Uitspraak : 28 januari 2004 Rekestnummer : 482-H-03 Rekestnr. rechtbank : 02-6700 GERECHTSHOF TE 'S-GRAVENHAGE FAMILIEKAMER B e s c h i k k i n g in de zaak van [appellant], wonende te [x], verzoeker in hoger beroep, hierna te noemen: de vader, procureur mr. C.M. Schouten, tegen [benadeelde partij], wonende te [x], verweerster in hoger beroep, hierna te noemen: de moeder, procureur mr. A.K. Oostlander-Vos. PROCESVERLOOP De vader is op 17 juni 2003 in hoger beroep gekomen van een beschik-king van de rechtbank te 's-Gravenhage van 5 maart 2003, welke beschikking op 19 maart 2003 aan hem is betekend. De moeder heeft op 31 juli 2003 een verweerschrift ingediend. Van de zijde van de vader is bij het hof op 10 november 2003 een brief en op 13 en 19 november 2003 een fax binnengekomen, en van de zijde van de moeder is bij het hof op 11 november 2003 een fax binnengekomen, uit welke stukken blijkt dat de vader en de moeder overeenstemming hebben bereikt over hun geschil. Een mondelinge behandeling is daarom achterwege gebleven. VASTSTAANDE FEITEN Op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzit-ting staat - voor zover in hoger beroep van belang - tussen de ouders het volgende vast. De vader en de moeder zijn op [datum] met elkaar gehuwd. Uit hun huwelijk zijn de volgende nog minderjarige kinderen geboren: [kind 1], geboren op [geboortedatum], en [kind 2], geboren op [geboortedatum], hierna te noemen: de kinderen. Na echtscheiding oefenen de ouders gezamenlijk het gezag uit over de kinderen, die bij de moeder verblijven. Op [datum] heeft de moeder bij de rechtbank te 's-Gravenhage een verzoek tot echtscheiding met nevenverzoeken ingediend. De vader heeft geen verweer gevoerd. Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank tussen de ouders de echtscheiding uitgesproken. Bij die beschikking heeft de rechtbank verder (onder meer) bepaald - uitvoerbaar bij voorraad - dat de vader met ingang van de dag dat de echtscheidingsbeschikking zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand aan kinderalimentatie € 215,- per maand per kind en aan partneralimentatie € 2.695,- per maand aan de moeder zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, en dat de moeder jegens de vader bevoegd is de bewoning van de woonruimte aan de [adres] te [x] en het gebruik van de zaken, die behoren bij deze woning en tot de inboedel daarvan voort te zetten gedurende zes maanden na de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking, mits deze woning op het ogenblik van die inschrijving door de moeder wordt bewoond en aan de vader uitsluitend of mede toebehoort of ten gebruike toekomt. Daarbij heeft de rechtbank - uitvoerbaar bij voorraad - de verdeling van de tussen de ouders bestaande gemeenschap van goederen als volgt vastgesteld: aan de vader worden toegescheiden: - de vordering op de vennootschap onder firma V.O.F. [x] handelsnaam [x] ten bedrage van € 43.559,65; - het aandeel van de vader in de vennootschap onder firma V.O.F. [x] handelsnaam [x]; aan de moeder worden toegescheiden: - de onroerende zaak aan de [[x], WOZ-waarde € 81.680,-; - de hypothecaire lening bij ABN AMRO onder geldleningnummer [x] ten bedrage van € 93.025,-, met de aan de hypotheek verbonden levensverzekering. BEOORDELING
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.