Uitspraak: 13 februari 2004 Rolnummer: 03/1032 KA KG Zaaknummer rechtbank: 467470 VV EXPL 03-146 HET GERECHTSHOF TE 'S-GRAVENHAGE, negende civiele kamer, heeft het volgende arrest gewezen in de zaak van ROTTERDAM SHORT SEA TERMINALS B.V., gevestigd te Rotterdam, appellante, hierna te noemen: RST, procureur: mr. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt, tegen [geïntimeerde], wonende te [woonplaats], geïntimeerde, hierna te noemen: [geïntimeerde], procureur: mr. H.J.A. Knijff. Het geding Bij exploot van 30 juli 2003 is RST in hoger beroep gekomen van het vonnis van 4 juli 2003 door de voorzieningenrechter van de rechtbank te Rotterdam, sector kanton, locatie Rotterdam, in kort geding gewezen tussen partijen. In dit exploot (met producties) heeft RST vijf grieven opgeworpen. Bij conclusie van eis in hoger beroep heeft RST overeenkomstig de appèldagvaarding geconcludeerd. [Geïntimeerde] heeft de grieven bij memorie van antwoord bestreden. Op 16 januari 2004 hebben partijen de zaak doen bepleiten, RST door mr. H.T. Kernkamp, advocaat te Rotterdam, [Geïntimeerde] door mr. H.A. van Hapert, advocaat te Amsterdam, beiden overeenkomstig overgelegde pleitnotities. Beide partijen hebben hun stukken overgelegd en arrest gevraagd. Beoordeling van het hoger beroep 1. Geen grief of ander bezwaar is gericht tegen de vaststelling van de feiten door de rechtbank in de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.8 in het tussenvonnis van 4 juni 2003, zodat ook het hof de aldaar vermelde feiten tot uitgangspunt neemt. Afgezien van de vaststelling van deze feiten leggen de grieven, gelet op de daarop gegeven toelichtingen, het geschil in volle omvang ter beoordeling aan het hof voor. 2. Het gaat in deze zaak, samengevat, om het volgende. 2.1 [Geïntimeerde], geboren op [geboortedatum], is op 22 juli 1997 in dienst getreden van RST. Op 19 maart 2003 heeft RST [Geïntimeerde] mondeling op staande voet ontslagen en zulks bij brief van 20 maart 2003 aan hem schriftelijk bevestigd. Bij brief van 21 maart 2003 heeft [Geïntimeerde] de nietigheid van het ontslag ingeroepen. 2.2 Bij dagvaarding van 1 mei 2003 heeft [Geïntimeerde] de onderhavige kort gedingprocedure geëntameerd. Bij voorwaardelijk verzoekschrift ex artikel 7:685 BW, op 26 mei 2003 binnengekomen op de griffie van de rechtbank Rotterdam, sector kanton, heeft RST een verzoek ingediend strekkende tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst, voorzover deze nog zou blijken te bestaan. 2.3 In het tussenvonnis van 4 juni 2003 gaf de voorzieningenrechter aan te overwegen in de verzoekschriftprocedure een drietal personen als getuigen te horen en bepaalde de voorzieningenrechter dat de mondelinge behandeling van het kort geding op 20 juni 2003 zou worden voortgezet. In de verzoekschriftprocedure heeft de rechtbank op 23 juni 2003 een viertal getuigen gehoord. Op 23 juni 2003 is de behandeling van het onderhavige kort geding, gecombineerd met de behandeling van het door RST ingediende verzoekschrift, voortgezet. 2.4 Bij beschikking ex artikel 7:685 BW van 4 juli 2003 heeft de rechtbank, sector kanton, RST tot en met 18 juli 2003 de gelegenheid gegeven haar verzoek in te trekken en, voor het geval het verzoek niet wordt ingetrokken, de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst, voorzover deze nog mocht blijken te bestaan, met ingang van 19 juli 2003 ontbonden en [Geïntimeerde] een vergoeding ten laste van RST toegekend. 2.5 Bij het beroepen vonnis van 4 juli 2003 heeft de rechtbank, onder meer en kort gezegd, RST veroordeeld tot betaling aan [Geïntimeerde] van diens bruto maandsalaris vanaf 20 maart 2003 tot aan de datum waarop het dienstverband rechtsgeldig zal zijn beëindigd en RST tevens veroordeeld om [Geïntimeerde], ingaande 24 juli 2003, indien blijkt dat RST haar verzoek tot voorwaardelijke ontbinding heeft ingetrokken, wederom te werk te stellen. 2.6 RST heeft haar voorwaardelijk verzoek ex artikel 7:685 BW niet ingetrokken Evenmin is een ontvankelijk hoger beroep ingesteld van de beschikking van 4 juli 2003. 3. In dit kort geding stelt [Geïntimeerde] zich op het standpunt dat de door RST opgegeven dringende reden het hem op staande voet gegeven ontslag niet rechtvaardigt en vordert hij (naar het hof begrijpt: bij wege van voorlopige voorziening) doorbetaling van salaris en tewerkstelling. Alvorens tot inhoudelijke beoordeling over te gaan, merkt het hof op dat [Geïntimeerde], gelet op het onder 2.4 tot en met 2.6 vermelde, thans geen belang meer heeft bij zijn vordering tot tewerkstelling en dat het belang bij de vordering tot doorbetaling van salaris c.a. beperkt is tot de periode 20 maart 2003 tot 19 juli 2003. In verband met de proceskosten zal het hof de zaak beoordelen naar de stand van zaken zoals deze was bij de behandeling in eerste aanleg. 4. De onderhavige vordering van [Geïntimeerde] is slechts toewijsbaar indien met grote, althans met voldoende, mate van waarschijnlijkheid geoordeeld kan worden dat in een bodemprocedure, waarin [Geïntimeerde] aanvoert dat het hem op staande voet gegeven ontslag (ver)nietig(baar) is en waarin hij op grond daarvan doorbetaling van salaris c.a. en herstel van de dienstbetrekking vordert, het gelijk aan zijn zijde is. 5.1 Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een dringende reden als vereist voor een ontslag op staande voet dienen de omstandigheden van het geval in aanmerking te worden genomen, onder welke de aard en de ernst van hetgeen de werkgever als dringende reden aanmerkt, en verder onder meer de aard van de dienstbetrekking, de duur ervan en de wijze waarop de werknemer de dienstbetrekking heeft vervuld, alsmede de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, zoals zijn leeftijd en de gevolgen die het ontslag op staande voet voor hem zouden hebben. Het hof overweegt hieromtrent nader als volgt. 5.2 De door RST gegeven reden voor het ontslag op staande voet is het plaatsgevonden hebben van een incident, waar [Geïntimeerde] bij betrokken was, op 12 maart 2003. 5.3 Voormeld incident deed zich voor tijdens een alarmoefening (een zogeheten BHV-oefening). Het was de eerste keer dat een dergelijke oefening bij RST werd gehouden. [Geïntimeerde] bestuurde een zogenaamd pick-up busje en is daarmee over de voet van een beveiligingsbeambte gereden. 5.4 Met betrekking tot dit voorval is voorts nog het volgende komen vast te staan dan wel voorshands voldoende aannemelijk geworden: -
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.