Uitspraak : 5 juli 2000 Rek.nr. : 176-H-00 Rek.nr. rb.: 99-3320 GERECHTSHOF TE 'S-GRAVENHAGE FAMILIEKAMER B e s c h i k k i n g in de zaak van [naam vader], wonende te [woonplaats vader], verzoeker in hoger beroep, hierna te noemen: de vader, procureur mr. A.H. Westendorp. Als belanghebbende is aangemerkt: [naam moeder], wonende te [woonplaats moeder], verblijvende op een voor het hof onbekend adres in Spanje, hierna te noemen: de moeder, procureur mr. C.M. Schouten. PROCESVERLOOP De vader is op 17 maart 2000 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 19 januari 2000 waarbij de rechtbank te 's-Gra-ven-hage, op een verzoek van de vader tot een omgangsre-geling met zijn zoon [naam kind] (hier-na: [naam kind]), geboren op 8 juni 1988, zich na verweer van de moe-der onbe-voegd heeft verklaard om van dat verzoek kennis te ne-men. De moeder heeft een ver-weer-schrift ingediend. Namens de vader is bij het hof een brief met bijlagen ingeko-men, geda-teerd 18 mei
- Namens de moeder is bij het hof een brief ingekomen, gedateerd 19 mei
- Van de raad voor de kinderbescherming te 's-Gravenhage is bij het hof een brief ingekomen gedateerd 26 mei 2000, onder meer inhou-dende dat de raad in deze zaak geen rapporten en/of adviezen heeft uitge-bracht. Op 31 mei 2000 is de zaak mondeling behandeld. Als belang-hebbenden zijn verschenen: de vader en zijn procu-reur en de procureur van de moeder. [naam kind] en de moeder zijn, hoewel daar-toe behoor-lijk opge-roepen, niet in persoon versche-nen. VASTSTAANDE FEITEN Uit de stukken en het verhandelde ter zitting maakt het hof op dat de volgende feiten als niet of onvoldoende weersproken tussen de partijen vaststaan. [naam kind] is geboren uit de affectieve relatie tussen de vader en de moeder. De vader heeft [naam kind] erkend. De moeder heeft van rechtswege het gezag over [naam kind], die rechtens en feitelijk bij haar verblijft. Bij beschikking van 18 oktober 1996 heeft de rechtbank te 's-Gravenhage - met wijziging van haar beschikking van 25 ok-to-ber 1990 - de vader het recht op omgang met [naam kind] ontzegd voor een periode van twee jaar, welke periode op 18 oktober 1998 is verstreken. DE BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP
- In geschil is de bevoegdheid van de Nederlandse rechter, die afhangt van de gewone verblijfplaats van [naam kind] in de zin van artikel 1 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag van 1961 (het verdrag). De vader beroept zich op het [adres moeder] van de moeder; de moeder stelt dat de gewone verblijfplaats van haar en van [naam kind] in Spanje is.
- De vader verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en zijn verzoek tot omgang met [naam kind] alsnog toe te wijzen, kosten rechtens. De moeder verzoekt de bestreden be-schik-king te bekrachtigen.
- De vader heeft ter terechtzitting erkend dat hij "van horen zeggen" weet dat de moeder en [naam kind] sinds oktober 1997 in Spanje ver-blijven, doch stelt dat voor hem dat verblijf niet vaststaat omdat bewijs daarvan voor hem ontbreekt, ter-wijl de moeder en [naam kind] in het Neder-landse bevol-kings-register staan inge-schre-ven en onge-veer vier maal per jaar een week lang Neder-land be-zoe-ken. Hij biedt bewijs door getui-gen aan van die bezoeken.
- De moeder stelt dat zij, hoewel formeel domici-lie hebbend in Neder-land, sinds oktober 1997 met [naam kind] in Spanje ver-blijft, waar [naam kind] sinds-dien ook school gaat. Ter sta-ving zijn ter terechtzit-ting enkele documenten in kopie overgelegd. Volgens de moeder gaat zij gemid-deld eens per jaar met [naam kind] naar Neder-land voor een bezoek aan haar ouders.
- Het hof concludeert op grond van deze documenten - waaron-der schoolrap-porten van [naam kind] van de cursus-jaren 1998-1999 en 1999-2000 van een Spaan-se school met goede cij-fers voor Spaans - dat [naam kind] sinds geruime tijd in Spanje school -gaat. Hiermee staat voor het hof vast dat de moeder en [naam kind] hun gewone ver-blijf in Spanje hebben.
- Het bewijsaanbod van de vader ten aanzien van de frequentie van het bezoek van de moeder en [naam kind] aan Nederland, passeert het hof als niet ter zake dienende.
- Aangezien ook Spanje partij is bij het Haagse Kinderbe-scher-mingsverdrag van 1961, is de Neder-landse rechter niet be-voegd om van het verzoek van de vader kennis te nemen. De bestreden be-schikking dient derhalve te worden bekrachtigd. BESLISSING IN HOGER BEROEP Het hof: bekrachtigt de bestreden beschikking. Deze beschikking is gegeven door mrs. Fockema Andreae-Hartsui-ker, Koning en Panne-koek-Dubois, bijge-staan door mr. Oostveen als griffier en uit-gespro-ken ter openba-re te-rechtzit-ting van 5 juli 2000.