GERECHTSHOF TE 's-GRAVENHAGE vierde meervoudige belastingkamer 6 mei 2004 nummer BK-03/01578 UITSPRAAK op het beroep van X te Z tegen de in een brief van 22 april 2003 vervatte beslissing van de Inspecteur, de voorzitter van het managementteam van de regio P van de Belastingdienst, om niet tegemoet te komen aan een verzoek, strekkende tot vernietiging van na te noemen navorderingsaanslagen en beschikkingen. 1. Navorderingsaanslagen, beschikkingen en bezwaar 1.1 Blijkens twee aanslagbiljetten, gedagtekend 31 december 2002, zijn aan belanghebbende navorderingsaanslagen opgelegd, onderscheidenlijk in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen voor het jaar 1990 en in de vermogensbelasting voor het jaar 1991. Deze navorderingsaanslagen hebben een beloop van respectievelijk € 12.848 en € 3.664. 1.2 Daarbij heeft de Inspecteur, bij beschikkingen in de zin van artikel 67g, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: Awr), telkens een boete aan belanghebbende opgelegd ten belope van 50 percent van de nagevorderde belasting. 1.3 Voorts heeft de Inspecteur in elk van beide gevallen een bedrag aan heffingsrente aan belanghebbende in rekening gebracht en het beloop daarvan bij voor bezwaar vatbare beschikking vastgesteld. 1.4 Bij brief van 30 december 2002 heeft de gemachtigde van belanghebbende tegen de voornoemde navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen voor het jaar 1990, de daarbij opgelegde boete en het daarbij in rekening gebrachte bedrag aan heffingsrente bezwaar gemaakt. 1.5 Bij brief van 10 april 2003 heeft de gemachtigde, onder verwijzing naar een bijgevoegd afschrift van een uitspraak van de belastingrechter te 's-Gravenhage, de Inspecteur verzocht de aan belanghebbende opgelegde aanslagen en boeten te vernietigen. 1.6 Bij brief van 22 april 2003 heeft de Inspecteur wat betreft de in 1.1 genoemde navorderingsaanslagen en boeten afwijzend op dat verzoek gereageerd en is hij daaraan niet tegemoet gekomen. 2. Loop van het geding 2.1 Op 27 mei 2003 is belanghebbende is van de bovenvermelde afwijzende reactie in beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 31. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 2.2 De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Gerechtshof van 26 maart 2004, gehouden te Den Haag. Aldaar zijn beide partijen verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt. 3. Vaststaande feiten Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde is, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, het volgende komen vast te staan: 3.1 Het bezwaarschrift tegen de navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen voor het jaar 1990, de daarbij opgelegde boete en de daarbij in rekening gebrachte heffingsrente, is gedateerd 30 december 2002 en strekt gemotiveerd tot vernietiging van de navorderingsaanslag, de boete en de heffingsrente, althans tot vermindering daarvan tot op nihil. Voorts wordt verzocht om toekenning van een vergoeding van proceskosten als bedoeld in artikel 7:15 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). 3.2 Hierna heeft zich tussen partijen de volgende briefwisseling voorgedaan. 3.3 Een brief van 31 januari 2003 van de Inspecteur aan de gemachtigde van belanghebbende, welke - voor zover thans van belang - luidt: " Betreft Ontvangstbevestiging bezwaarschrift (...) Op 31 december 2002 heb ik uw brief van 30 december 2002 ontvangen waarin u namens uw cliënt X (...) bezwaar maakt tegen de aanslag inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen 1990. (...) Uw bezwaarschrift is tijdig ingediend. Uw bezwaar is voldoende gemotiveerd om het in behandeling te kunnen nemen. Ik breng echter het volgende onder uw aandacht. De Belastingdienst is zich bewust van het bestaan van een aantal verschillen van inzicht tussen de inspecteur en belanghebbenden in het kader van het rekeningenproject. In de meeste gevallen gaat het daarbij om vragen over de volgende fiscaal juridische onderwerpen; - de (on)rechtmatigheid van het gebruik van informatie door de inspecteur; - het al dan niet handelen door de inspecteur in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur; - het recht van de inspecteur om een boete op te leggen en de hoogte van die boete - de toepasselijkheid van de inkeerbepaling Momenteel voeren Belastingdienst en A N.V. vanuit een oogpunt van proceseconomie overleg teneinde op een zo kort mogelijke termijn de bovengenoemde geschilpunten voor te leggen aan de fiscale rechter. Voor meer informatie met betrekking tot dat overleg en die procedures kunt u terecht op de volgende websites: (...) Ik verzoek u mij te berichten of u instemt met het aanhouden van uw bezwaar totdat op deze procedures onherroepelijk uitspraak is gedaan. Indien u instemt met het aanhouden van uw bezwaar zal ik u na het onherroepelijk worden van de uitspraken van voornoemde procedures in de gelegenheid stellen om te worden gehoord. In dat kader kunt u dan uw bezwaar nader toelichten. (...) Ik verzoek u mij binnen twee weken na dagtekening van deze brief uw reactie op het bovenstaande te laten weten." 3.4 Daarop (en kennelijk tevens op een gelijkluidende brief van de Inspecteur betreffende de vermogensbelasting voor het jaar 1991) heeft de gemachtigde van belanghebbende bij brief van 11 februari 2003 in afwijzende zin gereageerd. De tekst van deze brief luidt - voor zover thans van belang -: " Inzake: X/Fiscus (...) In uw brieven d.d. 31 januari jl. verzoekt U cliënt in te stemmen met een aanhouding van de bezwaarschriften tegen de aanslagen inkomsten- en vermogensbelasting 1990/1991 totdat in een aantal geselecteerde zaken onherroepelijk uitspraak is gedaan. In afwijking van de Awb heeft U een jaar de tijd op de bezwaren te beslissen (art. 25 AWR). Deswege ziet cliënt de noodzaak niet met Uw voorstel in te stemmen. Nu een aanslag met een boete is opgelegd, heeft belanghebbende juist recht op een spoedige afwikkeling van het ingediende bezwaar. (...)" 3.5 Een brief van 12 febuari 2003 van de Inspecteur aan de gemachtigde van belanghebbende welke - voor zover thans van belang - luidt: " Betreft Inroepen 1-jaarstermijn (...) Op 11 februari 2003 ontving ik uw reactie. U geeft geen toestemming tot het aanhouden van uw bezwaarschrift (...). Ik deel u mee dat op grond van artikel 25, lid 1 van de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen (AWR) de termijn voor de afdoening van een bezwaar een jaar na de ontvangst van het bezwaar is. Ik zal voorlopig nog geen uitspraak doen op uw bezwaar. De reden hiervoor is dat ik wil wachten op de uitkomsten van andere procedures welke gevoerd zullen worden over een aantal belangrijke, en voor uw bezwaar relevante, rechtsvragen welke spelen binnen het rekeningenproject. Zodra ik de uitkomsten van die procedures ken neem ik contact met u op. Voor de volledigheid merk ik op dat de termijn van 1 jaar eventueel nog verlengd kan worden." 3.6 De hiervoor in 1.5 genoemde brief van 10 april 2003 van de gemachtigden van belanghebbende aan de Inspecteur welke - voor zover thans van belang - luidt: " Inzake: X/Fiscus (...) In goede orde ontvingen wij uw brief waarin u het vezoek om aanhouding toelicht. Hieruit maken wij op dat U in ieder geval voornemens bent de namens cliënt ingediende bezwaarschriften aan te houden tot er in de proefprocedure op een aantal hoofdvragen is beslist. Terecht constateert U dat cliënt niet wenst in te stemmen met een aanhouding. Nu aanslagen met boeten zijn opgelegd, heeft belanghebbende juist recht op een spoedige afwikkeling van het ingediende bezwaar. Voorts leidt cliënt uit Uw brief af dat ook door U aan de rechtmatig- en juistheid van de aanslagen ernstig getwijfeld wordt. Dat deze (deels) in stand zullen blijven, staat dus geenszins vast. Bijgaand ontvangt U een afschrift van een uitspraak van de belastingrechter te 's-Gravenhage. Deze oordeelt in een vergelijkbare zaak dat de Belastingdienst niet voldoet aan zijn bewijslast, hetgeen dient te leiden tot een vernietiging van de aanslagen en boeten. Mede op grond daarvan verzoeken wij U de opgelegde aanslag(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.