GERECHTSHOF TE 's-GRAVENHAGE tweede meervoudige belastingkamer 10 oktober 2003 nummer BK-00/00153 UITSPRAAK op het beroep van Stichting X te Z tegen de uitspraken van de Inspecteur, het hoofd van de eenheid P van de Belastingdienst, betreffende na te noemen naheffingsaanslag en beschikking. 1. Naheffingsaanslag, beschikking en bezwaar 1.1 Blijkens aanslagbiljet, gedagtekend 2 augustus 1999, (hierna: het aanslagbiljet) is aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de loonbelasting en de premie volksverzekeringen (hierna: loonheffing) over het tijdvak van 1 maart 1996 tot en met 31 december 1998 opgelegd ten bedrage van ƒ 1.500.000. Volgens een in het aanslagbiljet opgenomen specificatie heeft dit bedrag betrekking op het jaar 1997. 1.2 Blijkens het aanslagbiljet heeft de Inspecteur daarbij aan belanghebbende bij beschikking een boete opgelegd van ƒ 1.500.000. 1.3 In de Bijlage ‘Toelichting naheffingsaanslag loonbelasting/premie volksverzekeringen’ die bij het aanslagbiljet hoort, is onder meer het volgende te lezen: “ Algemeen Deze aanslag is opgelegd op grond van artikel 20 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Op grond van artikel 21 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (tekst t/m 1997) is in de aanslag, voor zover deze betrekking heeft op het tijdvak gelegen vóór 1 januari 1998, een boete begrepen. Voor zover de aanslag betrekking heeft op het tijdvak gelegen ná 31 december 1997 is de in de aanslag begrepen boete gegrond op artikel 67f van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (tekst vanaf 1998). Terzake van de boeteoplegging heeft uw vertegenwoordiger in fiscale zaken inmiddels een schriftelijke kennisgeving ontvangen. (…).” 1.4 Belanghebbende heeft tegen de nageheven loonheffing en de opgelegde boete bezwaar gemaakt. Bij in één geschrift vervatte uitspraken heeft de Inspecteur de bezwaren afgewezen. 2. Loop van het geding 2.1 Belanghebbende is van de bovenvermelde uitspraken in beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van ƒ 450 (€ 204,20). De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 2.2 Belanghebbende heeft vervolgens een conclusie van repliek ingediend, waarop de Inspecteur heeft gereageerd met een conclusie van dupliek. 2.3 De eerste mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Gerechtshof van 11 april 2002, gehouden te Den Haag. Aldaar zijn beide partijen verschenen. 2.4 Naar aanleiding van het verhandelde ter zitting heeft het Hof het onderzoek ter zitting geschorst en heeft vervolgens tussen het Hof en partijen een briefwisseling plaatsgevonden. 2.5 Daarna heeft het Hof partijen uitgenodigd op 25 mei 2002 te verschijnen ten einde inlichtingen te verstrekken, aan welke uitnodiging zij gehoor hebben gegeven. Vervolgens heeft tussen het Hof en partijen opnieuw een briefwisseling plaatsgevonden. 2.6 De tweede mondelinge behandeling heeft plaatsgehad ter zitting van het Gerechtshof van 16 januari 2003, gehouden te Den Haag. Aldaar zijn beide partijen verschenen. 2.7 Van beide zittingen en van het verstrekken van inlichtingen is proces-verbaal opgemaakt. 3. Vaststaande feiten Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde is, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, het volgende komen vast te staan: 3.1 Belanghebbende is actief in het betaalde voetbal. In het voetbalseizoen 1995/1996 had zij onder meer de spelers A en B onder contract. 3.2 Naar blijkt uit verslagen van de vergaderingen van het bestuur van belanghebbende (hierna: het Bestuur), maakten onder meer de volgende personen daarvan begin 1996 deel uit: - C, voorzitter; - D, bankdirecteur, vice-voorzitter; - E, registeraccountant, penningmeester; - F, werkzaam bij O, lid; - G, commercieel directeur; - H, technisch directeur. 3.3 In het seizoen 1995/1996 was J B.V. sponsor van belanghebbende. Tot de subsponsoren van belanghebbende behoorde het sportkledingmerk K. K stelde kleding ter beschikking met een groothandelswaarde van ƒ 40.000. 3.4 Belanghebbende betaalde in het seizoen 1995/1996 aan A een bruto salaris van ƒ 147.000 en aan B een bruto salaris van ƒ 102.000. Aan het einde van dat seizoen liepen de arbeidsovereenkomsten met hen ten einde. 3.5 Begin 1996 toonden andere clubs belangstelling om bepaalde spelers van belanghebbende over te nemen. Blijkens de notulen van de vergadering van 8 januari 1996 van het Bestuur was er serieuze belangstelling voor A. Ook voor B bestond serieuze belangstelling, en wel bij een buitenlandse voetbalclub. 3.6 Begin 1996 is belanghebbende besprekingen begonnen met J omtrent een beoogd hoofdsponsorschap vanaf het seizoen 1996/1997. 3.7 Nadat bestuurder D in februari 1996 contact had opgenomen met de heer L, heeft M Ltd. zich jegens belanghebbende geïnteresseerd getoond als kandidaat-kledingsponsor. 3.8 Belanghebbende wilde A en B graag voor zich behou-den. In dit verband is het Bestuur in februari 1996 met hen in onderhandeling getreden met het oog op een mogelijke verlenging van hun arbeidsovereenkomsten. Dit heeft aanvankelijk geresulteerd in het aanbod aan A en B om hun salarissen te verdubbelen. A en B hebben dit aanbod niet aanvaard. 3.9 In maart 1996 heeft bestuurder F namens het Bestuur met M in grote lijnen overeenstemming bereikt over een kledingsponsorschap met ingang van het seizoen 1996/1997. Deze overeenstemming hield globaal in dat M naast kleding (met reclame) premies ter beschikking van belanghebbende zou stellen tot de helft van het bedrag waartoe J zich als hoofdspon-sor jegens belanghebbende zou verbinden. 3.10 In de avond van 25 maart 1996 hebben, in een enkele uren durende sessie op het hoofdkantoor van een bank te Z, onderhandelingen plaatsgevonden tussen belanghebbende, M en A en B betreffende de voorwaarden waaronder de arbeidsovereenkomsten met A en B zouden kunnen worden verlengd. Daarbij waren de volgende personen aanwezig: - C, D, F en G; - A en B met mr. N, advocaat te Z, als hun gemachtigde; - L namens M. 3.11 De besprekingen waren aldus georganiseerd dat de vertegenwoordigers van belanghebbende in één ruimte zaten, en L in een andere, terwijl A en B zich in een derde afzonderlijke ruimte bevonden. Namens A en B voerde N de onderhandelingen met belanghebbende en met M door steeds tussen die ruimten te ‘pendelen’. Op het laatst kwam N met L in de ruimte van belanghebbende en deelde mee dat er nog een verschil was tussen hetgeen A en B vroegen en zijdens belanghebbende en M was geboden, en dat M niet tot een hoger bod bereid was, zodat belanghebbende haar bod zou dienen te verhogen om te voorkomen dat A en B bij haar zouden vertrekken. Daarop heeft belanghebbende haar bod zodanig verhoogd dat A en B akkoord zijn gegaan met de verlenging van hun arbeidsovereenkomsten. 3.12 De op 25 maart 1996 bereikte overeenstemming tussen belanghebbende en A en B is vervat in twee op 29 maart 1996 door F opgestelde en door C onder-tekende brieven van belanghebbende aan onderscheidenlijk A en B die deze, ieder voor zich, voor akkoord hebben onder-tekend. 3.13 Deze brieven van 29 maart 1996 luiden – voor zover thans van belang – als volgt (voor zover de tekst van de brief aan B afwijkt van die aan A is die tussen vierkante haak-jes geplaatst): “ Beste A [B], Hiermee bevestigen wij hetgeen tussen ons werd afgesproken tijdens onze bijeenkomst van 25 maart 1996. Tussen ons bestaat thans overeenstemming over de hoofdlijnen van een arbeidsovereenkomst die de Stichting X voornemens is aan te bieden. Deze hoofdlijnen, welke in onderling overleg tussen ons nader zullen worden uitgewerkt, luiden als volgt. 1 Het contract tussen jou en X zal worden aangegaan voor een periode van vier jaar, met een optie voor één jaar te lichten door X. Bij genoemde lichting zal de overeenkomst onder dezelfde voorwaarden worden voortgezet. 2 De vergoeding zal NLG 400.000,- [NLG 300.000,-] bruto per jaar bedragen, waarbij inbegrepen zijn de wedstrijd premies, vakantiegeld, en bijdrage CFK, waarvan de bedragen in onderling overleg nader zullen worden ingevuld. 3 Indien X de finale behaalt, zal een ex-tra eenmalige vergoeding van NLG 50.000,- bruto worden betaald. 4 Daarnaast heeft de kledingsponsor van X, M, zich even-eens voor vier jaar met een optie van één jaar (te lichten door M) bereid verklaard met jou – in samenwerking met B [A]– een afzonderlijk (kleding)contract af te sluiten. 5 M zal in verband met dit contract een (netto) vergoeding betalen van NLG 300.000,- [NLG 200.000,-] per jaar. 6 In de overeenkomst met M zullen de voorwaarden, in nauw overleg met de (technische) leiding van X, worden uitge-werkt waaronder M, in samenwerking met B [A], een eigen kleding- en schoenenlijn zal ontwikkelen. Als tegenprestatie zullen jij en B [A] de pro-motie, in de ruimste zin des woords, van de M kleding- en schoenenlijn verzorgen. Tevens zal een extra winstafhankelijke vergoeding onderdeel van bespreking kunnen zijn. 7 M heeft zich voorts in beginsel bereid verklaard, na het beëindigen van je professionele voetbalcarrière, een arbeidscontract aan te bieden binnen haar bedrijf. 8 (…). [Bij het totstandkomen van de boven omschreven hoofdlijnen is er van onze kant vanuitgegaan dat je geen bindingen hebt met de buitenlandse club. X zal, voorzoveel mogelijk, bijstaan bij het afwikkelen van de met die club ontstane verhouding. Met betrekking tot de (mogelijke) kosten daarvan dienen nadere afspraken te worden gemaakt.] Wij vertrouwen erop in grote lijnen de punten waarover overeenstemming is bereikt te hebben weergegeven. In een volgende bespreking zal verdere invulling van de arbeidsvoorwaarden kunnen worden besproken (waarvan een adequate verzekering tegen inkomstenderving onderdeel zal vormen), alsmede een nadere toelichting van de fiscaalrechtelijke consequenties van (met name) het M contract. Tenslotte is overeengekomen dat wij bereid zijn de mogelijkheid, met betrekking tot eventueel tussentijds vertrek, onder bepaalde voorwaarden te bespreken.” 3.14 In de notulen van de vergadering van 15 april 1996 van het Bestuur staat vermeld: “ (…) In relatie tot de M-sponsoring wordt erop gewezen, dat de verzekering van A en B nog niet is afgerond. (…)” 3.15 In de notulen van de vergadering van 13 mei 1996 van het Bestuur staat vermeld: “ (…) Het driepartijencontract met A en B is nog niet definitief; de heer F heeft de afwikkeling in handen en zal overleg-gen met de heer E. Zij zullen in het M-contract ook voor-zien in een situatie zonder A en B. (…)” 3.16 Tot de stukken van het geding behoort een notitie, op verzoek van N opgesteld door F, gedateerd juli 1996 en afgedrukt op papier met het beeldmerk van O. De inhoud van deze notitie luidt – voor zover thans van belang – als volgt: “NOTITIE INZAKE OVERDRACHT LICENTIERECHT/PORTRETRECHT A EN B 1. Inleiding A en B overwegen om aan een naar het recht van de kanaaleilanden opgerichte vennootschap, (hierna: de vennootschap), een permanente licentie op hun “populariteitsrechten/portretrechten” te verlenen. Voor het verlenen van genoemde rechten zal ieder een vergoeding van NLG 50.000 ontvangen. De aandelen van de vennootschap worden gehouden door een bij volmacht ingestelde trust. De vennootschap heeft het voornemen de rechten te gaan exploiteren door middel van het verlenen van een sublicentie. Trustee Settlor Beneficiaries (Charity) 100% A en B Permanente licentie Sub-licentie 2. Fiscale kwalificatie In onderstaande notitie wordt besproken de vraag of het verlenen van een permanente licentie op populariteitsrechten/portretrechten als een fiscale bron van inkomen kan worden gekwalificeerd. Het gaat hierbij om de bronnen inkomsten uit arbeid en inkomsten uit vermogen. 2.1 Inkomsten uit arbeid (…) 2.2 Inkomsten uit vermogen (…) 3. Conclusie Bij het verlenen van een permanente exclusieve licentie zal ons inziens sprake zijn van vervreemding van een bron van inkomsten, welke niet in de belastingheffing wordt betrokken.” 3.17 Op 18 juli 1996 heeft te Y een bespreking plaatsgevon-den tussen belanghebbende, J en M, welke heeft gere-sulteerd in afspraken omtrent het voeren van logo’s van deze beide sponsors op de kleding van de spelers. 3.18 In twee brieven van belanghebbende van 27 september 1996, onderscheidenlijk gericht aan A en aan B, staat – voor zover thans van belang – het volgende vermeld (voor zover de tekst van de brief aan B afwijkt van die aan A is die tussen vierkante haakjes geplaatst): “ Beste A [B], In vervolg op ons schrijven d.d. 29 maart doet het ons bijzonder genoegen tijdens ons gesprek van 25 maart 1996 overeenstemming te hebben bereikt over een nieuw vierjarig contract volgens de onderstaande voorwaarden: 1. Duur van de overeenkomst Van 1 juli 1996 tot en met 30 juni 2000. Na verloop van deze periode heeft de Stichting X het recht onder dezelfde voorwaarden de overeenkomst met één jaar te verlengen. 2. Salaris NLG 385.000 [NLG 285.000] (…) bruto per seizoen, te betalen in twaalf maandelijkse termijnen. (…). 3. Wedstrijdpremies De premieregeling voor de A-selectie van X over de seizoenen 1996/1997 tot en met 1999/2000 zal van toepassing zijn. 4. (…) (…) 8. Kleding Wedstrijd- en trainingskleding wordt door X beschikbaar gesteld. De speler verplicht zich de door de club voor te schrij-ven richtlijnen tot te dragen kleding tijdens wedstrijden (…) en trainingen op te volgen, indien en voor zover dit voor de speler rechtens mogelijk is, en voor de club voortvloeit uit afgesloten sponsorcontracten. X zal hierbij een persoonlijk kledingcon-tract, gesloten tussen jou en kledingsponsor “M” respecteren. 9. (…) (…) 11. Tussentijds vertrek Bij eventueel tussentijds vertrek zal X een gelimiteerde transfer danwel afkoopsom voor dit contract kunnen bedingen. Tussentijds vertrek wordt hierbij onderscheiden in een voetballoze periode (zijnde elk tijdstip gelegen tussen de laatste competitie of bekerwedstrijd en 1 juli van enig contractjaar) en een voetbalperiode (zijnde elk tijdstip gelegen buiten de hiervoor genoemde voetballoze-periode). Voor de voetballoze periode zal gelden een transfersom van ten hoogste NLG 3.400.000 [NLG 1.550.000] (…). Hierbij zal speler geen vergoeding ontvangen. Voor de voetbalperiode zal gelden een transfersom van ten hoogste NLG 5.000.000 (…) ingeval van een transfer binnen Nederland en ten hoogste NLG 6.000.000 (…) ingeval van een transfer buiten Nederland. [Voor de voetbalperiode zal gelden een transfersom van ten hoogste NLG 3.000.000 (…)]. Hierbij ontvangt de speler een vergoeding van maximaal 20% (…) van hetgeen boven NLG 3.400.000 [NLG 1.550.000] (…) door X wordt ontvangen. (…)” 3.19 In de notulen van de vergadering van 7 april 1997 van het Bestuur staat vermeld: “ (…) e. Vastgesteld wordt, dat het contract met M eerst afgerond kan worden wanneer het contract tussen M en A en B ondertekend is. (…) (…)” 3.20 In de notulen van de vergadering van 5 mei 1997 van het Bestuur staat vermeld: “ (…) Om tot afronding met M te komen zal de heer D het initia-tief nemen om de drie betrokken partijen (M, X en de verte-genwoordiger van A en B) aan tafel te krijgen. (…)” 3.21 Op 22 mei 1997 is te Q, British Virgin Islands, onder de naam R een vennootschap opgericht waarvan de aandelen worden gehouden door S, gevestigd te T, en U Ltd., gevestigd te Q, als Nominee van en Trustee voor the Sports Trusts. De kinderen van A en B zijn de beneficiaries van de Sports Trust. 3.22 Op 3 juni 1997 hebben A en B een in de Engelse taal opgestelde overeenkomst met R ondertekend. Volgens deze overeenkomst is daarop het recht van “The Channel Islands” van toepassing. De overeenkomst houdt in dat A en B voor onbepaalde tijd aan R een exclusieve wereldwijde licentie verlenen op de exploitatie van hun “Image Rights”. Hieronder wordt volgens de overeenkomst het volgende verstaan: “ All significant elements, either separate or all together, based on which the public recognises the identity of A/B, including but not limited to appearance, portrait, name and nicknames, voice, characteristic bearing, and attributes like numbers on the sport outfit, characteristic haircut, clothing, etc. Copyrights and/or trademarks in connection with the popularity of A/B as a professional R-player.” A en B kregen hiervoor elk een vergoeding van ƒ 50.000, welk bedrag R aan elk van hen (rentedragend) schuldig bleef. 3.23 Op 2 juli 1997 is de hoofdsponsorovereenkomst tussen belanghebbende en J ondertekend. Deze is aangegaan voor de periode van 1 juli 1996 tot en met 30 juni 1999. Namens belanghebbende is deze overeenkomst ondertekend door C en E. 3.24 In de notulen van de vergadering van 30 juli 1997 van het Bestuur staat vermeld: “ (…) Vandaag is inzake het M-contract een zgn. sideletter ontvangen. De heren F en D zullen deze kwestie binnen twee weken afronden. Hun voorstel zal worden rondgestuurd met het verzoek binnen twee dagen per fax te reageren. (…)” 3.25 In september 1997 zijn C en F als lid van het Bestuur afgetreden. Daarna is D voorzit-ter geworden. 3.26 Bij brief van 24 oktober 1997 heeft N aan G onder meer te kennen gegeven: “ Betreft A en B Bijgaand zend ik je in tweevoud de door cliënten ondertekende overeenkomsten, waarvan ik copie heb achtergehouden. (…) Tot slot bericht ik nog dat ik gisteren telefonisch contact heb gehad met F over de fiscale vrijwaring. Hij zal er bij het bestuur van X op aandringen dat uiterlijk op 1 november a.s. mij zijdens X en M wordt bevestigd dat zij de fiscale risico’s dragen van het tussen M en R gesloten contract.” 3.27 In de notulen van een kort daarna gehouden vergadering van het Bestuur staat vermeld: “ (…) e. De adviseur van A en B heeft verzocht om een gezamenlijke verklaring van X en M aangaande de fiscale vrijwaring. (…)” 3.28 Op 26 oktober 1997 hebben belanghebbende en M een subhoofdsponsorovereenkomst ondertekend. Deze is aangegaan voor drie jaren, ingaande het seizoen 1996/1997, met een eenzijdige jaarlijkse optie van M tot verlenging met ten hoogste twee seizoenen. Voor zover thans van belang, luidt deze overeenkomst als volgt. “ De ondergetekenden; 1. Stichting X, te dezen rechtsgeldig vertegenwoordigd door haar voorzitter, D, en 2. M Ltd, te dezen rechtsgeldig vertegenwoordigd door Mr. W, Verklaren: Overeenstemming te hebben bereikt met betrekking tot het in de bijlagen genoemde sub-hoofdsponsorschap en de uitwerking daarvan. (…).” Namens belanghebbende is deze overeenkomst tevens ondertekend door E. In een bijlage bij de sponsorovereenkomst zijn de over en weer tussen belanghebbende en M geldende verplichtingen omschreven. De verplichtingen van M zijn voornamelijk van financiële aard en betreffen een basisbedrag per seizoen van ƒ 325.000, diverse prestatieafhankelijke bedragen per seizoen en een prestatieafhankelijke verhoging van het basisbedrag voor een volgend seizoen. Verder draagt M zorg voor kleding en schoeisel. De verplichtingen van belanghebbende betreffen een maximale bijdrage aan kledingkosten van ƒ 120.000, het geven van gelegenheid om reclame te maken, toegang tot het stadion, alsmede de toezegging dat belanghebbende, bij voortijdige beëindiging van de arbeidsovereenkomst met A en B, de helft van een te ontvangen af- of verkoopsom aan M zal betalen. 3.29 Tevens is op 26 oktober 1997 een zogenoemde ‘side letter’ ondertekend. Voor zover thans van belang, luidt deze als volgt. “ De ondergetekenden; 1. Stichting X (…), te dezen rechtsgeldig vertegen-woordigd door haar voorzitter, D, ter ene zijde, en 2. M (…), te dezen rechtsgeldig vertegenwoordigd door Mr. W, ter andere zijde in aanmerking nemende dat: - tussen partijen ingaande het seizoen 1996/1997 een sponsorovereenkomst is tot stand gekomen, welke op heden schriftelijk tussen partijen is vastgelegd; - X bekend is met de tussen M en R tot stand gekomen sublicentieovereenkomst betreffende het gebruik van de populariteit en auteursrecht van A en B; - dat partijen in aansluiting op de sponsorovereenkomst nog het navolgende wensen vast te leggen; verklaren te zijn overeengekomen als volgt: 1. X verklaart zich ten opzichte van M tot verrekening bereid van de door M ingevolge de in artikel 4.1 van de in de considerans genoemde sublicentieovereenkomst tussen M en R door M aan R verschuldigde vergoeding van Hfl. 500.000,-. 2. X is gerechtigd de ingevolge de in de considerans genoemde sponsorovereenkomst door M aan X verschuldigde bedragen (v.v.) van jaar tot jaar (seizoen tot seizoen) te verrekenen met het ingevolge artikel 1 van deze overeenkomst door X aan M verschuldigde bedrag ad Hfl. 500.000,-. Het na de verreke-ning eventueel resterende nog door M aan X verschuldigde c.q. door M van X nog te vorderen bedrag zal in rekening-courant worden verrekend. Aan het einde van de sponsorovereenkomst zal het saldo van deze rekening-courant opeisbaar zijn. Het dient binnen 12 maanden te worden voldaan, vermeerderd met de dan gel-dende marktrente vanaf afloop van de sponsorovereenkomst. 3. De door X aan M ingevolge artikel 3.6 van de sponsorovereenkomst verschuldigde vergoeding ingeval van de voortijdige beëindiging van de arbeidsovereenkomst tussen X en A en B of een van hen zal op verzoek van X geheel of ten dele door M aan R ter leen worden verstrekt ter her-investering in nieuw aan te trekken spelers, waarbij M medezeggenschap zal hebben op basis van gelijkwaardigheid. 4. Indien de arbeidsovereenkomst van A en B of een van hen met X wordt beëindigd, zal de bestaande sponsorovereenkomst tussen M en X gehandhaafd blijven en vindt er derhalve geen verrekening meer plaats zoals bedoeld in de artike-len 1 en 2. 5. (…) (…)” Namens belanghebbende is deze side letter tevens ondertekend door E. 3.30 Aanvankelijk, in een conceptversie van de side letter luidde de tekst van het sub 1 overeengekomene: “ 1. X verklaart zich ten opzichte van M tot schuldenaar van de door M ingevolge de in artikel 4.1 van de in de considerans genoemde sublicentieovereenkomst tussen M en R door M aan R verschuldigde vergoeding van Hfl. 500.000,--.” 3.31 Bij brief van 24 december 1997 heeft belanghebbende de brief van 24 oktober 1997 van N als volgt beantwoord: “ In reactie op uw brief (…) laat ik u weten dat de Stichting X en M Ltd. zijn overeengekomen elk voor de helft de eventuele financiële gevolgen te dragen van het contract tussen M voornoemd en R Ltd. Anders dan uw schrijven vermeldt is X dus niet aansprakelijk voor het geheel van de mogelijke kosten als hierbedoeld. Een document, waaruit de instemming van M met bovenstaande weergave van de gemaakte afspraken blijkt, is in voorbereiding. Zodra mogelijk zal ik u daarvan een exemplaar doen toekomen. (…)” 3.32 Op 18 mei 1998 heeft M een in de Engelse taal opgestelde sublicentie-overeenkomst met R ondertekend. Voor zover thans van belang luidt deze overeenkomst als volgt. “ The undersigned 1. M, (…) duly end legally represented by Mr W, herinafter referred to as “M”, being the party of the first part, and 2. R Ltd., (…)herinafter referred to as “R”, being the party of the second part. Whereas: - M and X have, in principle, reached agreement on a three-year (sub) main sponsorship contract with an option for one additional year, under which M will provide X with a range of products, including an assortment of clothing, and X will be obliged to place the M brand name and related logo on its players’ shirts; - A (…) and B (…), have entered into a contract of employment for a period of four years with an option for extending the contract for one additional year with the Stichting X (…). - M wishes to work with R to develop a line of clothing and footwear styled for A and B; - R has declared that it is prepared to promote the M line of clothing and footwear in the broadest possible sense and will grant M use of A and B’ popularity and copyrights (…), to which R declares to have acquired the exclusive rights, for the promotion of its products in the broadest possible sense. - (…) Declare that they agree to the following: 1.1 Definitions Except when specified to the contrary, the terms below have the following meaning in this agreement: “Use of popularity”: the use, in terms generally considered as being reasonable, of the public profile and the popularity of (one
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.