GERECHTSHOF TE 's-GRAVENHAGE eerste meervoudige belastingkamer 5 maart 2002 nummer BK-01/00934 UITSPRAAK op het beroep van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid X B.V., gevestigd te Z, tegen de uitspraak van de Inspecteur, het hoofd van de eenheid Grote ondernemingen P van de Belastingdienst, op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de aan haar opgelegde aanslag in de vennootschapsbelasting voor het jaar
(24696)." In de artikelsgewijze toelichting in de nota van wijziging heeft de staatsssecretaris van Financiën op overeenkomstige wijze verwezen naar artikel 10a (TK 1996-1887, nr. 8, blzz. 20 en 21): "Met de toevoeging van een nieuw onderdeel f aan artikel 10 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 wordt bereikt dat fictief loon als omschreven in artikel 12a van de Wet op de loonbelasting 1964 bij de vennootschap slechts aftrekbaar is, indien de vennootschap aannemelijk maakt dat bij degeen die het loon geniet, belasting is geheven welke naar Nederlandse maatstaven redelijk is. Deze benadering geldt eveneens voor de in artikel 24, vierde lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 omschreven situaties waarin sprake is van een (te lage) huur of een (te lage) rente. Het bedrag aan fictief loon, rente of huur dat in aftrek wordt gebracht, wordt bij de vennootschap aangemerkt als een informele kapitaalstorting. Voor de achtergrond van deze bepaling moge ik verwijzen naar de nota naar aanleiding van het verslag. Indien geen sprake is van een naar Nederlandse maatstaven redelijke belastingheffing - de terminologie wordt eveneens gebezigd in artikel 10a dat is voorgesteld in het kader van het bij de Tweede Kamer aanhangige wetsvoorstel tegengaan uitholling belastinggrondslag en versterking fiscale infrastructuur - dan komen de bedoelde bedragen aan fictief loon, rente of huur niet in aftrek bij het bepalen van de winst van de vennootschap. De beperking van de aftrek strekt zich niet alleen uit tot de situatie waarin de aanmerkelijk-belanghouder in Nederland woont, doch omvat ook de situatie waarin deze in het buitenland woont (om dit te bereiken is in de voorgestelde wettekst het woord "omschreven" gehanteerd)." 6.8 Artikel 10a, van de Wet, waarnaar de staatssecretaris van Financiën blijkens het bovenaangehaalde heeft verwezen, is in de Wet opgenomen bij Wet van 13 december 1997, Stb.
- In de memorie van toelichting bij het betreffende wetsvoorstel tot Wijziging van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 met het oog op het tegengaan van uitholling van de belastinggrondslag en het versterken van de fiscale infrastructuur) heeft de staatssecretaris van Financiën aangegeven aan welke norm een naar Nederlandse maatstaven redelijke heffing moet voldoen. Opgemerkt wordt (TK 1995-1996, 24 696, nr. 3, blz. 21): "Voor een naar Nederlandse maatstaven redelijke heffing kan tot uitgangspunt worden genomen het daadwerkelijk onderworpen zijn van de rente aan een heffing naar de winst of het inkomen die wat grondslag en tarief betreft nog als in overeenstemming kan worden beschouwd met de door de OESO-lidstaten gehanteerde gebruikelijke normen voor binnenlands belastingplichtige vennootschappen en natuurlijke personen die niet aan een bijzonder regime zijn onderworpen". 6.9 In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot het opnemen van artikel 10a in de Wet, heeft de staatssecretaris van Financien met zoveel woorden tot uitdrukking gebracht dat deze bepaling van toepassing is zowel in de situatie waarin de ontvanger van de rente in Nederland woont of is gevestigd als wanneer de woonplaats of vestigingsplaats in het buitenland is gelegen. Nadat de Staatssecretaris van Financien heeft aangegeven dat hij de lijn van de arresten van de Hoge Raad van augustus en september 1995, betrekking hebbende op winstdrainage in verband met rentebetalingen, volgt, brengt zij op deze jurisprudentie een beperking aan die, voor zover in dit kader van belang, als volgt is verwoord (TK 1995-1996, 24 696, nr. 3, blz. 16): "(...) met dien verstande dat doel en strekking van de wet zowel voor de binnenlandse als de buitenlandse situatie wordt gewijzigd. Deze wijziging (...) kan als volgt worden samengevat: (...). 6.10 Nu artikel 10a van de Wet van toepassing is zowel in binnenlandse als in buitenlandse situaties, dient in beide situaties sprake te zijn van een heffing over de rente die naar Nederlandse maatstaven redelijk is, wil de rente bij de vennootschap die deze is verschuldigd, aftrekbaar zijn. Uit de ontstaansgeschiedenis van artikel 10, onderdeel f, kan evenwel niet worden afgeleid dat de wetgever bij het in aanmerking nemen van fictief salaris of fictieve rente zulks eveneens heeft beoogd. Waar bij de behandeling van de voorgestelde tekst van dat artikel wordt gesproken van een heffing die "naar Nederlandse maatstaven redelijk is", heeft de wetgever niet tot uitdrukking gebracht daarbij ook op het oog te hebben op een situatie waarin de (fictieve) bate onderworpen is aan Nederlandse inkomstenbelasting of loonbelasting. Evenmin heeft de wetgever aan deze heffing eisen gesteld met betrekking tot de hoogte daarvan of heeft hij op dit punt nog nadere eisen gesteld ingeval sprake is van verrekening van verliezen of van andersoortige aanspraken, hetgeen hij wel heeft gedaan bij artikel 10a van de Wet. Verder ziet de verwijzing naar artikel 10a enkel op de terminologie betreffende de aan de heffing te stellen eis, maar bevat de door de staatssecretaris van Financiën gegeven toelichting geen aanwijzing dat deze eis - in afwijking van de bewoording - zowel in binnenlandse als in buitenlandse situaties moet worden gesteld. Ook de overige bij wetsvoorstel 24 761 gegeven toelichting biedt geen steun voor de door de Inspecteur verdedigde opvatting. Naar het oordeel van het Hof kunnen derhalve ook aan de ontstaansgeschiedenis van artikel 10, onderdeel f, van de Wet geen argumenten worden ontleend voor de stelling dat ook de Nederlandse inkomstenbelasting moet voldoen aan de voorwaarde dat deze naar Nederlandse maatstaven redelijk is. 6.11 Uit al hetgeen hiervoren is overwogen volgt dat het beroep van belanghebbende gegrond is en de aanslag, conform haar conclusie, dient te worden verminderd tot een naar een belastbaar bedrag van ƒ 3.323.762 (= € 1.512.341). De overige door partijen aangevoerde grieven en weren behoeven geen verdere behandeling.
- Proceskosten en griffierecht 7.1 Het Hof acht termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Het Hof stelt deze kosten, op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage, vast op € 1.288 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand (2 punten wegens proceshandelingen maal € 322 maal factor 2 wegens gewicht van de zaak). 7.2 Voorts dient de Inspecteur aan belanghebbende het voor deze zaak gestorte griffierecht te vergoeden.
- Beslissing Het Gerechtshof: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt de uitspraak waarvan beroep; - vermindert de aanslag tot een naar een belastbaar bedrag van € 1.512.341; - veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het beroep, aan de zijde van belanghebbende gevallen en vastgesteld op € 1.288, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden, en - gelast de Staat der Nederlanden aan belanghebbende het voor deze zaak gestorte griffierecht ad € 204,21 (= ƒ 450) te vergoeden. Deze uitspraak is vastgesteld op 5 maart 2002 door mrs. Tijnagel, Savelbergh en Van Walderveen, in tegenwoordigheid van de gerechtsauditeur mr. Postema. De beslissing is op die datum in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier mr. Van Duijvendijk. (Van Duijvendijk) (Tijnagel) De griffier is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen. Aangetekend aan Partijen verzonden: Ieder van de partijen kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:
- Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).
- Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.
- Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste: - de naam en het adres van de indiener; - de dagtekening; - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; - de gronden van het beroep in cassatie. De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.