Uitspraak : 11 augustus 2004 Rekestnummer : 1066-H-03 Rekestnr. rechtbank : 02-5871 GERECHTSHOF TE 'S-GRAVENHAGE FAMILIEKAMER B e s c h i k k i n g in de zaak van [appellant], wonende te [woonplaats], verzoeker, tevens inciden-teel verweer-der, in hoger beroep, hierna te noemen: de man, procureur mr. B.F.F. Gosschalk-Davidson, tegen [verweerster], wonende te [woonplaats], verweerster, tevens inciden-teel verzoe-kster, in hoger beroep, hierna te noemen: de vrouw, procureur mr. A. Steutel. PROCESVERLOOP De man is op 4 december 2003 in hoger beroep gekomen van een tussenbeschik-king van de rechtbank te 's-Gravenhage van 5 september 2003. De vrouw heeft op 25 februari 2004 een verweerschrift tevens houdende incidenteel appèl ingediend. Van de zijde van de man zijn bij het hof op 5 december 2003, 9 december 2003, 30 december 2003 en 4 mei 2004 aanvullende stukken ingekomen. Op 14 mei 2004 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de man, bijgestaan door zijn procureur en de vrouw, bijgestaan door haar advocaat, mr. M.J. van Basten-Batenburg. VASTSTAANDE FEITEN Op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzit-ting staat - voor zover in hoger beroep van belang - tussen partijen het volgende vast. Op 15 februari 1999 hebben partijen de vermogensrechterlijke gevolgen van hun voorgenomen huwelijk geregeld door onder meer de volgende huwelijksvoorwaarden: 'artikel 3: de echtgenoten zijn, voor zover niet anders is bepaald, verplicht aan elkaar te vergoeden hetgeen aan het vermogen van de ene echtgenoot is onttrokken ten bate van de andere echtgenoot, ten bedrage van of naar de waarde ten dage van de onttrekking; artikel 8: de echtgenoten verplichten zich over elk kalenderjaar hetgeen van hun netto inkomen in de zin van artikel 5, onder aftrek van hetgeen daarvan is besteed voor de gemeenschappelijke huishouding, overblijft onderling te verrekenen in die zin, dat de ene echtgenoot een vordering verkrijgt op de andere echtgenoot ten bedrage van de helft van het aan diens zijde overblijvende als hiervoor bedoeld. Indien partijen over en weer een vordering op elkaar krijgen, worden de vorderingen door een desbetreffende verklaring verrekend tot het bedrag van de kleinste vordering. Indien aan een echtgenoot langs de andere weg iets ten goede komt of is gekomen van het overblijvende van het inkomen van de andere echtgenoot, wordt zijn vordering dienovereenkomstig verminderd.' De man en de vrouw zijn op [datum], op huwelijkse voorwaarden, met elkaar gehuwd. Zij hebben samen een nog minderjarige kind. Op 2 oktober 2002 heeft de vrouw bij de rechtbank te 's-Gravenhage een verzoek tot echtscheiding met nevenverzoeken ingediend. Zij heeft (onder meer) verzocht te bepalen dat de huwelijksgoederengemeenschap zal worden gescheiden en gedeeld, zoals door de vrouw in een aanvullend verzoek zal worden verzocht. Voorts heeft zij verzocht, indien de man weigerachtig blijft, de man te gelasten binnen een door de rechtbank te bepalen termijn, rekening en verantwoording af te laten leggen van zijn inkomsten en uitgaven vanaf de datum van het huwelijk tot heden. De man heeft eveneens verzocht de echtscheiding uit te spreken. Voorts heeft hij verweer gevoerd tegen de nevenverzoeken en daarbij zelfstandig (onder meer) verzocht de vrouw te veroordelen € 21.000,- aan de man te vergoeden terzake van onttrekking aan zijn vermogen. De vrouw heeft zich hiertegen verweerd. De vrouw heeft in haar aanvullend verzoekschrift onder meer verzocht de scheiding en deling van de boedel van partijen te gelasten conform de huwelijksvoorwaarden en hetgeen de vrouw in punt III van het aanvullend verzoek heeft verzocht, waardoor de man aan de vrouw een bedrag van € 105.000,- dient te voldoen. De man heeft zich hiertegen verzet. Bij brief, bij de rechtbank ingekomen op 27 juni 2003, heeft de man de rechtbank (nogmaals) verzocht de vordering van de vrouw van € 105.000,- af te wijzen. Voorts heeft de man verzocht de vrouw te veroordelen € 9.204,82 terstond aan de man terug te betalen op basis van artikel 3 van de huwelijkse voorwaarden, nu de vrouw deze onttrekking heeft gebruikt voor persoonsgebonden uitgaven en niet voor huishoudelijke uitgaven. Ten slotte heeft de man de rechtbank verzocht de vrouw te veroordelen € 16.108,07 verminderd met het bedrag dat aantoonbaar is gebruikt voor de betaling van huishoudelijke kosten, terstond aan de man terug te betalen op basis van artikel 3 van de huwelijkse voorwaarden. De vrouw heeft de inhoud van de brief gemotiveerd betwist. Bij de bestreden tussenbeschikking heeft de rechtbank tussen partijen de echtscheiding uitgesproken. Voorts heeft de rechtbank, voor zover in hoger beroep van belang, de verzoeken inzake de verrekening volgens artikel 3 en 8 van de huwelijkse voorwaarden afgewezen. Bij tussenbeschikking, uitgesproken ter zitting van 14 mei 2004, heeft het hof de man niet-ontvankelijk verklaard ten aanzien van zijn hoger beroep van de uitgesproken echtscheiding. VERDERE BEOORDELING VAN HET PRINCIPALE EN VAN HET INCIDENTE-LE HOGER BEROEP 1. De man is van mening dat de rechtbank ten onrechte zijn verzoek jegens de vrouw tot terugbetaling van een bedrag van in totaal €25.312,89 heeft afgewezen. In haar incidentele appèl stelt de vrouw dat de rechtbank ten onrechte haar vordering van een voorschot op grond van artikel 8 van de huwelijksvoorwaarden van €117.500,00 heeft afgewezen. 2. De man verzoekt de bestreden beschikking deels te vernietigen en, opnieuw beschikkende, de vrouw thans in haar inleidende verzoeken niet-ontvankelijk te verklaren. 3. De vrouw bestrijdt zijn beroep en verzoekt incidenteel, uitvoerbaar bij voorraad: - de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek, althans het verzoek van de man af te wijzen; - de bestreden beschikking, al dan niet met verbetering van gronden, te bekrachtigen ten aanzien van de vordering die de man stelt, gebaseerd op artikel 3 Huwelijksvoorwaarden ( € 9.204,82 en € 16.108,07); - de bestreden beschikking, al dan niet met verbetering van gronden, te vernietigen ten aanzien van de vordering die de vrouw stelt, gebaseerd op artikel 8 Huwelijksvoorwaarden ( € 117.000,-) (het hof leest: en opnieuw beschikkende: het inleidend verzoek van de vrouw alsnog toe te wijzen); - de man te veroordelen in de kosten van het geding. De man verzet zich daartegen. Vordering van de man 4. De man richt een grief tegen de overweging van de rechtbank waarbij de rechtbank de vordering van de man op de vrouw van in totaal € 25.312,89 heeft afgewezen. De vordering van de man is uit twee bestanddelen opgebouwd:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.