Uitspraak : 11 juni 2003 Rolnummer : 01/627 Rolnr. rb. : 97/2826 GERECHTSHOF TE 'S-GRAVENHAGE FAMILIEKAMER A r r e s t in de zaak van: [appellant] wonende te 's-Gravenhage, appellant, hierna te noemen: de man, procureur mr. D. Huisman, tegen [geïntimeerde], wonende te 's-Gravenhage, geïntimeerde, hierna te noemen: de vrouw, procureur mr. O.C.A. Vaillant. HET GEDING Bij exploot van 15 mei 2001 is de man in hoger beroep gekomen van de vonnissen van 26 april 2000 en 21 maart 2001, door de recht-bank te 's-Gravenhage tussen de partijen gewezen. Voor de loop van het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar hetgeen de rechtbank daaromtrent in de be-stre-den vonnissen, alsmede in de tussenvonnissen van 16 december 1997 en 23 december 1998 heeft ver-meld. Bij memorie van grieven heeft de man twee grie-ven aangevoerd. Bij memorie van antwoord heeft de vrouw de grie-ven bestreden. Tenslotte hebben de partijen hun procesdossiers aan het hof over-ge-legd en arrest gevraagd, waarbij in het dossier van de vrouw de akte door de man op 8 februari 2000 genomen ontbreekt. BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP 1. Tussen de partijen staat het volgende vast. De partijen zijn met elkander gehuwd geweest na het maken van huwelijkse voorwaarden. De partijen hebben hun samenleving feitelijk verbroken in februari 1997. De echtscheidingsbeschikking is op 25 november 1997 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Tijdens het huwelijk hebben de partijen nimmer conform de huwelijksvoorwaarden overgespaarde inkomsten verrekend. De vrouw heeft tijdens het huwelijk, op 29 september 1993, een appartementsrecht (hierna te noemen: de woning) gekocht, welk op 2 november 1993 aan haar is geleverd,. De vrouw heeft de woning uit eigen middelen betaald. 2. De huwelijkse voorwaarden houden, voorzover voor deze procedure van belang, onder meer in: artikel 1 : De echtgenoten zijn met uitsluiting van elke gemeenschap van goederen gehuwd. artikel 3 : De echtgenoten zijn….verplicht aan elkaar te vergoeden hetgeen aan het vermogen van de enen echtgenoot is onttrokken ten bate van de andere echtgenoot, ten bedrage van of naar de waarde ten dage van de onttrekking…. vermogensmutaties artikel 5 : De kosten van de gemeenschappelijke huishouding….worden voldaan uit de netto-inkomsten uit arbeid van de echtgenoten, naar evenredigheid daarvan…. artikel 8 : De echtgenoten verplichten zich over elk kalenderjaar hetgeen van hun netto-inkomsten…,onder aftrek van hetgeen hiervoor is besteed voor de gemeenschappelijke huishouding, overblijft onderling te verrekenen in die zin dat de ene echtgenoot een vordering krijgt op de andere echtgenoot ten bedrage van de helft van het aan diens zijde overblijvende…. De vermogensafrekening houdt de partijen verdeeld. 3. De eerste grief van de man richt zich tegen het (tussen)vonnis van 26 april 2000. Het hof kan deze grief niet anders lezen dan als een opmerking van de man waaraan geen rechtens relevante consequenties zijn verbonden, zodat deze tot niets leidt. 4. De tweede grief van de man is gericht tegen het eindvonnis van 21 maart 2001 en omvat de onderdelen A tot en met C. In onderdeel A klaagt de man dat de rechtbank in dit eindvonnis het tussenvonnis van 23 december 1998 (welk vonnis overigens niet door de man is betrokken in zijn appeldagvaarding) ten onrechte aldus leest, dat de deelclaims met betrekking tot 1) de onttrokken gelden en 2) de waardevermeerdering van de woning definitief zijn afgedaan. Voor wat betreft 1), de "onttrokken gelden", geeft de man in zijn toelichting niet aan wat zijn bezwaar is tegen de overwegingen van de rechtbank, die hebben geleid tot de beslissing dat de vordering van de man op dit punt is afgewezen. Hij heeft met name niet de mogelijkheid gebruikt feiten en omstandigheden aan te voeren als door de rechtbank genoemd in 6.2 van het tussenvonnis van 23 december 1998. Evenmin heeft hij een ook maar enigszins concreet bewijsaanbod gedaan. Voor wat betreft 2) geldt het volgende. De man vordert een bedrag (waarvan hij in hoger beroep de omvang in het midden laat) terzake van een door zijn -naar hij stelt- inspanningen gerealiseerde waardestijging van de woning. In de periode november 1993 tot 1 juli 1995 is de waarde van de woning, volgens een op verzoek van de man uitgebracht taxatierapport, met f. 27.500,- gestegen. De man heeft in die periode de woning verbouwd/gerenoveerd. Voorzover het hof de grief van de man begrijpt baseert hij zijn vordering op ongerechtvaardigde verrijking van de vrouw dan wel op de redelijkheid. Het hof is van oordeel dat de rechtbank op goede gronden ook dit onderdeel van de vordering van de man heeft afgewezen. Noch in de procedure in eerste instantie, noch in het hoger beroep heeft de man aangegeven waar hij zijn werkkracht in de betreffende periode tegen betaling aangewend zou kunnen hebben, zodat van verarming van de man geen sprake is. Het hof ziet niet hoe onderdeel 3 van de conclusie van de man van 16 november 1999 iets bijdraagt dat tot een andere oordeel zou kunnen leiden. De man heeft voorts onvoldoende omstandigheden aangevoerd waarom op grond van de redelijkheid anders zou moeten worden geoordeeld. De tweede grief, onderdeel A faalt. 5.De tweede grief onder B acht het hof onbegrijpelijk evenals de toelichting van de man daarop. De man klaagt dat ten onrechte volgens het eindvonnis nog 12 posten van belang voor de deelclaim terzake van kosten van verbetering van de echtelijke woning zouden resteren. In zijn toelichting stelt hij dat hij geenszins instemde met het idee dat de vergoeding voor verbouwingskosten van de baan was. Hij verwijst daarvoor naar het proces-verbaal van de comparitie op 23 april 1999. Daarin is opgenomen de constatering dat na teruggave van bepaalde roerende zaken de beweerde vordering van de man betrekking hebbende op de vergoeding voor verbouwingskosten en roerende zaken nog f. 31.700,- zou bedragen. Dit nu is exact de waarde van de "verbouwingskosten en roerende zaken" 1 tot en met 11 (zoals opgenomen in het proces-verbaal van 8 juli 1999) die de man opvoerde in zijn conclusie van repliek. De twaalfde post is de post "deelwaarde levenspolis van f. 7.000,-". Dat de man in zijn conclusie van 16 november 1999 aan enkele vorderingen van de lijst geheel ongemotiveerd weer andere prijskaartjes hangt, doet hieraan uiteraard niet af, en vergroot slechts de onbegrijpelijkheid van zijn stellingen. De man geeft niet aan welke posten onder deze deelclaim nog meer van belang zouden zijn. Ook dit onderdeel van grief twee faalt. 6. In zijn tweede grief onder C klaagt de man dat de rechter het merendeel van de vorderingen uit de zogenaamde 12 restposten ten onrechte heeft afgewezen. Evenals de rechtbank zal het hof de 12 posten nalopen voorzover de man daar een grief aan heeft gewijd. Deze posten betreffen enerzijds "verbouwingskosten (door de vrouw in haar conclusie van dupliek ook genoemd kosten betreffende "structurele verbeteringen" aan de woning), anderzijds enkele roerende zaken. Het hof merkt op dat beide partijen er kennelijk van uitgaan dat, voorzover er voor "structurele verbeteringen" van de woning van de vrouw uitgaven zijn gedaan, de nominale bedragen voor verrekening in aanmerking komen. Het hof volgt de partijen hierin. Het hof stelt voorts vast dat voorzover niet is aangetoond dat betalingen door een van de partijen uit privé middelen zijn gedaan, het er voor moet worden gehouden dat deze betalingen zijn gedaan uit de overgespaarde inkomsten die, conform artikel 8 van de huwelijks voorwaarden, bij helfte aan ieder van de partijen toekomen. Voorzover structurele verbeteringen zijn gefinancierd uit overgespaarde inkomsten heeft de man derhalve een vordering op de vrouw ter grootte van de helft van het gefinancierde bedrag. De vrouw is het met de man eens dat de hierna genoemde posten onder a, b, c en e structurele verbeteringen aan de woning betreffen
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.