ter terechtzitting van het hof behoren derhalve geen gevolgen te worden verbonden. 4.24. Tot op het laatste moment heeft de raadsman van de verdachte niet overeenkomstig het bepaalde in artikel 279, eerste lid, juncto artikel 415 van het Wetboek van Strafvordering verklaard dat hij door de verdachte uitdrukkelijk is gemachtigd om hem ter terechtzitting te verdedigen. 4.25. Ter terechtzitting van het hof zijn twee video-opnamen van interviews van de verdachte, opgenomen van het programma NOVA . 17 april 2000 (Band 1) en van het programma Antenne . 11 mei 2000 (Band 2), getoond. Q. Kouwenhoven, brigadier van politie in het regiokorps Haaglanden, heeft die interviews in een op 19 mei 2000 opgemaakt ambtsedig proces-verbaal woordelijk uitgewerkt (bijlage 0/AH/431). Dit proces-verbaal houdt onder meer in: "BAND 1 VRAAG Het moet U niet in Uw koude kleren gaan zitten dat er op die manier over U gesproken wordt. Heeft U niet de behoefte om eens een keer duidelijkheid van zaken te geven? ANTWOORD Waarom zou ik eh ... Holland moet duidelijkheid van zaken geven. Zij hebben hun dossiers opgemaakt. Ik heb eh ... ik heb eh ... daar geen boodschap aan. Enne.. ik wacht alleen maar wat eh .... ik wacht maar af wat er gaat gebeuren. Eh.. wij concentreren ons op de verkiezingen. Het is voor ons belangrijk. Eh ... ik luister naar wat het Surinaamse volk zegt en niet wat een of andere [betrokkene] of zo in mekaar heeft gedraaid. Ik bedoel, het is, het is zo doorzichtig. Alle mensen die zogenaamd cocaïne met me hebben gedaan in de loop der jaren van [betrokkene 1] tot meneer, tot [betrokkene 2] tot [betrokkene 3], die zijn eh ... die zijn plotseling in rook opgegaan. Nou, ik ben dus alleen achtergebleven dus eh..misschien gaat het voor mij ook in rook op, wie weet. BAND 2 OPMERKING H. BREEVELD .... en nu komen ook nog aanklachten, zijn klachten en zijn opsporing naar zijn mogelijke betrokkenheid bij cocaïne en dat zijn zaken die zijn naam niet goed doen. ANTWOORD Ik ben met de verkiezingen hier bezig. Ik heb.. ik weet... ik snap het niet. Denk je dat ik me stoor aan dat ehh... aan die kiekeboe daar. Ik heb daar geen zin in. Dus je kunt me de hele dag vragen. Ik dacht dat je zou vragen: loopt de verkiezingen hier? Wanneer ga je naar het binnenland? Wanneer bereik je Commolasomoto (fon)? Dat.. die toestand daarzo, dat komt echt wel goed." 4.26. Het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) heeft in zijn arrest van 23 februari 1999, NJ 1999, 641, in de zaak De Groot tegen Nederland onder meer het volgende overwogen: “The Court recalls that the right of an accused person to participate in person in the trial is a fundamental element of a fair trial (). An accused may waive the exercise of this right, but to do so he must have received notification in person and his decision not to appear or not to defend himself must be established in a unequivocal manner (). Furthermore, even where an appeal court has full jurisdiction to review a case on questions of fact and law, Article 6 of the Convention does not always require an absolute right for the accused to be present in person. In assessing this question regard must be had, inter alia, to the special features of the proceedings involved and the manner in which the defence’s interest were presented and protected before the appellate court, particularly in the light of the issues to be decided by it ().” 4.27. De verdachte heeft zijn raadsman, mr. Moszkowicz, uitdrukkelijk gemachtigd om tegen het vonnis van de rechtbank hoger beroep in te stellen. Hij was er dus van op de hoogte dat een behandeling van zijn strafzaak in hoger beroep zou plaatsvinden. De verdachte heeft vervolgens zijn raadsman tijdens de behandeling van zijn strafzaak in hoger beroep niet uitdrukkelijk gemachtigd om namens hem de verdediging te voeren. Niettemin heeft zijn raadsman feitelijk, binnen de hem als niet-gemachtigde raadsman gestelde grenzen, wel de verdediging gevoerd, weliswaar niet uitdrukkelijk namens de verdachte maar dan toch in ieder geval ten behoeve van de verdachte. Het hof heeft bij het opleggen van beperkingen aan de niet-gemachtigde raadsman van de verdachte bij het voeren van de verdediging steeds voor ogen gehouden of ten gevolge van die beperkingen nog wel sprake zou zijn van een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM en of de afwezigheid van de verdachte door de wijze waarop de verdediging door de niet-gemachtigde raadsman is gevoerd wel in voldoende mate is gecompenseerd. De verdachte heeft zich voorts openlijk via de media over de behandeling van het hoger beroep in Nederland uitgelaten. Zo heeft hij op gestelde vragen geantwoord: "Waarom zou ik eh ... Holland moet duidelijkheid van zaken geven. Zij hebben hun dossiers opgemaakt. Ik heb eh ... ik heb eh ... daar geen boodschap aan. Enne.. ik wacht alleen maar wat eh .... ik wacht maar af wat er gaat gebeuren." en "Denk je dat ik me stoor aan dat ehh... aan die kiekeboe daar. Ik heb daar geen zin in." en daarmee zijn desinteresse in de lopende behandeling van zijn strafzaak in hoger beroep openlijk tentoongespreid. Niet gebleken is bovendien dat de verdachte in de richting van de Surinaamse autoriteiten initiatieven heeft ontwikkeld, waaruit de Surinaamse Regering heeft kunnen - en misschien in het kader van het vigerende Rechtshulpverdrag ook moeten - afleiden dat hij prijs stelt op en belang heeft bij voldoening door de Surinaamse autoriteiten aan het verzoek van de rechter-commissaris om hem in Suriname te doen horen. Tenslotte is de verdachte in weerwil van het feit dat het openbaar ministerie aan zijn verschijning ter terechtzitting van het hof gedurende de periode waarin zijn voorlopige hechtenis zou worden geschorst alleszins redelijke voorwaarden heeft gesteld, niet ter terechtzitting van het hof verschenen. 4.28. Onder deze bijzondere omstandigheden behoefde het bepaalde in artikel 6 EVRM het hof er niet van te weerhouden om, niettegenstaande het ontbreken van een uitdrukkelijke afstandsverklaring van de verdachte van zijn aanwezigheidsrecht, de behandeling van het hoger beroep buiten zijn aanwezigheid voort te zetten en tenslotte ook te beëindigen. 5. De positie van de niet-gemachtigde raadsman 5.1. Ter terechtzitting van het hof van 9 december 1999 heeft het hof met het oog op een ordelijk en doelmatig verloop van dit strafproces nadere regels gegeven met betrekking tot de positie van de niet-gemachtigde raadsman van de verdachte. Ook nadat het hof die regels heeft vastgesteld, heeft de verdachte zijn raadsman niet uitdrukkelijk gemachtigd om namens hem de verdediging te voeren. Het hof verwijst naar de voor deze jurisprudentiële regeling gegeven motivering en vindt in hetgeen de verdediging bij pleidooi hieromtrent naar voren heeft gebracht geen aanleiding om zijn zienswijze hieromtrent te heroverwegen. 5.2. Nu de regeling inzake de gemachtigde raadsman, waardoor de procedure geacht wordt als op tegenspraak te zijn gevoerd (art. 279, eerste lid, Sv), nog zo kort geleden, te weten op 1 februari 1998, in werking is getreden (Stb. 1998, 34), en in aanmerking genomen dat die regeling ertoe strekt de nadelen van de verstekprocedure weg te nemen zonder dat afbreuk wordt gedaan aan de eisen van een eerlijk proces zoals neergelegd in artikel 6 EVRM, heeft het hof zich niet vrij geacht genoemde regeling geheel buiten toepassing te laten en vervolgens ook de niet-gemachtigde raadsman in staat te stellen een in alle opzichten volledige verdediging te voeren. Bij een recent totstandgekomen wettelijke regeling past een terughoudende opstelling van de rechter. 5.3. Dat, zoals de raadsman betoogt, de praktijk thans een derde situatie kent, waarin de raadsman de niet aanwezige verdachte wil bijstaan, doet hieraan niet af. Juist in deze omvangrijke en ingewikkelde zaak doen de nadelen van de verstekprocedure zich gevoelen, bij voorbeeld ingeval een vordering tot wijziging van de tenlastelegging zou zijn gedaan of ingeval het onderzoek ter terechtzitting wordt geschorst. Als het hof dan vervolgens een "eigentijdse" lezing van het begrip "dag der terechtzitting" hanteert, wordt het hof door de raadsman tegengeworpen dat de verdachte bij iedere schorsing opnieuw had moeten worden opgeroepen! 5.4. Het hof heeft ervoor gekozen om de nieuwe regeling verdragsconform uit te leggen in dier voege dat de regeling geen gebod tot het niet laten verdedigen bevat. Het hof verwijst in dit verband naar de afscheidsrede van mr. K. Martens, oud-president van de Hoge Raad, gepubliceerd in het Nederlands Juristenblad van 7 april 2000, blz. 747-758, die onder meer stelt (blz. 750): “Buiten toepassing laten resulteert immers in leemte. Daarom zal de rechter er vaak niet komen met buiten toepassing laten, maar zal hij de leemte noodgedwongen moeten opvullen met een regel van eigen makelij. Soms kan de rechter daarbij terugvallen op extensieve interpretatie van andere wettelijke regels, maar niet zelden, zo leert de ervaring, zal hij bij dat opvullen genoodzaakt zijn tussen verschillende mogelijke oplossingen te kiezen.” en “Naarmate meer met succes een beroep wordt gedaan op het EVRM groeit het aantal gevallen waarin de rechter recht moet vormen”. 5.5. De consequenties van de door de raadsman genoemde arresten in de zaken Lala en Pelladoah zijn reeds in de memorie van toelichting bij de voorgestelde regeling besproken (Tweede Kamer, vergaderjaar 1995-1996, 24 692, nr. 3, blz. 12-14). Aangenomen al dat de uitspraken van het EHRM in deze zaken erop zouden wijzen dat de raadsman zijn afwezige cliënt volledig moet kunnen verdedigen, ook als deze er bewust voor kiest niet ter terechtzitting te verschijnen, hetgeen niet zonder meer vaststaat omdat het toen geldende Nederlandse recht niet de mogelijkheid kende om een raadsman uitdrukkelijk te machtigen tot het voeren van de verdediging en derhalve ook in die situatie niet zonder meer kan worden gesproken van een “misplaatste formalistische voorwaarde”, heeft de wetgever bij de toetsing van die regeling het primaat. Het primaat van de wetgever is een van de grondregels van de democratische rechtsstaat. De rechter zal daarom als uitgangspunt moeten aanhouden dat die keuze wordt geëerbiedigd. Indien de raadsman ook zonder uitdrukkelijke machtiging de volledige verdediging zou mogen voeren, zou het bepaalde in artikel 279, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering praktisch zinledig zijn. 5.6. Gesteld voor de keuze verdedigen of niet verdedigen heeft het hof gekozen voor verdedigen, met dien verstande dat inzake de vraag of aan alle eisen van een eerlijk proces is voldaan pas bij het eindarrest de balans wordt opgemaakt. Het hof heeft beslist dat de raadsman wèl in de ruimste zin het woord mag voeren doch geen rechtshandelingen, zoals het geven van in- of toestemming, mag verrichten en ook geen rechterlijke beslissingen mag uitlokken. Hij mag spreken doch niet zelfstandig meeprocederen. Onder het woord voeren dient volgens het hof in het algemeen te worden verstaan: het voeren van verweren, preliminair en na het requisitoir, het stellen van vragen aan ter terechtzitting verschenen getuigen en deskundigen en het maken van opmerkingen over de in acht genomen vormen en al hetgeen met betrekking tot de zaak op de terechtzitting voorvalt. 5.7. Het aan de niet uitdrukkelijk gemachtigde raadsman onthouden van het recht om rechterlijke beslissingen uit te lokken, zoals bij voorbeeld het doen van verzoeken om bepaalde getuigen of deskundigen te horen, behoeft niet te betekenen dat die getuigen of deskundigen ook niet zullen worden opgeroepen. De raadsman is immers bevoegd om de wens uit te spreken dat die getuige of deskundige door het hof zal worden gehoord en het hof kan die wens honoreren. Alleen van een verplichting van het hof om op ieder verzoek van een niet uitdrukkelijk gemachtigde raadsman direct gemotiveerd te beslissen kan geen sprake zijn. Die motivering kan ook in een later stadium, bij voorbeeld bij het eindarrest, worden gegeven, als het hof, alvorens ten gronde te beslissen, de vraag onder ogen ziet of het strafproces fair was en de verdachte zich behoorlijk heeft kunnen verdedigen. Aldus wordt voorkomen dat de raadsman niet slechts het woord voert, maar ook allerlei rechtshandelingen verricht en zich aldus als procesdeelnemer presenteert, terwijl hij - bij herhaling - verklaart door de verdachte niet uitdrukkelijk te zijn gemachtigd om hem te verdedigen. Het hof heeft deze lijn tijdens het proces vastgehouden. Waar het hof dit noodzakelijk voorkwam, heeft het hof de uitgesproken wens van de raadsman om stukken over te leggen of getuigen op te roepen gehonoreerd en ambtshalve gebruik gemaakt van de aan het hof krachtens de wet toekomende bevoegdheden. Waar dat niet het geval was, heeft het hof gemotiveerd uiteengezet waarom aan de uitgesproken wens niet zou worden voldaan. Dat heeft gegolden voor alle wensen die de raadsman heeft geuit. Het hof heeft voorts bij alle beslissingen de raadsman vooraf gehoord en rekening gehouden met de door hem ingebrachte bezwaren. Een uitzondering is gemaakt voor de grote hoeveelheid getuigen die de raadsman van de verdachte voorafgaande aan de terechtzitting van 9 december 1999 heeft opgegeven en wier oproeping door het hof niet is gelast. Het hof zal die beslissing thans, voor zover van belang, in het vervolg van dit arrest nog motiveren. 5.8. De stelling dat de verdachte door de aan de niet-gemachtigde raadsman gestelde beperkingen is benadeeld en zelfs in de woorden van de raadsman “door een ernsti-ge inbreuk te ma-ken op het verdragsrechtelijk gegarandeerde begin-sel van “equality of arms” wordt door het hof niet onderschreven. Nog daargelaten dat de verdachte te allen tijde de gelegenheid heeft gehad om door een uitdrukkelijke machtiging ook de iure de “equality of arms” te realiseren, is van “een beetje verdedigen” naar ‘s hofs oordeel tijdens de behandeling van het hoger beroep nimmer sprake geweest. De facto heeft het hof de raadsman steeds een volledige verdediging gegund, zij het dat de motivering van sommige beslissingen van het hof tot het eindarrest is uitgesteld. 5.9. Het hof laat thans in het midden of er nu wel of niet sprake is geweest van een bewuste processtrategie van de raadsman van de verdachte. Ten tijde van ’s hofs beslissing van 22 december 1999 heeft het hof dit uit een aantal alstoen genoemde omstandigheden afgeleid. De raadsman stelt nu -als mogelijk scenario- dat hij zich op 21 augustus 1997 als gekozen raads-man van de verdachte heeft gesteld en dat de verdachte rond die tijd en dus vóór de inwerkingtreding van de regeling inzake de gemachtigde raadsman met hem een onderhoud heeft gehad, waarin de verdachte hem op-dracht heeft gegeven al hetgeen te doen hem in zijn belang dienstig zou lijken. Uit zijn verdere betoog moet het hof afleiden dat -in dit scenario- de regeling van de uitdrukkelijke machtiging in het verdere verloop van dit strafproces niet ter sprake is gekomen, omdat de raadsman eenvoudigweg geen contact met de verdachte heeft gehad. Het hof mocht het tegendeel niet uit allerlei omstandigheden afleiden, zo stelt de raadsman. Het hof wil dit zonder meer aannemen, een raadsman wordt immers op zijn woord geloofd, doch onbegrijpelijk blijft voor het hof waarom de raadsman niet, indien hem door de verdachte de opdracht is gegeven al hetgeen te doen hetgeen hem in zijn belang dienstig zou lijken, geen contact met de verdachte heeft opgenomen ten einde hem in kennis te stellen van een wettelijke regeling waarin de door de verdachte gegeven opdracht niet zou voorzien. Dat openbaring van het resultaat van dit contact de vertrouwensrelatie tussen raadsman en verdachte zou raken, vermag het hof niet in te zien. Overigens zou naar ’s hofs oordeel uit de gegeven opdracht om al hetgeen te doen hetgeen hem in zijn belang dienstig zou lijken een uitdrukkelijke machtiging om de verdachte te verdedigen kunnen worden afgeleid, althans behoeft een nadere uitleg waarom de raadsman die opdracht anders heeft opgevat en daarover geen contact met zijn cliënt heeft opgenomen. 5.10. Het verzoek van de verdediging om het onderzoek ter terechtzitting opnieuw aan te vangen, waarbij de verdediging alsnog in de gelegenheid zal worden gesteld alle haar toekomende verdedigingsrechten in volle omvang te effectueren, wijst het hof mitsdien af. 6. Beoordeling van de vonnissen De vonnissen waarvan beroep kunnen niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt. 7. De partiële nietigverklaring van de inleidende dagvaarding in de zaak met parketnummer 0975408797 7.1. Ter terechtzitting van 22 december 1999 heeft het hof ten aanzien van de partiële nietigverklaring van de dagvaarding in de zaak met parketnummer 0975408797 het volgende overwogen: “De rechtbank heeft in het vonnis waarvan beroep de inleidende dagvaarding ten aanzien van onderdeel 6 van het onder 1 tenlastegelegde feit nietig verklaard, aangezien dat onderdeel van de dagvaarding onvoldoende feitelijk zou zijn omschreven. Een dergelijke partiële nietigverklaring van de inleidende dagvaarding is toelaatbaar als na de nietigverklaring van het betreffende onderdeel van de tenlastelegging het resterende gedeelte nog hetzelfde strafbare feit als tevoren inhoudt. Vgl. HR 14 april 1987, NJ 1988, 171 en HR 3 mei 1994, NJ 1994, 565. Dat is hier het geval. Bij de beoordeling van de geldigheid van een tenlastelegging dient naar 's hofs oordeel de gehele tenlastelegging in al haar aspecten te worden bezien en dienen tevens de bedoelingen die de steller van de tenlastelegging daarbij heeft gehad mede in ogenschouw te worden genomen. Een tenlastelegging is in beginsel geldig, indien daarin een voldoende duidelijke feitelijke omschrijving, inclusief vermelding van tijd en plaats, van het strafrechtelijk vervolgde gebeuren is opgenomen. In de onderhavige tenlastelegging sub 1 wordt de verdachte - voor zover hier van belang - verweten te hebben deelgenomen aan een organisatie die tot oogmerk had het telkens opzettelijk invoeren binnen het grondgebied van Nederland van cocaïne en/of het plegen van voorbereidingshandelingen tot een dergelijk feit. De steller van de tenlastelegging heeft in de onderdelen 1 tot en met 5 van die tenlastelegging een viertal invoeren en een poging tot invoer nader in tijd, plaats en hoeveelheid cocaïne gespecificeerd. Van de steller van een tenlastelegging terzake van een misdrijf als omschreven in artikel 140, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht kan in redelijkheid niet worden gevergd dat reeds in de tenlastelegging alle invoeren van cocaïne waarmee de organisatie zich in zijn ogen heeft beziggehouden naar tijd, plaats en hoeveelheid ingevoerde cocaïne nauwkeurig worden omschreven. Onder omstandigheden kan de steller van een dergelijke tenlastelegging aan het slot van de tenlastelegging volstaan met de meer algemene omschrijving dat de beweerde organisatie zich ook nog met andere, naar tijd, plaats en hoeveelheid ingevoerde cocaïne nog niet nader te specificeren, invoeren van cocaïne dan wel voorbereidingshandelingen ter zake van een dergelijk feit heeft ingelaten. Het is niet ondenkbaar dat een dergelijke wijze van tenlasteleggen voor de verdachte voldoende duidelijk is en voldoende aanknopingspunten voor zijn verdediging biedt. Ook het onderzoek ter terechtzitting strekt er immers mede toe om feiten aan het licht te brengen die het strafrechtelijk vervolgde gebeuren verduidelijken. Het hof zal dus dienen te onderzoeken of de verdachte geacht kan worden de aard en strekking van de in onderdeel 6 van het onder 1 tenlastegelegde feit verweten gedragingen te hebben begrepen, en, in geval van een ontkennend antwoord, in hoeverre de verdachte geacht kan worden hierdoor in zijn verdediging te zijn geschaad. De in onderdeel 6 genoemde periode en plaats, althans voor wat betreft Zuid-Amerika, zijn in het licht van de daaraan voorafgaande onderdelen 1 tot en met 5 van die tenlastelegging op het eerste gezicht ook niet zodanig ruim dat niet meer gezegd kan worden dat sprake is van een voldoende feitelijke omschrijving. Gelet op het voorgaande ziet het hof geen aanleiding om het hoger beroep niet op de grondslag van de gehele tenlastelegging te behandelen. Een eventuele terugverwijzing van de zaak naar de rechtbank op de voet van het bepaalde in artikel 423, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering is niet aan de orde. Nu de rechtbank tot een bewezenverklaring van het resterende gedeelte van het onder 1 tenlastegelegde is gekomen, kan immers niet worden gezegd dat de hoofdzaak niet door de rechtbank is beslist. Zie HR 19 mei 1992, NJ 1992, 655. Over de uiteindelijke geldigheid van onderdeel 6 van het onder 1 tenlastegelegde feit zal het hof in het eindarrest een beslissing nemen.” 7.2. De steller van de tenlastelegging heeft kennelijk het oog gehad op een criminele organisatie, die zich in steeds wisselende samenstellingen rondom de verdachte bezighield met de invoer, althans voorbereidingshandelingen tot de invoer, vanuit Zuid-Amerika van cocaïne binnen het grondgebied van Nederland. Personen als [medeverdachte 1], [betrokkene 3] en [medeverdachte 2] zijn kennelijk in de tenlastelegging opgenomen, omdat in de ogen van de steller ervan althans tenminste één van hen als deelnemer aan de criminele, voor een van de in de onderdelen 1 tot en met 5 van de in de dagvaarding onder 1 tenlastegelegde genoemde cocaïnetransporten verantwoordelijke, organisatie kon worden aangewezen. Ten aanzien van de deelnemers aan de criminele organisatie rondom de verdachte, die zich bezighield met andere in de tenlastgelegde periode georganiseerde of voorbereide cocaïnetransporten, was dat ten tijde van de opstelling van de tenlastelegging nog niet het geval. Zoals het hof eerder heeft overwogen, kon een nauwkeuriger vermelding van de deelnemers aan de organisatie die voor die transporten verantwoordelijk was in redelijkheid niet van het openbaar ministerie worden verlangd. 7.3. Ten tijde van de behandeling van de zaak in hoger beroep is niet aannemelijk geworden dat de verdachte de aard en strekking van de in onderdeel 6 van het onder 1 tenlastegelegde feit verweten gedragingen niet heeft begrepen dan wel anderszins door de redactie van dit onderdeel van de tenlastelegging in zijn verdediging is geschaad. 7.4. Anders dan de verdediging betoogt, kan onderdeel 6 van het onder 1 tenlastegelegde feit niet als een "vangnetfeit" worden aangemerkt. De in dat onderdeel aan de verdachte verweten gedragingen hebben in de tenlastelegging een geheel zelfstandige betekenis. 7.5. Strijdigheid van de tenlastelegging met het bepaalde in artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering doet zich volgens het hof alleen voor voorzover in onderdeel 6 de woorden: “althans het buitenland” voorkomen. Deze woorden acht het hof te vaag en te onbepaald. Alleen in zoverre kan de partiële nietigverklaring van de inleidende dagvaarding door de rechtbank in stand blijven. 8. Het rechtsmachtgeschil en de schorsing van de vervolging 8.1. De raadsman stelt dat ’s hofs beslissing van 15 december 1999 op onjuiste gronden is genomen en tot heroverweging daarvan moet worden gekomen. Zijn conclu-sie is dezelfde als in december 1999 geformuleerd, te weten dat aan het proces in eerste aanleg de substantiële nietigheid kleeft en dat om die reden de zaken dienen te worden ver-wezen naar de rechtbank. 8.2. De conclusie van het hof is eveneens dezelfde als die welke op 15 december 1999 is geformuleerd, namelijk dat voor een substantiële nietigheid van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg geen goede grond bestaat. Het hof verwijst naar de in het proces-verbaal van de terechtzitting van 15 december 1999 gegeven motivering. Deze motivering luidt, kort samengevat, als volgt. Als er sprake zou zijn van een schorsing van de vervolging, dan zou deze in ieder geval zijn geëindigd op 27 mei 1999, de dag waarop de Hoge Raad het cassatieberoep van de verdachte tegen de beslissing van dit hof in het rechtsmachtgeschil heeft verworpen. Het gebod van schorsing van de vervolging is niet absoluut. Gelet op de wetsgeschiedenis is er ruimte voor belangenafweging. Het ging hier om een ingewikkelde zaak, voor de behandeling waarvan de rechtbank reeksen van zittingsdagen had uitgetrokken. Het is de duidelijke bedoeling van de wetgever geweest om een procedure te creëren waarbij de behandeling van de strafzaak zo min mogelijk zou worden vertraagd. Lichtvaardige verzoeken moesten voorts worden voorkomen. Er bestond geen enkele reële grond om aan te nemen dat er een gevaar bestond voor tegenstrijdige uitspraken en dubbele bestraffing van de verdachte. Onder deze bijzondere omstandigheden mocht naar ’s hofs oordeel, gelet op de aan een schorsing van de vervolging verbonden consequenties voor de behandeling van de zaak, aan de kennisgeving in deze zaak schorsende werking van de vervolging worden onthouden en kan niet worden gezegd dat ten onrechte een aanvang met de behandeling is gemaakt, ten onrechte verstek is verleend en ten onrechte de zaak is verwezen naar de rechter-commissaris voor het horen van getuigen. Anders gezegd: de beslissing van de raadsman van de verdachte om, sprekend met zijn eigen woorden, de eerste aanleg over te slaan, ook al meende hij daarvoor goede gronden te hebben, behoorde onder de door het hof geschetste omstandigheden voor zijn risico te komen. Bovendien, en ook op die grond steunt de beslissing van het hof, heeft deze beslissing geen aantoonbaar nadeel voor de verdachte veroorzaakt. In hetgeen de raadsman van de verdachte bij pleidooi hieromtrent naar voren heeft gebracht, vindt het hof geen aanleiding om zijn zienswijze hieromtrent te heroverwegen. Anders dan de raadsman kennelijk veronderstelt, gaat het niet uitsluitend om de vraag of de rechtbank terecht de schorsende werking aan de kennisgeving van de indiening van het verzoek-schrift heeft ontzegd, maar tevens en niet in de laatste plaats om de vraag of de ontzegging van de schorsende werking aan die kennisgeving tot nietigheid van het gehele onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg zou moeten leiden en vervolgens ook nog om de vraag of het aan het onderzoek ter terechtzitting klevende gebrek zo fundamenteel is dat terugverwijzing moet volgen en dat gebrek niet in hoger beroep kan worden hersteld. Het hof beantwoordt beide vragen ontkennend. Noch voor nietigverklaring van het onderzoek in eerste aanleg noch voor terugverwijzing van de zaak naar de rechtbank ten einde deze opnieuw te behandelen bestaat derhalve goede grond. 9. Het rechtsmachtgeschil en de hernieuwde oproeping van de verdachte 9.1. De raadsman stelt dat het hof, in het feit dat de rechtbank de verdachte ten onrechte - want met veronachtzaming van het bepaalde in de artikelen 258, 277, 281, 316 en 319 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering - na het uitbrengen van de inleidende dagvaarding nimmer opnieuw heeft doen oproepen, aanleiding had moeten vinden om de zaak naar de rechtbank terug te verwijzen. Het hof verwijst ook met betrekking tot dit verzoek tot heroverweging van een reeds genomen beslissing naar de in het proces-verbaal van de terechtzitting van 15 december 1999 gegeven motivering. Ook hier geldt dat in hetgeen de raadsman van de verdachte bij pleidooi hieromtrent naar voren heeft gebracht het hof geen aanleiding vindt om zijn zienswijze hieromtrent te heroverwegen. 9.2. Het hof volstaat hier met de opmerking dat, nu de raadsman zelf meende op goede gronden de eerste aanleg te kunnen overslaan en tijdens het gehele strafproces geen enkel teken is waargenomen dat wees op de onvoorwaardelijke bereidheid van de verdachte om ter terechtzitting te verschijnen, ieder rechtens te respecteren belang bij de nakoming van de door de raadsman genoemde vormvoorschriften ontbreekt. 9.3. Ook dit verweer, dat er volgens de verdediging toe zou moeten leiden dat de zaak alsnog wordt terugverwezen naar de rechtbank, wordt verworpen. 10. Optisch bedrog? 10.1. Ter terechtzitting van het hof van 31 maart 2000 heeft het hof onder meer het volgende overwogen: "Aan ons wettelijk stelsel ligt het opportuniteitsbeginsel ten grondslag. Het begrip “zaak” tijdens een opsporingsonderzoek is een ander begrip zaak dan het begrip zaak waarop onder meer artikel 258 Sv doelt. Wat bij de aanvang van de vervolging onder het begrip zaak valt, wordt bepaald door de tenlastelegging. Vanuit dit vertrekpunt constateert het hof het volgende. Het hof constateert allereerst dat in de zaak tegen [betrokkene 4] (parketnr 09/00406794) door dit hof in een andere samenstelling op 12 juni 1996 arrest is gewezen. Het hof constateert voorts dat het aan [betrokkene 4] voornoemd tenlastegelegde feit als omschreven in artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht betrekking heeft op een andere periode dan waarop het aan de verdachte [verdachte] onder 1 tenlastegelegde feit doelt. Bij de vraag of er bij deelneming aan een criminele organisatie sprake is van het gebruik van onoorbare opsporingsmethoden is slechts van belang of die onoorbare opsporingsmethoden zijn gebezigd in het kader van deelneming aan de criminele organisatie zoals die in de tenlastelegging is omschreven. Het enkele feit dat onderzoek in de zaak [betrokkene 4] in de bewoordingen van de raadsman een “Copa III gerelateerd onderzoek” is, brengt nog niet mee dat ook thans onderwerp van onderzoek behoort te zijn, waarom die zaak niet op de aan de verdachte [verdachte] uitgebrachte tenlastelegging voorkomt. Over de oorbaarheid van de gebezigde opsporingsmethoden in de zaak [betrokkene 4] is door dit hof in een andere samenstelling onherroepelijk beslist. In de onderhavige zaak is slechts relevant, of de in de zaak [betrokkene 4] gebezigde opsporingsmethoden ook hier zijn gebruikt." 10.2. De raadsman voert aan "dat het Openbaar Ministerie optisch een zaak aan de rechter heeft voorgelegd die tot de conclusie zou moeten leiden dat er rechtmatig is opgespoord in al die zaken, terwijl in feite in het opsporingsonderzoek onrechtmatig is opgespoord, maar dat bewust aan het oordeel van de rechter in de zaak [verdachte] is onttrokken". 10.3. Dit verweer zou het hof aanleiding moeten geven tot een gehele althans partiële niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in zijn vervolging, dan wel tot een gehele althans partiële bewijsuitsluiting. Mochten deze verweren niet slagen, dan verzoekt de raadsman het hof het open-baar ministerie te verzoeken de methodieken uit alle COPA-zaken in kaart te brengen. 10.4. De zaaksofficier van justitie mr. Ch.V. van der Voort heeft op 27 maart 2000 ter terechtzitting van het hof -zakelijk weergegeven- het volgende verklaard. [betrokkene 4] was een persoon uit het middle-management in Suriname die met toestemming van de legerleiding handelde. Er heeft in die zaak een doorlevering plaatsgevonden. Er heeft in die zaak infiltratie plaatsgevonden. Ik heb in die zaak contact gehad met Engelse opsporingsdiensten. 10.5. Mr. Ch.V. van der Voort heeft voorts op 4 april 2000 ter terechtzitting van het hof op gestelde vragen -zakelijk weergegeven- het volgende verklaard. De voorzitter: In januari 1994 wordt het gerechtelijk vooronderzoek tegen [betrokkene 4] geopend en op 4 mei 1994 het gerechtelijk vooronderzoek tegen [verdachte]. De periode van deelneming aan de criminele organisatie ex artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht in de vordering gerechtelijk vooronderzoek in de zaak [verdachte] liep tot maart 1994; daarvan is later een stukje afgevallen, waarom is die periode in de tenlastelegging inzake [verdachte] ingekort? De getuige: Dat weet ik niet, ik heb de tenlastelegging niet gemaakt. Ik heb wel de nadere vorderingen gerechtelijk vooronderzoek gemaakt. De voorzitter: Heeft de zaak [betrokkene 4] op enigerlei wijze te maken gehad met de inkorting van de periode op de tenlastelegging, bij voorbeeld in verband met de gebruikte opsporingsmethoden? De getuige: Achteraf bezien is er in de periode van de gerechtelijke vooronderzoeken van [betrokkene 4] en [verdachte] een gedeeltelijke overlap, maar zij hielden geen enkel verband met elkaar, noch bleek van betrokkenheid van [verdachte] bij enig transport inzake [betrokkene 4]. De voorzitter: Is er geen verband tussen [verdachte] en de criminele organisatie in de zaak [betrokkene 4]? De getuige: Nee, daar hoorde [verdachte] absoluut niet bij; wel personen om hem heen. Op enig moment heeft [betrokkene 4] via het tactisch koppel een gesprek met mij gevraagd. Dat was het eerste moment waarop hij over [verdachte] sprak. Ik had echter niet de overtuiging van authenticiteit van zijn verklaring. De voorzitter: Zijn doorlevering en infiltratie alleen inzake [betrokkene 4] toegepast of zijn deze opsporingsmethoden ook in andere zaken gebruikt? De getuige: Nee. De voorzitter: En er was verder geen aanknoping met de persoon van [verdachte], dan alleen via de uitlating van [betrokkene 4] zelf? De getuige: Ja. De voorzitter: De inkorting van de periode in de tenlastelegging van [verdachte] heeft dus niet te maken met de zaak [betrokkene 4]? De getuige: Nee, deze zaak speelde daarbij geen rol; er is geen bewijs uit de zaak [betrokkene 4] gebruikt in de zaken [verdachte], [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2]. De voorzitter: Maar die zaak heeft wel aanleiding gegeven tot vervolging van anderen binnen de legerleiding? De getuige: Nee, het enige waartoe die zaak diende was om de gezagsdragers te laten zien dat de cocaïnehandel uit Suriname nog doorging; het heeft niet geleid tot enige strafvorderlijke beslissing. Mr. Moszkowicz: Is in relatie met de zaak [verdachte] aan de Minister van Justitie duidelijk gemaakt dat in de zaak [betrokkene 4] een infiltratietraject liep? De getuige: Inzake [betrokkene 4] is dat duidelijk gemaakt; ook aan de Minister van Justitie. Aan PG Sorgdrager is inzake [betrokkene 4] toestemming gevraagd voor de doorlevering. Mr. Moszkowicz: Is daarbij een relatie gelegd met het onderzoek naar [verdachte]? De getuige: Nee, met de legerleiding. Er was een relatie tussen de legerleiding en [verdachte]. Als ik mij goed herinner is in overleg met de procureur-generaal mr. Sorgdrager de voortgang van Copa besproken en in de marge van die bespreking heeft zij met mr. Blok over een andere kwestie, namelijk [betrokkene 4], gesproken. De voorzitter: Is bij het gebruik van de bijzondere opsporingsmethoden in de zaak [betrokkene 4] aan de orde geweest of die inzet consequenties zou hebben voor beslissingen inzake [verdachte]? De getuige: Nee. Mr. Moszkowicz: Is dat niet besproken? De getuige: Niet waar ik bij was. Mr. Moszkowicz: Heeft u er uit eigen wetenschap kennis van dat het besproken is waar u niet bij was? De getuige: Nee. Mr. Moszkowicz: Is de zaak [betrokkene 4] op enigerlei wijze van invloed geweest op de tijdspanne van de effectieve vervolging van [verdachte] en op de samenstelling van het dossier [verdachte]? De getuige: Nee. De zaak was alleen bewijstechnisch van belang; ik bedoel daarmee, als er bewijs uit kwam dan was het zeker bijgevoegd; de zaak heeft geen bewijs opgeleverd voor de zaak [verdachte]. De voorzitter: Heeft de zaak [betrokkene 4] in ontlastende zin iets opgeleverd? De getuige: Ik heb het niet gezien. Het was niet belastend en niet ontlastend. Er is maar een zaak met een gesloten traject en dat is [betrokkene 4]. De voorzitter: Als de zaak [betrokkene 4] wat opgeleverd had, was dat dan bijgevoegd? De getuige: Ja. De voorzitter: Het gesloten CID-traject heeft dat als enige inzake [betrokkene 4] gespeeld? De getuige: Ja. 10.6. Mr. E.D. Harderwijk, opsteller van de tenlastelegging en vertegenwoordiger van het openbaar ministerie bij de behandeling van de zaak in eerste aanleg, heeft op 28 maart 2000 ter terechtzitting van het hof -zakelijk weergegeven- verklaard. Volgens mij is in de zaak [betrokkene 4], die wel viel onder de algemene doelstelling, nooit een beslissing genomen om die zaak erbij te halen en later te laten afvallen. Er was onvoldoende aanwijzing voor een verband tussen de zaak [betrokkene 4] en [verdachte]. Die zaak is nooit bijgevoegd en dus ook nooit afgevallen. (..) Vraag: Plaatst u [betrokkene 4] binnen de organisatie van [verdachte]? Antwoord: Dat zou kunnen, maar daar is geen bewijs voor, anders dan een getuige die dat zegt. [Betrokkene 4] heeft er nooit bijgezeten en is dus ook niet afgevallen. Voor zover ik weet is dat niet gebeurd, het afvallen op basis van gebruikte opsporingsmethoden. De belangrijkste reden zit in de concrete transporten, daarom is het beperkt tot die periode en deels is de periode ingekort in verband met de verjaring; verder waren er geen concrete transporten. De beperking in tijd in 1994 heeft niets te maken met de zaak [betrokkene 4], dat is geen overweging geweest. Ik was de enige die de pleegperiode bepaalde. Vraag: Heeft het beperken van de periode te maken met [betrokkene 4] of met opsporingsmethoden? Antwoord: Nee, geen enkel verband. 10.7. Uit het voorgaande volgt dat voor enig "optisch bedrog" in het dossier geen enkel aanknopingspunt kan worden gevonden, zodat dit door de verdediging gevoerde verweer wordt verworpen. 10.8. Uit de stukken en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is met betrekking tot de gehanteerde opsporingsmethoden het volgende naar voren gekomen: 10.9. Als O/AH/382 is bij de stukken gevoegd een proces-verbaal CID-methoden CoPa-dossier opgemaakt door Driessen . 4 november 1998. Hierin worden -zakelijk weergegeven- de volgende opsporingsmethoden gerelateerd: Allereerst wordt melding gemaakt van samenwerking met nationale opsporingsdiensten - bijvoorbeeld de NCID en RCID’s - en met internationale opsporingsdiensten - zonodig via rechtshulpverzoeken -, alsmede stationering van een liaison-officer in Brazilië. Voorts wordt gesproken over samenwerking met inlichtingen- en veiligheidsdiensten, waarbij van die diensten afkomstige, relevante, informatie middels een ambtsbericht via de PG werd verstrekt, en over toevoeging aan het team van een medewerker van de IDB. Als voorbeeld van samenwerking met andere diensten wordt genoemd: beveiligingsdiensten van banken en hotels, de visadienst van het Ministerie van Justitie, de Koninklijke Marechaussee, de koninklijke Marine en de ECD. Verder wordt melding gemaakt van gebruik van bij de RCID ingeschreven informanten, waarvan informatie is ingebracht middels CID-formulieren, observatie en technische acties als telefoon- en semaprints conform artikel 125f van het Wetboek van Strafvordering, alsmede het gebruik van informatie uit open bronnen zoals boeken, kranten, tijdschriften, van de Kamer van Koophandel en de dienst burgerzaken, uit PTT gidsen, van de Rijksdienst voor Wegverkeer en de media. 10.10. Als O/AH/393 is bij de stukken gevoegd een methodiekenproces-verbaal COPA III onderzoek, opgemaakt door B. Den Toom en Q. Kouwenhoven . 3 november 1998, inhoudende een samenvatting van de in het Copa III onderzoek gebruikte opsporingsmethoden in de periode 1 april 1992 tot 1 juni 1995. Gerelateerd wordt het afluisteren van telefoongesprekken inzake [medeverdachte 1], Echtgenoot van medeverdachte 1, [medeverdachte 2] en Betrokkene 5, alsmede observaties op voornoemde personen, een vooroverleg . 4 september 1992 met de ABN-AMRO bank en de Rabo bank resulterend in huiszoekingen bij die banken, alsmede informatie van de Belastingdienst verkregen na ontheffing van de fiscale geheimhoudingsplicht van de betreffende ambtenaar. 10.11. Voorts is bij de stukken gevoegd een methodenproces-verbaal, opgemaakt door van Vugt . 31 januari 2000. In dat proces-verbaal wordt voor een overzicht van het gebruik van de diverse methodes verwezen naar de betreffende onderliggende processen-verbaal in de zaken [mededader 0] I, [mededader 0] II, [mededader 1] en Laundry. Met betrekking tot de zaak [mededader 0] II worden als opsporingsmethoden genoemd: de telefoontap, observatie en informatieverwerking van de CID. Met betrekking tot de zaak [mededader 1] worden genoemd: de anonieme tip, observatie en informatieverwerking van de CID. Met betrekking tot de Laundryzaak worden genoemd: de deal, (auto) telefoontaps, de fax-tap, de bedreigde getuige, observatie, het plaatsen van een peilbaken en (video) camera’s alsmede infiltratie. Voorts wordt nog vermeld dat in alle zaken op politieniveau informatie is uitgewisseld met Suriname. 10.12. Ter terechtzitting in hoger beroep, . 13 april 2000, is door het openbaar ministerie correspondentie met het parket Rotterdam met betrekking tot de in de Rotterdamse zaken gebezigde opsporingsmethoden overgelegd. Uit een brief van mr. Van der Hoeven . 14 december 1995 blijkt ten aanzien van de [mededader 0] zaken dat in die zaken geen bijzondere CID-trajecten hebben gespeeld. Voorts heeft de advocaat-generaal een brief van mr. De Groot . 31 oktober 1995 met betrekking tot de Laundry-zaak aangehaald, waarin deze verwijst naar hetgeen eerder, middels proces-verbaal dan wel tijdens de instructie, omtrent de gebruikte methodes aan de orde is gekomen en melding maakt van een infiltratietraject dat zonder resultaat is gebleven, alsmede van medewerking van burgers, niet zijnde infiltranten. Ten slotte heeft de advocaat-generaal ter terechtzitting in hoger beroep . 16 mei 2000 een brief van mr. De Groot . 12 mei 2000 overgelegd, waarin deze, verwijzend naar de brief van 31 oktober 1995, de opsporingsmethoden in de Laundry-zaak herhaalt. 10.13. Uit het voorgaande volgt dat aan het verzoek van de verdediging om de methodieken uit alle van belang zijnde COPA-zaken in kaart te brengen reeds is voldaan. Voor een verdergaande inkaartbrenging van de in de COPA-zaken gehanteerde opsporingsmethoden, gesteld al dat dit gelet op het tijdsverloop nog mogelijk is, bestaat, nu de aanleiding voor dit verzoek feitelijke grondslag mist, geen noodzaak, zodat dit verzoek wordt afgewezen. 11. Redelijke termijn van berechting 11.1. De raadsman heeft voorts als verweer gevoerd dat de berechting van de verdachte niet binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM heeft plaatsgevonden en de overschrijding van die termijn zodanig is dat die tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in zijn vervolging moet leiden. 11.2. Als beginpunt van de redelijke termijn wordt, nu het openbaar ministerie en verdediging hiervan uitgaan en zulks ten voordele van de verdachte kan worden aangemerkt, door het hof aangehouden juni 1994, toen ook in de zaak tegen de verdachte huiszoekingen werden verricht. Het betrof een vrij brede operatie met veel huiszoekingen, waarvan de financiële gegevens geanalyseerd moesten worden. Niet aannemelijk is geworden dat de verdachte eerder op de hoogte was van de tegen hem ingestelde vervolging. 11.3. Het hof acht aannemelijk dat het onderzoeksteam vanaf medio 1994 tot tenminste medio 1996 bezig is geweest met de verwerking van de resultaten van de huiszoekingen uit 1994. 11.4. In de periode van 4 augustus 1994 tot 8 juni 1995 zijn door de rechter-commissaris voor de eerste maal bedreigde getuigen gehoord. 11.5. Op 1 oktober 1995 is het Rechtshulpverdrag tussen Nederland en Suriname, waarvan de uitvoering op 16 december 1982 was opgeschort (Trb. 1983, 8), weer van kracht geworden (Trb. 1995, 259). 11.6. Het eerste rechtshulp-verzoek aan Suriname inzake de verdachte, ge-daan op 23 oktober 1995 be-treft de betekening van vorderingen in het kader van o. het gerechte-lijk vooron-der-zoek, waaronder de aanvullende vor-dering . 5 oktober 1995. Reeds einde fe-bru--ari 1996 werd via een faxbe-richt van de Suri-naam-se rege-ring be-kend dat de be-tref-fen-de stukken op 22 januari 1996 waren uit--ge---reikt. Pas ein-de maart 1997 ontving de rechter-commissaris via het Neder-landse minis-terie van justi-tie de offi--ciële be-vesti-ging daar-van, gelijk-tijdig met de stuk-ken van het tweede verzoek. Voor deze vertragingsfactor heeft het hof geen rechtvaardiging kunnen vinden. 11.7. Dat tweede verzoek is gedaan op 3 juni 1996 en betrof het ver-lenen van de status van be-dreig-de ge--tui-ge aan een aantal per-sonen. Deze stukken wer-den op 18 ju-li 1996 in het kader van de betekening uitgereikt, doch de officiële bevestiging daarvan werd even-eens pas einde maart 1997 via het Neder-landse minis-terie van justitie ontvan-gen. Het onderzoek naar de financiële transacties van [medeverdachte 2] is afgerond in juli 1996. Ook voor deze vertragingsfactor heeft het hof geen afdoende rechtvaardiging kunnen vinden. 11.8. In maart 1997 is, nadat de stukken uit Suriname waren terugontvangen, besloten tot afdoening bij verstek. 11.9. In september 1997 is begonnen met de voorbereiding voor een behandeling ter terechtzitting, het zogenaamde afstoffen van het dossier. Er werden opnieuw getuigen gehoord, onder wie de eerder gehoorde bedreigde getuigen. In overleg met de rechter-commissaris is besloten te trachten het gerechtelijk vooronderzoek af te werken en dan met de zaak naar de zitting te gaan. Ook voor de periode van inactiviteit van maart 1997 tot september 1997 is geen aanvaardbare uitleg gegeven, de afronding van de Panamese huiszoekingen in juni 1997 ten spijt. 11.10. Overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM dient in den regel te leiden tot strafvermindering en slechts bij uitzondering, bij voorbeeld wanneer sprake is van een zeer grote overschrijding van die termijn, is plaats voor niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie. 11.11. In aanmerking genomen dat de verdachte ten tijde van het voorbereidend onderzoek in de zaak met parketnummer 0975408797, gedurende welk onderzoek de vertragingen hebben plaatsgevonden, niet rechtens van zijn vrijheid was beroofd, dat de aan de verdachte tenlastegelegde feiten ernstig waren, dat sprake was van een bijzonder maatschappelijk belang dat die feiten tot klaarheid werden gebracht, acht het hof genoemde vertragingsfactoren, zowel afzonderlijk als tezamen genomen, niet van dien aard dat die tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in zijn vervolging zouden moeten leiden. 11.12. Het daartoe strekkende verweer wordt derhalve verworpen. 12. Misbruik van forumkeuze 12.1. De raadsman bepleit de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in zijn vervolging om reden van misbruik van forumkeuze. 12.2. De rechter behoeft zich niet onder alle omstandigheden neer te leggen bij de forumkeuze van het openbaar ministerie. Die keuze van het openbaar ministerie wordt beheerst door de beginselen van een goede procesorde. Aldus kan misbruik worden gekeerd. Zie HR 24 maart 1998, NJ 1998, 768. Van misbruik is onder meer sprake indien het openbaar ministerie een bevoegdheid zou scheppen op een moment waarop verder geen redelijk vermoeden bestaat dat dat gerecht op enigerlei wijze bevoegd is. Uit bovengenoemd arrest, volgt evenwel niet zonder meer dat aan een misbruik van forumkeuze alleen de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie als processuele sanctie zou mogen worden verbonden. De Hoge Raad laat immers uitdrukkelijk onbesproken de klacht dat 's hofs beroep op de beginselen van een behoorlijke strafrechtspleging had moeten leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in zijn vervolging. 12.3. De vervolging tegen de verdachte is op 4 mei 1994 door de indiening van de vordering tot gerechtelijk vooronderzoek tegen de verdachte door de officier van justitie in het arrondissement 's-Gravenhage aangevangen. Blijkens die vordering werd de verdachte toen verdacht van - kort gezegd - deelneming aan een criminele organisatie die tot oogmerk had de uitvoer naar en invoer in Nederland van cocaïne, het treffen van voorbereidingshandelingen voor cocaïnetransporten en het witwassen van drugsgelden. Als afzonderlijke feiten 2, 3 en 4 zijn in die vordering tot gerechtelijk vooronderzoek opgenomen misdrijven als bedoeld in de Opiumwet alsmede gewoonteheling. Als tijdstippen waarop die misdrijven zouden zijn gepleegd is in die vordering genoemd de periode van 1 januari 1989 tot en met 31 maart 1994. Als locus delicti zijn verschillende landen en plaatsen in Nederland, waaronder 's-Gravenhage, opgenomen. 12.4. Aannemelijk is dat door het openbaar ministerie ervoor gekozen is om de verdachte in 's-Gravenhage te vervolgen omdat een van de medeverdachten te weten [medeverdachte 1], bij de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage reeds werd vervolgd. Tegen laatstgenoemde is namelijk op 1 juni 1992 bij die rechtbank een vordering tot gerechtelijk vooron-derzoek ingediend. Dat [medeverdachte 1] in de vordering tot gerechtelijk vooronderzoek in de zaak tegen de verdachte niet met name is genoemd kan hieraan niet afdoen. In die vordering (feit 1) wordt alleen gesproken over een "organisatie". De omschrijvingen van feit 1 in de vordering tot gerechtelijk vooronderzoek tegen de verdachte en feit 1 in de nadere vordering tot gerechtelijk vooronderzoek in de zaak [medeverdachte 1] van 31 maart 1994 zijn praktisch identiek. In het rapport dat de grondslag vormde voor de vordering tot gerechtelijk vooronderzoek tegen de verdachte, te weten het proces-verbaal van B. den Toom, Q. Kouwenhoven en C. de Mooij, allen leden van het COPA-team, opgenomen in ordner A-01, O/MPV/3503/94, blz. 1-36, en gesloten en ondertekend op 2 mei 1994 wordt overigens wel de naam van [medeverdachte 1] genoemd. Ook in de nadere vordering tot gerechtelijk vooronderzoek in de zaak tegen de verdachte . 5 oktober 1995 wordt [medeverdachte 1] met name genoemd. Het gerechtelijk vooronderzoek tegen [medeverdachte 1] was op 4 mei 1994, nog niet gesloten. 12.5. Blijkens artikel 6, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering brengt bij deelne-ming van meer dan één persoon aan hetzelfde strafbare feit de bevoegd-heid ten aanzien van één der als daders of medeplichtigen aansprakelijke personen de bevoegdheid mee ten aanzien van de andere. 12.6. De relatieve bevoegdheid van de rechtbank te 's-Gravenhage berustte derhalve op het bepaalde in het eerste lid van artikel 6 van het Wetboek van Strafvordering. De wetgever heeft met dit artikellid beoogd in geval van gelijktijdige vervolging te bewerkstelligen dat de zaken tegen mededaders door dezelfde rechter worden behandeld. Door op grond van deze wetsbepaling te opteren voor een vervolging bij de Haagse rechtbank heeft het openbaar ministerie in genen dele misbruik van forumkeuze gemaakt. 12.7. De verdediging stelt zich kennelijk op het standpunt dat, ingeval in de zaak [medeverdachte 1] wèl sprake zou zijn geweest van een misbruik van forumkeuze, dit misbruik ook in de zaak tegen de verdachte gevolgen zou moeten hebben. Het hof deelt dit standpunt niet. In de onderhavige zaak is immers gewoon de regeling vervat in artikel 6, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering toegepast. 12.8. De hoofdofficier van justitie in het arrondissement Rotterdam heeft bovendien in zijn brief van 17 maart 1999 meegedeeld dat in geen van de zaken van diegenen die thans nog in aanmerking komen als een van de als daders aansprakelijke personen, nog een vervolging door zijn parket gaande is. Dus dat van enige benadeling van de verdachte door de vervolging in Den Haag te laten plaatsvinden sprake is geweest, is niet aannemelijk geworden. 12.9. Het verweer strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in zijn vervolging wegens misbruik van forumkeuze wordt derhalve verworpen. 13. Bewijsuitsluiting in het licht van de opening van het gerechtelijk vooronderzoek? 13.1. De verdediging stelt zich op het standpunt dat op ontoereikende gronden een gerechtelijk vooronderzoek is ingesteld. 13.2. Het hof acht aannemelijk dat de vordering tot gerechtelijk vooronderzoek in de zaak tegen de verdachte is gebaseerd op het proces-verbaal van B. den Toom, Q. Kouwenhoven en C. de Mooij, allen leden van het COPA-team, opgenomen in ordner A-01, O/MPV/3503/94, blz. 1-36, en gesloten en ondertekend op 2 mei 1994, en dat de rechter-commissaris alvorens tot instelling van het gerechtelijk vooronderzoek over te gaan dit proces-verbaal onder ogen heeft gehad. In de repliek van het openbaar ministerie (blz. 18) is te lezen dat deze gang van zaken ook door de toenmalige zaaksofficier van justitie mr. Van der Voort is bevestigd. 13.3. Als eerste deelnemer aan de beoogde criminele organisatie wordt in dat proces-verbaal de verdachte genoemd. 13.4. Dat in de vordering tot gerechtelijk vooronderzoek van dit proces-verbaal geen melding wordt gemaakt, levert niet een zodanig ernstig vormverzuim op dat bewijsuitsluiting van alle resultaten van het gerechtelijk vooronderzoek daarvan het gevolg zou moeten zijn. 13.5. De inhoud van dit rapport levert naar 's hofs oordeel een redelijk vermoeden van schuld van de verdachte aan de in de vordering tot gerechtelijk vooronderzoek omschreven feiten op. 13.6. Het beroep van de verdediging op bewijsuitsluiting wordt derhalve verworpen. 14. De verzameling van het bewijs tegen de verdachte in de zaak met parketnummer 0975408797 14.1. Het hof acht de volgende gang van zaken met betrekking tot de bewijsverzameling aannemelijk geworden. 14.2. De onderzoeken in COPA-verband waren onderzoeken naar cocaïnestromen van Zuid-Amerika naar Nederland. In de loop van Copa I en Copa II is bij de gezagsdragers van politie en justitie de indruk ontstaan dat de legerleiding in Suriname invloed had op de cocaïnehandel vanuit Suriname naar Nederland en dat er sprake was van een criminele organisatie, waarvan de legerleiding deel uitmaakte. Er zou sprake zijn van een bovenleiding en een "middle class". Het zou een organisatie betreffen met een structuur die geschikt was voor meerdere cocaïnetransporten. Dat vermoeden werd steeds sterker, alhoewel men niet over harde informatie beschikte. De voormalige zaaksofficier van justitie mr. Ch.V. van der Voort verwoordde het ter terechtzitting van het hof van 27 maart 2000 aldus: "Bij de start van COPA III hadden wij veel verhalen van getuigen en informanten. Wij hebben veel gehoord over koeriers die uit Suriname naar Nederland kwamen en over boten met verdovende middelen vanuit Suriname naar Nederland." Maar verhalen leiden niet zonder meer naar verdachten, laat staan tot veroordelingen van die verdachten. 14.3. Bij Copa III-onderzoek zou de naam van de toenmalige legerleider [verdachte] al meteen in beeld zijn gekomen. Hij zou het voornaamste target zijn maar er was nog geen concrete verdenking om een gerechtelijk vooronderzoek mogelijk te maken. De Haagse politie beschikte in die tijd al over een analist, genaamd Epema. Een analist ontwikkelt hypotheses. Hij maakt schema's op en probeert relaties te leggen met de informatie waarover hij beschikt. Hij kijkt of de hypothese vanuit die informatie kan worden bevestigd. Een analyse maakt verkregen informatie inzichtelijk. Aldus werd de hypothese ontwikkeld dat de legerleiding verantwoordelijk was voor grote partijen cocaïne die uit Suriname in Nederland werden ingevoerd, waarbij die grote partijen alleen met toestemming van de legerleiding uitgevoerd konden worden uit Suriname. Ook in die analyses zou de naam van de verdachte naar voren zijn gekomen. 14.4. Enkel op basis van verhalen kan een beoogde criminele organisatie echter niet worden aangepakt. Daarvoor was een andere onderzoeksopzet nodig. Die onderzoeksopzet werd bemoeilijkt, omdat de hoofdverdachten, onder wie de verdachte, zich in Suriname bevonden. Er is een plan van aanpak opgesteld dat ter goedkeuring aan de procureur-generaal en uiteindelijk ook aan de toenmalige Minister van Justitie is voorgelegd. In het plan van aanpak stonden de doelstelling, het traject, de structuur, de planning en de materiële en financiële consequenties. Er is toen een onderzoek gestart met als doelstelling, kort samengevat: 1. Het uitschakelen van de criminele organisatie, aangeduid als het Suriname Kartel, die zich bezig hield met de invoer van cocaïne in Nederland en het witwassen van de daaruit verkregen gelden. 2. De opsporing en aanhouding van de deelnemers aan die organisatie, waarbij de legerleiding in Suriname als voornaamste target werd aangemerkt. 14.5. Bij de CID moest informatie met betrekking tot grote partijen cocaïne via Suriname worden geselecteerd en daarop moest dan worden doorgerechercheerd. Van de hoeveelheid informatie moest de hardste informatie geselecteerd worden om in relatie gebracht te kunnen worden met een concrete verdenking van de legerleiding. Voorts werden alle in het land beschikbare dossiers van reeds lopende zaken of recent afgesloten zaken betreffende invoer van cocaïne vanuit Suriname naar Nederland op mogelijke links naar de (ex-)legerleiding in Suriname bekeken. Ook de geldstromen waren van belang om de top van de organisatie te traceren. Daarom is de FIOD om medewerking gevraagd. Het was de bedoeling om via onderzoek van de geldstromen tot het middle-management en uiteindelijk de top te geraken. Er waren twee financiële stromen; een ter financiering van de cocaïne en een andere na verkoop van de cocaïne. De FIOD had de financiële expertise en Erkens was deskundige van de CR Door die geldstromen te onderzoeken werd verwacht hoger in de organisatie te kunnen komen. 14.6. Op 1 juni 1992 werd een gerechtelijk vooronderzoek in de zaak tegen de medeverdachte [medeverdachte 1] ingesteld. [Medeverdachte 1] werd ervan verdacht tot het middle-management van de beoogde criminele organisatie te behoren. Op 1 oktober 1992 is een gerechtelijk vooronderzoek ingesteld tegen de medeverdachte [medeverdachte 2]. [Medeverdachte 2] werd ervan verdacht de door de beoogde criminele organisatie met de cocaïnehandel verkregen gelden wit te wassen. Op 4 mei 1994 werd in de zaak tegen de verdachte een gerechtelijk vooronderzoek ingesteld. Kort daarop zijn in de zaken [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] omvangrijke huiszoekingen verricht. In de maand juni 1994 gebeurde dat ook in de zaak tegen de verdachte. 14.7. Inmiddels was gebleken dat zich geen nieuwe cocaïnetransporten hadden aangediend waarbij een link met de beoogde criminele organisatie, en in het bijzonder met de (ex-)legerleiding, kon worden gelegd, al werden daartoe wel steeds pogingen in het werk gesteld. Zie bij voorbeeld de zaak [betrokkene 4], die hiervoor (zie paragraaf 10) ook reeds ter sprake is gekomen. Door het team COPA III werden wel onderzoeken gedraaid die tot succes hebben geleid, zoals het openbaar ministerie in zijn requisitoir heeft vermeld. Deze onderzoeken worden ook wel COPA-gerelateerde onderzoeken genoemd, omdat zij onder verantwoordelijkheid van het team COPA III werden gedraaid. Die onderzoeken leidden evenwel niet naar de (ex-)legerleiding en dus ook niet naar de beoogde criminele organisatie rondom de verdachte. 14.8. Ook de verwerkingen van de vele financiële bescheiden die door middel van omvangrijke huiszoekingen en bevelen tot uitlevering van stukken waren verkregen, leidden niet rechtstreeks naar de (ex-)legerleiding en dus ook niet naar de verdachte. Het waren geldstromen tussen het beoogde middle-management en de valutahandelaren c.q. geldwisselaars, waarbij het overigens nog maar de vraag was - hetgeen onderwerp was van verder onderzoek - of die geldstromen met de cocaïnehandel van de beoogde criminele organisatie in verband konden worden gebracht. Het financiële traject heeft voor wat betreft de verdachte geen enkel resultaat opgeleverd. De conclusie van de rechtbank (par. 2.1 van het vonnis) dat de vergunninghouders aan de `harde kern' van de organisatie, onder wie de verdachte, commissie moesten betalen, is niet met enig financieel bescheid onderbouwd en is door de rechtbank enkel uit getuigenbewijs afgeleid. 14.9. Inmiddels was er wèl een grote hoeveelheid getuigenbewijs beschikbaar gekomen. Die grote hoeveelheid getuigenbewijs was evenwel nog niet geschikt om op basis daarvan met enige kans op succes een tenlastelegging tegen de verdachte op te stellen en de zaak aan de rechter voor te leggen. De tijd speelde daarbij uiteraard ook een rol. Tijdverloop leidt ontegenzeglijk tot geheugenverlies bij getuigen en dientengevolge tot een minder vruchtbaar onderzoek naar de materiële waarheid. Deze complicatie werd in steeds sterkere mate merkbaar, omdat noodgedwongen teruggegrepen moest worden op "oude" zaken, te weten de zogenaamde Rotterdamse zaken, en zich geen nieuwe zaken, waarin een relatie met de verdachte kon worden gelegd, aandienden. Dit tijdverloop was evenwel onontkoombaar, omdat nog enkele formaliteiten moesten worden vervuld voordat door het openbaar ministerie tot dagvaarding van de verdachte kon worden overgegaan. De vordering en nadere vordering tot gerechtelijk vooronderzoek moesten namelijk nog aan de verdachte worden betekend. En dit werd bemoeilijkt, omdat het rechtshulpverkeer tussen Suriname en Nederland nog immer was geblokkeerd. 14.10. Ten aanzien van sommige getuigen werden bovendien door het openbaar ministerie vorderingen bij de rechter-commissaris ingediend om hen slechts als bedreigde getuigen te horen. Dit betekende dat, behalve de (nadere) vordering tot gerechtelijk onderzoek, ook de beschikkingen tot verlening van de status van bedreigde getuige aan de verdachte dienden te worden betekend. Het openbaar ministerie werd derhalve niet alleen geconfronteerd met steeds ouder wordende zaken maar ook met het probleem van de voortdurende bescherming van de bedreigde getuigen. Voordat de beschikkingen tot statusverlening aan de verdachte in Suriname na het wederom van kracht worden van het Rechtshulpverdrag tussen Nederland en Suriname zijn betekend op 1 oktober 1995, heeft de rechter-commissaris acht bedreigde getuigen gehoord. Dat gebeurde in een periode waarin over het doorzetten van de vervolging nog niet op het niveau van de Minister van Justitie was beslist. Het groene licht werd, volgens de zaaksofficier Van der Voort, in november 1995 gegeven. Het duurde echter nog tot maart 1997 voordat de rechter-commissaris het bericht bereikte dat de vereiste betekeningen hadden plaatsgevonden. In augustus 1997 stelde zich een raadsman voor de verdachte, mr. Moszkowicz. Vervolgens vonden vanaf maart 1998 in het kader van het nog lopende gerechtelijk vooronderzoek voortdurend getuigenverhoren plaats. Ook de bedreigde getuigen werden, nu in aanwezigheid van de verdediging, opnieuw gehoord. Dit was een omvangrijke operatie die de nodige tijd in beslag na Ten tijde van het uitbrengen van de dagvaarding aan de verdachte in februari 1999 bestond het tegen de verdachte verzamelde bewijs grotendeels uit getuigenbewijs. Inmiddels was er sprake van een significante rechtsontwikkeling, aangezet door de Straatsburgse rechterlijke autoriteiten, rondom het getuigenbewijs en in het bijzonder rondom het bewijs door middel van bedreigde getuigen. 14.11. Verklaringen van bedreigde getuigen vormden de kern van dit getuigenbewijs - de directe betrokkenheid van de verdachte steunde in belangrijke mate op de door hen afgelegde verklaringen - en van de gestarte vervolging. Met één van de bedreigde getuigen was zelfs ter verkrijging van een waarheidsgetrouwe verklaring een overeenkomst gesloten. Het openbaar ministerie zag zich, wilde een vervolging tegen de verdachte slagen, met name voor de alleszins moeilijke taak gesteld om de kracht van dit bewijs intact te houden. Te voorzien was dat de verklaringen van de bedreigde getuigen bij de bewijsvoering een cruciale rol zouden gaan spelen. Ook de rechter-commissaris was zich, zo is later bij haar verhoren ter terechtzitting van de rechtbank en het hof gebleken, hiervan bewust en op haar rustte de zware taak, om zowel de bedreigde getuigen tegen onthulling van hun identiteit te beschermen als de verdedigingsrechten zo min mogelijk te beperken maar vooral ook om naar eer en geweten de toets inzake de betrouwbaarheid van de gehoorde bedreigde getuigen uit te voeren. Van die betrouwbaarheidstoets hing immers veel af. Tijdens de behandeling van de onderhavige zaak in hoger beroep is gebleken, dat bij het onderzoek naar de bruikbaarheid van deze categorie van bewijsmiddelen de grenzen van het strafproces moesten worden opgezocht en fundamentele belangen als waarheidsvinding, adequate verdediging en getuigenbescherming frontaal met elkaar in botsing kwamen. Daardoor zag het hof zich genoodzaakt zoekend een weg te banen, waarbij het zich zelfs geconfronteerd wist met een ingrijpen van de president in kort geding op verzoek van een bedreigde getuige, wiens identiteit bekend geworden was. Het verschijnsel "bedreigde getuige" is complex, en niet alleen omdat de afweging van genoemde fundamentele belangen - waarheidsvinding, adequate verdediging en getuigenbescherming - in gescheiden trajecten plaatsvindt, in het kabinet van de rechter-commissaris en de rechtszaal, en dientengevolge de zittingsrechter voor wat betreft de bruikbaarheid van een verklaring van een bedreigde getuige in sterke mate afhankelijk is van de betrouwbaarheidstoets van de rechter-commissaris. Dit verschijnsel is vooral zo complex, omdat die belangenafweging nimmer het stadium van een eindbeslissing bereikt, aangezien immers het gevaar blijft bestaan dat in de loop van het strafproces de identiteit van een bedreigde getuige bekend wordt. Dit kan geschieden door toeval, door een vormfout of door een "fishing expedition" van de verdediging. De laatste variant brengt mee dat een meer dan gemiddelde alertheid wordt verlangd van de zittingsrechter, hetgeen evenwel wordt bemoeilijkt door het ontbreken van de nodige informatie. De zittingsrechter kent immers zelf de identiteit van de bedreigde getuige niet. Hoe dichter een bedreigde getuige zich in kringen rondom de verdachte beweegt, des te groter wordt de kans dat zijn identiteit vroeg of laat bekend wordt. Als door de verdediging vragen worden gesteld omtrent een bepaalde met name genoemde getuige, die tevens een bedreigde getuige is, en dat is vanuit het perspectief van de verdediging bezien volstrekt legitiem, dan is de onthulling van diens identiteit moeilijk te voorkomen. Dat kan alleen indien door de zittingsrechter op voorhand wordt belet dat aan alle vragen omtrent personen, van wie zich geen verklaringen in het dossier bevinden, gevolg wordt gegeven, omdat mogelijk een van die personen een bedreigde getuige kán zijn. Een dergelijk beleid staat niet alleen op gespannen voet met het recht van de verdachte op een eerlijk proces, immers niet iedere persoon behoeft ook een bedreigde getuige te zijn, doch doet ook afbreuk aan de positie van de zittingsrechter als verantwoordelijke autoriteit voor de waarheidsvinding. De onthulling van de identiteit van een bedreigde getuige heeft niet alleen tot resultaat dat een geheel nieuwe belangenafweging dient plaats te vinden maar brengt tevens mee dat het stelsel van de gescheiden trajecten niet volledig meer kan worden gehandhaafd. Immers de verdediging kan onder die omstandigheden niet meer het recht worden ontzegd om de betreffende, niet meer anonieme, getuige op naam te horen ten einde hem over zijn redenen van wetenschap te ondervragen, met als onmiddellijk gevolg dat niet alleen steeds meer gegevens over die getuige en dus ook over de betrouwbaarheid van die getuige bekend worden, maar ook dat de betrouwbaarheidstoets van de rechter-commissaris naar aanleiding van die gegevens ter toetsing aan de zittingsrechter wordt voorgelegd. 14.12. Naar 's hofs oordeel dient de bruikbaarheid van het bewijs volgens de thans geldende maatstaven en niet volgens de toen in de tenlastegelegde periode (1 januari 1989 - augustus 1992) geldende maatstaven door de rechter te worden beoordeeld. Verklaringen van bedreigde getuigen zijn niet zonder meer als bewijsmiddel bruikbaar, omdat daaraan inmiddels zowel door de wetgever als door het EHRM en de Hoge Raad voorwaarden zijn gesteld. Het hof zal daarom eerst de bruikbaarheid van dit bewijs bespreken, nu dienaangaande door de verdediging substantieel verweer is gevoerd. 15. De bruikbaarheid voor het bewijs van de verklaringen van de bedreigde getuigen 15.1. De raadsman concludeert tot integrale uitsluiting van het bewijs van alle verklaringen - op naam en anoniem - van alle NN-getuigen (inclusief [getuige 1], [getuige 2] en NN-III). 15.2. In totaal zijn door de rechter-commissaris acht getuigen gehoord, die de status van bedreigde getuigen hebben gekregen, te weten NN I tot en met NN VII 15.3. In het proces-verbaal van 3 september 1998 heeft de rechter-commissaris met betrekking tot de betrouwbaarheid van de getuige NN VIII het volgende opgemerkt: "De rechter-commissaris heeft een aantal keren, telkens in aanwezigheid van haar griffier, met de getuige gesproken. Die gesprekken vonden plaats voorafgaand aan het nemen van de beschikkingen ex artikel 226a van het Wetboek van Strafvordering, voorafgaand aan het verhoor van heden alsmede bij het beantwoorden van vragen buiten aanwezigheid van de raadslieden en de officier van justitie. De getuige maakte niet steeds een openhartige indruk. Tijdens het verhoor is op een aantal punten terug gekomen; de getuige heeft de vragen op opvallende punten niet steeds consistent beantwoord. De inhoud van voornoemde gesprekken tussen de getuige en de rechter-commissaris, de wijze waarop de getuige zich heeft gedragen en de wijze waarop het getuigenverhoor is verlopen, hebben bij de rechter-commissaris twijfel doen rijzen over de betrouwbaarheid van de door de getuige afgelegde verklaring en daarmee over de betrouwbaarheid van de getuige. Bij dat oordeel hebben ook een rol gespeeld de antwoorden van de getuige die niet ter kennis van de officieren van justitie, de verdachten en de raadslieden zijn gekomen; die antwoorden strookten niet steeds met de antwoorden die wel ter kennis van voornoemde personen zijn gekomen." 15.4. De door de rechter-commissaris geuite twijfel over de betrouwbaarheid van de getuige NN VIII is van dien aard dat naar 's hofs oordeel de door deze getuige tegenover de rechter-commissaris afgelegde verklaring van het bewijs moet worden uitgesloten. 15.5. De bruikbaarheid voor het bewijs van de getuige NN VI is in het eerste zittingsblok aan de orde geweest, aangezien uit de stukken bleek dat door de Staat der Nederlanden met de bedreigde getuige NN VI een afspraak als bedoeld in de Richtlijn "afspraken met criminelen" was gemaakt. Het hof heeft ter terechtzitting van 22 december 1999 geoordeeld dat, nu de door deze getuige afgelegde verklaringen voor het hof niet althans niet voldoende toetsbaar zijn, de met de getuige NN VI gesloten overeenkomst in de onderhavige strafzaak voor de toekomst, als strijdig met het recht van de verdachte op een eerlijk proces, zonder rechtsgevolgen dient te blijven en de door die getuige ten overstaan van de rechter-commissaris afgelegde verklaringen niet met het oog op enige door het hof te nemen beslissing ten nadele van de verdachte kunnen worden gebruikt. 15.6. Ook de door de getuige NN VI afgelegde verklaringen dienen derhalve van het bewijs te worden uitgesloten. 15.7. Wanneer in het vervolg over de bruikbaarheid van verklaringen van NN-getuigen wordt gesproken, wordt niet meer gedoeld op de getuigen NN VI en NN VII 15.8. De door de rechter-commissaris mr. Haverkate in 1994 en 1995 afgenomen verhoren van de bedreigde getuigen hebben buiten aanwezigheid van de verdediging plaatsgevonden en worden door het hof enkel en alleen als voorloper van de latere verhoren van de bedreigde getuigen door de rechter-commissaris [getuige 3] beschouwd. Die verklaringen kunnen naar ’s hofs oordeel alleen tot het bewijs bijdragen, indien in het latere verhoor door de getuige naar die verklaring wordt verwezen. 15.9. De raadsman stelt allereerst dat aan de statusverle-ningen door de rechter-commissaris zodanige fundamentele gebreken kleven dat aan het recht van de verdachte op een eerlijk proces tekort wordt gedaan. De raadsman verwijst naar HR 30 juni 1998, NJ 1999, 88 waarin de Hoge Raad overwoog: "Het laat zich denken dat aan de wijze van totstandkoming of aan de inhoud van een door de rechter ingevolge art. 226 a en/of 226b Sv ten aanzien van een getuige gegeven bevel dat ter gelegenheid van het verhoor van die getuige diens identiteit verborgen wordt gehouden zodanige fundamentele gebreken kleven dat gebruikmaking door de zittingsrechter van de resultaten van het nadien op de voet van art. 226d Sv afgenomen verhoor van deze getuige, zou indruisen tegen het recht van de verdachte op een eerlijk proces ()". 15.10. De officier van justitie in het arrondissement Den Haag heeft - kort samengevat - in 1994 en 1995 gevorderd dat aan de getuigen NN I tot en met NN VIII de status van bedreigde getuige zou worden toegekend. 15.11. De status van bedreigde getuige is door de rechter-commissaris in de periode van 2 augustus 1994 tot 5 juni 1995 aan genoemde getuigen toegekend. 15.12. Het hof stelt voorop dat de beschikkingen van de rechter-commissaris alle, grotendeels op eenvormige wijze, zijn gemotiveerd. 15.13. De stelling van de raadsman dat de rechter-commissaris bij de statusverlening niet de wettelijk voorgeschreven toets, te weten de voorwaarden gesteld in artikel 226a, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering heeft toegepast, berust op een verkeerde lezing van de bestreden beschikkingen en mist derhalve feitelijke grondslag. Het hof verwijst naar het in de betreffende beschikkingen onder "05" overwogene. 15.14. De rechter-commissaris heeft de getuigen niet, zoals artikel 226a, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering voorschrijft, voorafgaande aan de statusverlening gehoord, "aangezien uit mondelinge mededelingen door de officier van justitie aan de rechter-commissaris gedaan aan laatstgenoemde voldoende duidelijk is geworden dat de getuige () prijs stelt op toewijzing van de vordering en geen behoefte heeft aan een - aan het feitelijk verhoor voorafgaande - verhoor zoals bedoeld in het tweede lid van artikel 226a Sv". De rechter-commissaris had er naar 's hofs oordeel weliswaar verstandig aan gedaan om de getuige wel zelf te horen, doch in aanmerking genomen de voor zijn handelwijze gegeven motivering, levert het achterwege blijven van dit formele verhoor niet een zodanig fundamenteel gebrek op dat de door de betreffende getuige afgelegde verklaringen van het bewijs moeten worden uitgesloten. 15.15. De raadsman beklaagt zich er voorts over dat noch de verdachte noch diens raadsman voorafgaande aan de statusverleningen zijn gehoord. De rechter-commissaris heeft dienaangaande in de betreffende beschikkingen overwogen: "In de eerste plaats is aan de rechter-commissaris niet bekend of de verdachte een raadsman heeft, en zo ja wie dit is. Ten aanzien van de verdachte zelf geldt dat hij tegen de onderhavige beschikking hoger beroep kan instellen en dat hij - zo hij daartoe overgaat - bij gelegenheid van de behandeling van dat hoger beroep alsnog naar voren kan (laten) brengen wat hij van de aanwijzing van "I" als bedreigde getuige vindt. Hierop gelet acht de rechter-commissaris de verdachte niet geschaad in diens verdediging indien - zoals thans geschiedt - de onderhavige beschikking wordt gegeven terwijl de verdachte niet op de voet van het bepaalde in het tweede lid van artikel 226a Sv in de gelegenheid is gesteld daaromtrent te worden gehoord. De rechter-commissaris verwijst voorts naar rechtsoverweging 4.1.2. 04. Ten aanzien van het bepaalde in artikel 226a, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering 4.1.1 Ten tijde van het geven van deze beschikking is de verdragsrechtelijke relatie tussen Nederland en Suriname - ten gevolge van de bij nota van 16 december 1982 (Traktatenblad, 1983, nummer 8) plaatsgevonden hebbende opschorting van de uitvoering van de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname betreffende de uitlevering en rechtshulp in strafzaken ('s-Gravenhage, 27 augustus 1976) van dien aard dat het niet mogelijk is verdachte langs rogatoire weg van het tegen hem ingestelde gerechtelijk vooronderzoek op de hoogte te stellen. 4.1.2 Bijgevolg is het evenmin mogelijk verdachte langs rogatoire weg op te roepen voor een verhoor zoals hierboven bedoeld in rechtsoverweging 3.3. 4.1.3 Thans staat niet vast wanneer de verdragsrechtelijke relatie zodanig zal zijn hersteld dat rogatoire betekeningen en oproepingen wel weer mogelijk zijn." 15.16. Ten tijde van de statusverleningen had zich nog geen raadsman voor de verdachte gesteld. 15.17. De rechter-commissaris heeft bij brief van 19 april 1995 geïnformeerd naar het rechtstreeks verzenden van een brief aan een verdachte in Suriname ten einde hem in kennis te stellen van vorderingen in de zin van artikel 226a van het Wetboek van Strafvordering. In zijn antwoordbrief van 26 april 1995 heeft de toenmalige Minister van Justitie de rechter-commissaris het volgende bericht: “De overeenkomst tussen Nederland en Suriname inzake de uitlevering en rechtshulp van 27 augustus 1976 is naar aanleiding van de zogenoemde "decembermoorden" op 16 december 1982 door Nederland eenzijdig opgeschort. De reden hiervoor was "het ontbreken van elke waarborg voor een normale rechtsgang in Suriname". Een belangrijke overweging vormde dat alle sleutelposities in het land door militairen waren ingenomen. Met het aantreden van een burgerregering is de situatie verbeterd. Daarom heeft Nederland in 1991 toenadering gezocht om te komen tot onder meer een herstel van de rechtshulp relatie. Dit heeft geresulteerd in een Protocol tussen beide landen waarbij de opschorting ongedaan wordt gemaakt. Gelet op de altijd nog precaire situatie in Suriname zijn beide landen overeengekomen in het Protocol maatregelen te treffen voor een voorzichtig herstel van de relatie. Dit houdt in dat alle rechtshulpverzoeken op basis van het Verdrag van 1976 uitsluitend mogen worden verzonden door de Ministers van Justitie. De in het verdrag van 1976 neergelegde bevoegdheid tot het over en weer rechtstreeks verzoeken om rechtshulp tussen de rechterlijke autoriteiten wordt hiermee opgeheven. Het Protocol is inmiddels in werking getreden. Over het moment van intrekking van de opschorting van het Verdrag van 1976 dient nog nader overleg plaats te vinden tussen de Nederlandse en Surinaamse regering. Uit het voorgaande blijkt dat elke vorm van rechtshulp vanwege de opschorting van het verdrag onmogelijk is. Uw vraag of daarmee een rechtstreekse verzending van een brief aan een Surinaamse verdachte is toegelaten, moet ik negatief beantwoorden. Immers de bevoegdheid tot direct aanschrijven van personen verblijvend in een ander land zonder tussenkomst van de justitiële autoriteiten is slechts toegestaan indien beide landen dat in een verdrag hebben vastgelegd. Deze handeling is alleen tussen de Schengenlanden toegestaan. Ook in art.14 van het Verdrag van 1976 wordt deze bevoegdheid in relatie tot Suriname expliciet geregeld. Door de opschorting van het Verdrag is dus ook de door u voorgestelde handeling niet toegelaten." 15.18. Het is niet onbegrijpelijk dat de rechter-commissaris naar aanleiding van deze brief ervan heeft afgezien de verdachte voorafgaande aan de statusverleningen te horen. Het door de raadsman aangehaalde artikel 552k van het Wetboek van Strafvordering, inhoudende dat kleine rechtshulp niet op een verdrag behoeft te zijn gebaseerd, heeft uitsluitend betrekking op inkomende en niet op uitgaande verzoeken tot rechtshulp. Het achterwege blijven van dit formele verhoor van de verdachte levert onder deze omstandigheden in ieder geval niet een zodanig fundamenteel gebrek op dat de door de betreffende getuige afgelegde verklaringen van het bewijs moeten worden uitgesloten. 15.19. Bij brief van 3 juni 1996 heeft de rechter-commissaris aan de Minister van Justitie een verzoek tot rechtshulp, strekkende tot betekeningen aan de verdachte. [Verdachte] van acht beschikkingen zoals bedoeld in artikel 226b, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, gegeven ingevolge artikel 226a van het Wetboek van Strafvordering, gezonden. Het betreft hier de beschikkingen betrekking hebbende op de verlening van de status van bedreigde getuige aan de getuigen NN I tot en met NN VII 15.20. Bij de stukken bevindt zich een proces-verbaal van Y.N. Boerleider, agente van politie eerste klasse, tewerkgesteld op de afdeling Parketwacht te Paramaribo, . 18 juli 1996 waarin zij verklaart, dat zij gerechtelijke stukken bestaande uit acht beschikkingen genummerd I tot en met VIII inzake het verborgen houden van de identiteit van getuigen (zoals bedoeld in art. 226b eerste lid van het Wetboek van Strafvordering), gegeven ingevolge artikel 226a van het Wetboek van Strafvordering, afkomstig van de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in het arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage (Nederland) gedaan in het gerechtelijk vooronderzoek tegen de verdachte [VERDACHTE], , geboren in het district Suriname te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1943, aan hem in persoon heeft uitgereikt en dat hij als blijk daarvan voor ontvangst heeft getekend. Dit stuk is - op enig moment - door de toenmalige Surinaamse Minister van Justitie en Politie Mr. Girjasing aan de Nederlandse Minister van Justitie toegezonden en op 28 maart 1997 door de rechter-commissaris ontvangen. 15.21. In de bij de beschikkingen behorende bijlage I is, voor zover van belang, de inhoud weergegeven van de toen van kracht zijnde artikelen 226b, tweede lid, 449, eerste lid, 450, 451b en 454 van het Wetboek van Strafvordering. Artikel 226b, tweede lid, van genoemd wetboek schrijft voor dat tegen de beschikking voor de verdachte binnen veertien dagen na de betekening daarvan bij het gerecht in feitelijke aanleg waarvoor de zaak wordt vervolgd hoger beroep kan worden ingesteld. De artikelen 449, eerste lid, 450, en 451b van genoemd wetboek regelen de wijze waarop het hoger beroep dient te worden ingesteld. Van belang is met name artikel 450 dat bepaalt dat het hoger beroep ook kan worden ingesteld (
- a)door een advocaat, indien deze verklaart daartoe door degene die het hoger beroep instelt, bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd, en (
- b)door een bij bijzondere volmacht schriftelijk gemachtigde. Tegen de beschikkingen heeft de verdachte geen hoger beroep ingesteld. 15.22. De wet voorziet niet in de mogelijkheid van een voorlopige statusverlening, zoals de raadsman heeft bepleit. Een voorlopige statusverlening lag ook niet in de rede, omdat gedurende de periode van 2 augustus 1994 tot 5 juni 1995 waarin de statusverleningen hebben plaatsgevonden volstrekt onduidelijk was wanneer de opschorting van het Rechtshulpverdrag van 1976 zou worden ingetrokken en het belang van het onderzoek meebracht dat de getuigen spoedig dienden te worden gehoord. Met ingang van 1 oktober 1995 was het Rechtshulpverdrag tussen Nederland en Suriname weer van kracht. 15.23. Voorts acht het hof het volgende nog van belang. De getuigen NN I en II zijn door de rechter-commissaris op 16 onderscheidenlijk 14 oktober 1998 op naam en in tegenwoordigheid van een raadsman van de verdachte gehoord. Het hof komt op de consequenties van het bekend worden van de identiteit van de getuigen NN I en NN II nog terug. De getuigen NN III, NN IV, NN V, en NN VII zijn door de rechter-commissaris gehoord op respectievelijk 26 oktober 1998 (NN III), 25 mei 1998 (NN IV), 28 en 29 mei 1998 (NN V) en 2 juni 1998 (NN VII). Bij deze verhoren is steeds een raadsman van de verdachte aanwezig geweest. Uit de van die verhoren opgemaakte processen-verbaal blijkt niet dat door de raadsman aan de rechter-commissaris vanwege de vermeende, aan de statusverleningen klevende, fundamentele gebreken is verzocht die statusverleningen te heroverwegen. 15.24. Een volgend verzuim bij de statusverleningsprocedure heeft in de ogen van de verdediging betrekking op het bepaalde in artikel 226b, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, welk artikel bepaalt dat de op de voet van artikel 226a van dit wetboek gegeven beschikking onverwijld aan de verdachte wordt betekend. Van een onverwijlde betekening is volgens de raadsman geen sprake geweest. 15.25. Het hof stelt voorop dat genoemd artikel 226b, eerste lid, ertoe strekt de verdachte onmiddellijk in de gelegenheid te stellen om tegen de statusverlening hoger beroep in te stellen. Naar 's hofs oordeel is inderdaad van een onverwijlde betekening van de beschikking tot statusverleningen geen sprake geweest. Op 1 oktober 1995 is het Rechtshulpverdrag tussen Nederland en Suriname weer van kracht geworden. Het verzoek tot rechtshulp strekkende tot betekening aan de verdachte van de beschikkingen tot statusverleningen is door de rechter-commissaris pas op 3 juni 1996 aan de Minister van Justitie gezonden. In aanmerking genomen evenwel dat alle bedreigde getuigen spoedheidshalve op 1 oktober 1995 reeds waren gehoord en dat de verdachte geen gebruik heeft gemaakt van het recht van hoger beroep is dit verzuim niet zo ernstig dat daaraan de sanctie van bewijsuitsluiting moet worden verbonden. 15.26. Het verweer van de verdediging dat aan de statusverle-ningen door de rechter-commissaris zodanige fundamentele gebreken kleven dat aan het recht van de verdachte op een eerlijk proces tekort wordt gedaan wordt derhalve verworpen. 15.27. De verdediging heeft vervolgens het verweer gevoerd dat het bekend raken van de identiteit van de getuige NN I, NN II en NN III moet worden aangemerkt als een zo ernstig vormverzuim, dat de verklaringen van de betreffende getuigen van het bewijs moeten worden uitgesloten. 15.28. Het voorschrift om een getuige, aan wie de status van bedreigde getuige is verleend, door de rechter-commissaris te doen horen strekt er uitsluitend toe te voorkomen dat ten gevolge van diens verhoor de identiteit van die getuige bekend wordt en beoogt geen bescherming van belangen van de verdachte, in het bijzonder ook niet het belang bij een eerlijke behandeling van zijn zaak. Immers het verdedigingsbelang is meer gediend bij een verhoor van de bedreigde getuige op de terechtzitting, met toepassing van zo weinig mogelijk beschermingsmaatregelen. Hoe meer beschermingsmaatregelen, hoe beperkter het ondervragingsrecht van de verdediging. Aangenomen al, dat ook een, inmiddels niet meer anonieme, bedreigde getuige het recht op een verhoor in het kabinet van de rechter-commissaris zou toekomen, hetgeen, zoals het hof al eerder heeft overwogen niet het geval is omdat de status van bedreigde getuige van rechtswege komt te vervallen als zijn identiteit in rechte is komen vast te staan, dan neemt dat recht in ieder geval niet de proporties van algemeen belang aan, indien die getuige onder dezelfde condities als bij een verhoor door de rechter-commissaris het geval zou zijn door de zittingsrechter wordt gehoord. Alleen wanneer de niet-anonieme bedreigde getuige bij zijn verhoor van iedere bescherming verstoken zou blijven, zou met vrucht betoogd kunnen worden dat hier het recht van iedere burger op bescherming van zijn leven en persoonlijke veiligheid in het geding is en schending van dát recht tot uitsluiting van het bewijs van de door de onbeschermde bedreigde getuige afgelegde verklaring zou behoren te leiden. Iedere functionaris die in strafrechtelijke zin enige bemoeienis heeft met bedreigde getuigen, is zich, naar het hof aanneemt, van zijn plicht om de identiteit van de bedreigde getuige verborgen te houden terdege bewust. De onderhavige strafzaak heeft helaas - en het hof betreurt dat ten zeerste - aangetoond dat hier geen sprake kan zijn van een waterdichte garantie. 15.29. De identiteit van de getuigen NN I en NN II is bekend geworden doordat per ongeluk de op naam door die getuigen tegenover de politie afgelegde verklaringen in het procesdossier zijn gevoegd. De identiteit van de getuige NN III is bekend geworden doordat twee leden van het COPA-team, door de verdediging onder ede ondervraagd, niet hebben uitgesloten dat een door de verdediging bij naam genoemde persoon tegenover de politie op naam een verklaring heeft afgelegd. Als de leden van het COPA-team op de gestelde vraag ontkennend zouden hebben geantwoord, zouden zij zich mogelijk schuldig hebben gemaakt aan meineed. Van doelbewust of grof onrechtmatig handelen jegens de getuige NN III is derhalve geen sprake. Van grof onrechtmatig handelen kan wel worden gesproken wat betreft de voeging in het dossier van de op naam tegenover de politie afgelegde verklaringen van de bedreigde getuigen NN I en NN I 15.30. Het belang dat de gemeenschap heeft bij het verborgen houden van de identiteit van een bedreigde getuige is fundamenteel van karakter. Schending van dit belang behoort tot gevolg te hebben, enerzijds dat de bescherming van het leven of de persoonlijke veiligheid van de bedreigde getuige en/of zijn gezin zoveel mogelijk op andere wijze door de overheid wordt gewaarborgd en anderzijds dat de door het bekend worden van de identiteit veroorzaakte schade wordt vergoed en de ontstane overlast wordt beperkt. Door de door de bedreigde getuigen NN I en NN II anoniem en op naam afgelegde verklaringen van het bewijs uit te sluiten wordt in de zienswijze van het hof geen enkel in strafrechtelijke zin te respecteren belang noch enig ander algemeen belang gediend. Het bekend worden van de identiteit van een bedreigde getuige heeft in strafrechtelijke zin slechts tot gevolg dat de getuige opnieuw en nu op naam, met inachtneming van de vereiste beschermingsmaatregelen, kan en ook dient te worden gehoord. Van het profiteren door de overheid van eigen onrechtmatig gedrag, zoals door de raadsman betoogd, is geen sprake geweest. 15.31. De raadsman verzoekt het hof voorts consequenties te verbinden aan het horen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] ter terechtzitting van het hof op 14 april 2000 onderscheidenlijk 16 mei 2000, in die zin dat als gevolg van deze verhoren ter terechtzitting van het hof alle door deze getuigen afgelegde verklaringen van het bewijs moeten worden uitgesloten. Want, zo betoogt de raadsman, het hof heeft ten onrechte geoordeeld dat die getuigen de status van bedreigde getuige kunnen verliezen en heeft die getuigen in strijd met de wet ter terechtzitting verhoord. De raadsman doet hierbij een beroep op het arrest HR 20 april 1999, NJ 1999, 677. 15.32. Omtrent de gevolgen van het bekend worden van de identiteit met het oog op de door de verdediging verzochte hernieuwde oproeping van die getuigen ten einde hen op naam te horen, heeft het hof al het nodige overwogen. Kort samengevat, heeft het hof het volgende standpunt ingenomen. Indien de identiteit van een bedreigde getuige bekend is geworden, behoort het tot de taak van de zittingsrechter om zoveel mogelijk aan de hand van concrete feiten en omstandigheden af te wegen, ten overstaan van welke instantie en onder welke omstandigheden die getuige moet worden gehoord. Het hof heeft daarbij gelet op de essentie van de procedure van de bedreigde getuige - namelijk het verborgen houden van diens identiteit -, de wetsgeschiedenis - waaruit blijkt dat de wetgever het verschijnsel bekendwording van de identiteit van een bedreigde getuige niet onder ogen heeft gezien - en de rechtspraak van het EHRM die ertoe noopt om het recht op een eerlijk proces enerzijds en het recht op bescherming van leven en persoonlijke veiligheid van een getuige anderzijds zoveel mogelijk aan de hand van concrete feite