ECLI:NL:GHSGR:2004:AQ2782
Uitspraak : 14 juli 2004 Rekestnummer : 866-H-03 Rekestnr. rechtbank : 02-6464 GERECHTSHOF TE 'S-GRAVENHAGE FAMILIEKAMER B e s c h i k k i n g in de zaak van [belanghebbende], wonende te [woonplaats], verzoeker, tevens inciden-teel verweer-der, in hoger beroep, hierna te noemen: de man, procureur mr. I. de Vink, tegen [verweerster], wonende te [woonplaats], verweerster, tevens inciden-teel verzoe-kster, in hoger beroep, hierna te noemen: de vrouw, procureur mr. J.W. Wladimiroff-Nater.
PROCESVERLOOP De man is op 5 oktober 2003 in hoger beroep gekomen van een beschik-king van de rechtbank te 's-Gravenhage van 7 juli 2003.
De vrouw heeft op 10 november 2003 een verweerschrift tevens houdende incidenteel appèl ingediend.
De man heeft op 24 december 2003 een verweerschrift op het incidenteel appèl ingediend.
Van de zijde van de man zijn bij het hof op 16 oktober 2003, 25 november 2003 en 7 april 2004 aanvullende stukken ingekomen.
Van de zijde van de vrouw is bij het hof op 15 april 2004 een faxbericht ingekomen.
Op 16 april 2004 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de man, bijgestaan door zijn procureur en de vrouw, bijgestaan door haar procureur.
VASTSTAANDE FEITEN Op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzit-ting staat - voor zover in hoger beroep van belang - tussen partijen het volgende vast.
De man en de vrouw zijn op [datum], op huwelijkse voorwaarden, met elkaar gehuwd. Zij hebben samen geen kinderen.
Op [datum] heeft de vrouw bij de rechtbank te 's-Gravenhage een verzoek tot echtscheiding met nevenverzoeken ingediend. Zij heeft onder meer verzocht de verdeling van de tussen partijen bestaande huwelijksgemeenschap vast te stellen. Voorts heeft de vrouw verzocht te bepalen dat de man als alimentatie ten behoeve van de vrouw dient te voldoen een bedrag van € 2.000,- per maand. De man heeft hiertegen verweer gevoerd. Hij heeft zelfstandig verzocht de verdeling aldus vast te stellen dat het appartem[adres]es] te [woonplaats] en de aan dit appartement verbonden hypothecaire schuld aan hem worden toegescheiden, onder de verplichting van de man om de vrouw te ontslaan uit haar verplichtingen uit hoofde van de hypothecaire lening en de vrouw te veroordelen een bedrag van € 33.736,27 aan de man te betalen. Bij brief van 12 maart 2003 heeft de man zijn zelfstandig verzoek gewijzigd, in die zin dat hij verzoekt de vrouw op grond van de huwelijkse voorwaarden en de verdeling te veroordelen tegen behoorlijk bewijs van kwijting een bedrag van € 43.881,16 aan de man te betalen.
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank tussen partijen onder meer de echtscheiding uitgesproken. Bij die beschikking heeft de rechtbank verder - uitvoerbaar bij voorraad - de verdeling van de tussen partijen bestaande gemeenschap van goederen als volgt vastgesteld:
Aan de man wordt toegescheiden:
De rechtbank heeft het alimentatieverzoek van de vrouw afgewezen. Voorts heeft de rechtbank de behandeling van de zaak met betrekking tot het verzoek tot verrekening van de kosten van de normale gang van de huishouding aangehouden.
De echtscheidingsbeschikking is op 20 januari 2004 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
Hieronder zal het hof zonodig op hele bedragen afronden.
BEOORDELING VAN HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTE-LE HOGER BEROEP 1. De man verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, het zelfstandig verzoek van de man alsnog toe te wijzen, met veroordeling van de vrouw in de kosten van beide instanties.
De verdeling 4. In zijn eerste en tweede grief heeft de man aangevoerd dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat bij de verdeling van het gemeenschappelijke appartement aan de [adres] te [woonplaats], hierna ook te noemen: [adres], wordt uitgegaan van de leegwaarde in plaats van de waarde in verhuurde staat. De man stelt dat hij de huurovereenkomst alleen is aangegaan om de door de vrouw gewenste aankoop van de woning te Valencia (Spanje) en de aflossing van de aan de overige woningen - te weten aan de [adres] [adres]res] te [woonplaats] (hierna te noemen: [adres]) - verbonden (hypotheek)schulden mogelijk maken. Volgens de man is het onder deze omstandigheden dan ook naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat de verminderde waarde als gevolg van de verhuur voor rekening van de man wordt gebracht. Derhalve is de man van mening dat bij de verdeling uitgegaan dient te worden van de in het taxatierapport genoemde onderhandse verkoopwaarde in verhuurde staat van € 115.000,- voor het appartement aan de [adres]. De vrouw heeft de noodzaak van de aankoop van de woning in Spanje betwist en aangegeven dat zowel die aankoop, als de verhuur van de [adres], zonder overleg met haar heeft plaatsgevonden.
Daarbij dient mede acht te worden geslagen op hetgeen de redelijkheid en billijkheid in verband met de aard van het overeengekomene meebrengen. Tot de door partijen bij huwelijkse voorwaarden overeengekomen beperkte huwelijksvermogensrechtelijke gemeenschap behoren, mede in het licht van artikel 1:122 BW juncto titel 7 van Boek 1 BW, voor zover ten deze toepasselijk, naar de aard van die gemeenschap niet alleen het appartementsrecht, maar ook de schulden aangegaan ter financiering en het onderhoud daarvan. Voor het onderhavige geval brengt een uitleg naar redelijkheid en billijkheid in verband met de aard van de overeengekomen beperkte gemeenschap derhalve mee dat ook de aan het appartementsrecht verbonden, reeds voor het huwelijk bestaande, ter financiering van het appartementsrecht aangegane hypothecaire geldlening tot die gemeenschap behoort, tenzij in de huwelijkse voorwaarden anders zou zijn bepaald.
Dat laatste is niet het geval. Ook uit de stellingen van partijen omtrent hun bedoelingen ten aanzien van de huwelijkse voorwaarden volgt niet anders. De vrouw heeft gesteld dat de achtergrond van de beperkte gemeenschap is geweest dat werd tegemoetgekomen aan haar angst om na het overlijden van de man onverzorgd achter te blijven. De man stelt dat een beperkte gemeenschap is overeengekomen omdat de vrouw eronder leed niets te bezitten. Geen van beide lezingen sluit uit dat ook schulden tot de gemeenschap kunnen behoren. De hypothecaire geldlening behoort derhalve tot de gemeenschap en de daaruit voortvloeiende schuld dient mitsdien door beide deelgenoten te worden gedragen 9. Nu de man in zijn appèlschrift heeft aangegeven dat de openstaande hypotheekschuld bij de Rabobank per 31 december 2001 € 60.722,- bedroeg en ter zitting onweersproken heeft verklaard dat in die stand geen wijziging is gekomen, dient de man, mede gelet op hetgeen het hof heeft overwogen in de rechtsoverwegingen 5 en 6, in verband met voornoemd appartementsrecht een bedrag van € 38.389,- aan de vrouw te voldoen. Hetgeen de man subsidiair in zijn derde grief heeft aangevoerd behoeft geen bespreking meer, nu zijn primaire stelling slaagt.
De rechtbank heeft in haar beschikking de behandeling met betrekking tot het verzoek tot verrekening van de kosten van de normale gang van de huishouding aangehouden. Artikel 358 lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bepaalt dat van tussenbeschikkingen afzonderlijk hoger beroep niet is toegelaten, tenzij de rechter anders bepaalt, hetgeen in casu niet is geschied. De bestreden beschikking is - voor zover deze betrekking heeft op de kosten van de normale gang van de huishouding - een tussenbeschikking. Er is immers slechts sprake van een eindbeschikking als bedoeld in artikel 358 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering wanneer door een uitdrukkelijk dictum aan het gehele geding dan wel een gedeelte daarvan een einde is gemaakt, dat wil zeggen: het dictum bevat een uitspraak waarbij de rechter door toe of afwijzing van het verzochte of een gedeelte daarvan de zaak wat de betrokken instantie betreft geheel of gedeeltelijk heeft afgedaan. Daarvan is in het onderhavige geval geen sprake. Gelet op het vorenstaande dient de man in zijn appèl ten aanzien van de kosten van de normale gang van de huishouding niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn hoger beroep.
De alimentatie 15. In zijn inleidend verweerschrift, tevens zelfstandig verzoekschrift, heeft de man aangevoerd dat de vrouw samenwoont met een ander, als ware zij gehuwd. Het hof is echter niet gebleken van enige samenwoning van de vrouw, zodat het hof deze stelling van de man zal passeren.
BESLISSING OP HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTE-LE HOGER BEROEP Het hof: verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep, voor zover dat betrekking heeft op het verzoek tot verrekening van de kosten van de normale gang van de huishouding; vernietigt de bestreden beschikking voor zo-ver het de verdeling betreft en, in zoverre opnieuw beschik-ken-de: veroordeelt de man om aan de vrouw terzake van overbedeling te betalen een bedrag van € 38.389,-; veroordeelt de vrouw om aan de man de helft van het huidige debetsaldo op de rekening bij de Rabobank met nummer [x] te vergoeden; verklaart deze beschikking ten aanzien van de verdeling uitvoerbaar bij voor-raad; bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan 's hofs oor-deel onderworpen voor het overige; compenseert de kosten van beide instanties aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt; wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. Tanja-van den Broek, Stille en Zonnenberg, bijge-staan door mr. Visser als griffier, en uitgespro-ken ter openbare terecht-zitting van 14 juli 2004.