GERECHTSHOF TE 's-GRAVENHAGE vierde meervoudige belastingkamer 6 mei 2004 nummer BK-03/01579 UITSPRAAK op het beroep van X te Z tegen de in een brief van 18 april 2003 vervatte beslissing van de Inspecteur, de voorzitter van het managementteam van de regio P van de Belastingdienst, om niet tegemoet te komen aan een verzoek, strekkende tot vernietiging van na te noemen navorderingsaanslagen en beschikkingen. 1. Navorderingsaanslagen, beschikkingen en bezwaar 1.1 Blijkens twee aanslagbiljetten, gedagtekend 31 december 2002, zijn aan belanghebbende navorderingsaanslagen opgelegd, onderscheidenlijk in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen voor het jaar 1990 en in de vermogensbelasting voor het jaar 1991. Deze navorderingsaanslagen hebben een beloop van respectievelijk € 32.258 en € 5.297. 1.2 Daarbij heeft de Inspecteur, bij beschikkingen in de zin van artikel 67g, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: Awr), telkens een boete aan belanghebbende opgelegd ten belope van 100 percent van de nagevorderde belasting. 1.3 Voorts heeft de Inspecteur in elk van beide gevallen een bedrag aan heffingsrente aan belanghebbende in rekening gebracht en het beloop daarvan bij voor bezwaar vatbare beschikking vastgesteld. 1.4 Bij brief van 21 januari 2003 heeft de gemachtigde van belanghebbende tegen de voornoemde navorderingsaanslagen, de daarbij opgelegde boeten en de daarbij in rekening gebrachte bedragen aan heffingsrente bezwaar gemaakt. 1.5 Bij brief van 10 april 2003 heeft de gemachtigde, onder verwijzing naar een bijgevoegd afschrift van een uitspraak van de belastingrechter te 's-Gravenhage, de Inspecteur verzocht de aan belanghebbende opgelegde aanslagen en boeten te vernietigen. 1.6 Bij brief van 18 april 2003 heeft de Inspecteur afwijzend op dat verzoek gereageerd en is hij daaraan niet tegemoet gekomen. 2. Loop van het geding 2.1 Op 27 mei 2003 is belanghebbende is van de bovenvermelde afwijzende reactie in beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 31. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 2.2 De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Gerechtshof van 26 maart 2004, gehouden te Den Haag. Aldaar zijn beide partijen verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt. 3. Vaststaande feiten Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde is, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, het volgende komen vast te staan: 3.1 Het bezwaarschrift tegen de navorderingsaanslagen, de daarbij opgelegde boeten en de daarbij in rekening gebrachte heffingsrente, is gedateerd 21 januari 2003 en strekt gemotiveerd tot vernietiging van de navorderingsaanslagen, de boeten en de heffingsrente, althans tot vermindering daarvan tot op nihil. Voorts wordt verzocht om toekenning van een vergoeding van proceskosten als bedoeld in artikel 7:15 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). 3.2 Hierna heeft zich tussen partijen de volgende briefwisseling voorgedaan. 3.3 Twee gelijkluidende brieven van 31 januari 2003 van de Inspecteur aan de gemachtigde van belanghebbende, welke - voor zover thans van belang - luiden: " Betreft Ontvangstbevestiging bezwaarschrift (...) Op 22 januari 2003 heb ik uw brief van 21 januari 2003 ontvangen waarin u namens uw cliënt X (...) bezwaar maakt tegen de navorderingsaanslag inkomstenbelasting 1990, [vermogensbelasting 1991]. (...) Uw bezwaarschrift is tijdig ingediend. Motivering Uw bezwaar is voldoende gemotiveerd om het in behandeling te kunnen nemen. Ik breng echter het volgende onder uw aandacht. Behandeling De Belastingdienst is zich bewust van het bestaan van een aantal verschillen van inzicht tussen Inspecteur en belanghebbenden in het kader van het rekeningenproject. In de meeste gevallen gaat het daarbij om vragen over de volgende fiscaal juridische onderwerpen; - de (on)rechtmatigheid van het gebruik van informatie door de Inspecteur; - het al dan niet handelen door de Inspecteur in strijd met de algemene beginselen van bestuur; - het recht van de Inspecteur om een boete op te leggen en de hoogte van die boete - de toepasselijkheid van de inkeerbepaling Momenteel voeren Belastingdienst en A N.V. vanuit een oogpunt van proceseconomie overleg teneinde op een zo kort mogelijke termijn de bovengenoemde geschilpunten voor te leggen aan de fiscale rechter. Voor meer informatie met betrekking tot dat overleg en die procedures kunt u terecht op de volgende websites: (...) Ik verzoek u mij te berichten of u instemt met het aanhouden van uw bezwaar totdat op deze procedures onherroepelijk uitspraak is gedaan. Indien u instemt met het aanhouden van uw bezwaar zal ik u na het onherroepelijk worden van de uitspraken van voornoemde procedures in de gelegenheid stellen om te worden gehoord. In dat kader kunt u dan uw bezwaar nader toelichten. (...) Ik verzoek u mij binnen twee weken na dagtekening van deze brief uw reactie op het bovenstaande te laten weten." 3.4 Daarop heeft de gemachtigde van belanghebbende bij brief van 11 februari 2003 gereageerd. De tekst van deze brief luidt - voor zover thans van belang -: " Inzake: X/Fiscus (...) In uw brieven d.d. 31 januari jl. verzoekt U mij in te stemmen met een aanhouding van het bezwaar totdat in een aantal geselecteerde zaken onherroepelijk uitspraak is gedaan. Nu een aanslag met een boete is opgelegd, heeft belanghebbende recht op een spoedige afwikkeling van het ingediende bezwaar. Daarbij rijst de vraag welk concreet belang bestaat aan de zijde van de Belastingdienst bij het verzoek om instemming door de belastingplichtige. In afwijking van de Awb hebt U al het recht de uitspraak op bezwaar een jaar aan te houden (art. 25 AWR). Daarenboven zal in het kader van het rekeningenproject de afdoeningsperiode ingevolge art. 25, lid 2 AWR waarschijnlijk nogmaals met een jaar (kunnen) worden verlengd. Uw verzoek om instemming lijkt daarmee eerst opportuun over twee jaren, als op dat moment de in uw brief genoemde procedures nog niet zijn afgerond. Gaarne verneem ik nog welke concreet belang bestaat bij instemming, zodat ik Uw verzoek met mijn cliënt kan bespreken. (...)" 3.5 De hiervoor in 1.5 genoemde brief van 10 april 2003 van de gemachtigden van belanghebbende aan de Inspecteur welke - voor zover thans van belang - luidt: " Inzake: X/Fiscus (...) In het kader van het namens cliënt, de heer X, ingediende bezwaarschrift tegen de navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en vermogensbelasting over 1990 respectievelijk 1991 doen wij U bijgaand een afschrift van het arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage d.d. 12 maart jl. toekomen. Hierin is in een vergelijkbare zaak geoordeeld dat de Belastingdienst niet voldoet aan zijn bewijslast, hetgeen dient te leiden tot een vernietiging van de aanslagen en boeten. Mede op grond daarvan verzoeken wij U de opgelegde aanslagen en boeten in opgemelde zaak te vernietigen." 3.6 De hiervoor in 1.6 genoemde brief van 18 april 2003 van de Inspecteur aan de gemachtigden van belanghebbende welke - voor zover thans van belang - luidt: " Betreft: Buitenlandse rekeningen / X (...) Naar aanleiding van uw schrijven van 10 april 2003 deel ik het volgende mede. U verzoekt de aan uw cliënt(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.