← Nederland

ECLI:NL:GHSGR:2005:1114

Rolnummer: 22-003669-05 Parketnummer(s): 12-039539-04 Datum uitspraak: 30 november 2005 TEGENSPRAAK Gerechtshof te 's-Gravenhage economische kamer Arrest gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de economische politierechter in de rechtbank te Middelburg van 9 juni 2005 in de strafzaak tegen de verdachte: de besloten vennootschap [rechtspersoon], gevestigd te [adres]. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 16 november 2005. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, waarvan een kopie in dit arrest is gevoegd. Procesgang In eerste aanleg is de verdachte vrijgesproken van het tenlastegelegde. De officier van justitie heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld. Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie Uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is het volgende komen vast te staan. De verdachte had drie ondergrondse tanks in haar bezit, ten aanzien waarvan de gemeente Sluis (voorheen Oostburg) het standpunt innam dat deze in verband met het bepaalde in artikel 13 lid 4 van het Besluit opslaan in ondergrondse tanks 1998 dienden te worden verwijderd. Bij beschikking d.d. 17 november 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Sluis aan de verdachte een dwangsom opgelegd wegens het blijvend niet naleven van voornoemd Besluit. Deze beschikking houdt voorts in dat geen dwangsom zal worden verbeurd indien de verdachte de tanks vóór 31 december 2004 zal hebben doen saneren, mits zij uiterlijk op 1 februari 2004 een kopie van de daartoe verstrekte opdracht aan het college heeft doen toekomen. De verdachte heeft hieraan tijdig voldaan en de tanks vóór 31 december 2004 laten verwijderen. Op 23 januari 2004 is de officier van justitie namens het college van burgemeester en wethouders verzocht om gelijktijdig met het bestuursrechtelijk traject een strafrechtelijk traject uit te voeren, “hetgeen op de overtreder de nodige impact heeft”. De officier van justitie heeft de verdachte vervolgens eerst in het voorjaar van 2005 gedagvaard om ter terechtzitting van 9 juni 2005 te verschijnen. Tenlastegelegd is: al dan niet opzettelijke overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 8.40, eerste lid, van de Wet milieubeheer (met verwijzing naar artikel 13 lid 4 Besluit opslaan in ondergrondse tanks 1998). Niet gebleken is dat de officier van justitie zich voorafgaande aan het nemen van zijn beslissing tot vervolging van de verdachte ervan heeft vergewist of de aan de dwangsombeschikking verbonden voorwaarden door de verdachte waren nagekomen. Het hof is – overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal – van oordeel dat het openbaar ministerie, alvorens tot dagvaarding van de verdachte over te gaan, bij afweging tussen enerzijds het algemeen belang dat met een vervolging zou zijn gediend en anderzijds het individuele belang van de verdachte om buiten het strafrechtelijke circuit te blijven het laatstgenoemde belang op dat moment had dienen te laten prevaleren, in aanmerking nemende de omstandigheid dat voorafgaande aan het nemen van de beslissing tot vervolging reeds voor de officier van justitie kenbaar was geweest dat de verdachte inmiddels had voldaan aan de aanschrijving door de desbetreffende tanks te doen verwijderen. Nu door het openbaar ministerie het beginsel van redelijke en billijke belangenafweging bij de beslissing tot vervolging naar ’s hofs oordeel is geschonden, zal het hof het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaren in de vervolging van de verdachte, met vernietiging van het vonnis waarvan beroep. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht. Verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging van de verdachte. Dit arrest is gewezen door mrs. J. Borgesius, S.K. Welbedacht en J.A. van Kempen, in bijzijn van de griffier mr. B.A.A. Postma. Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 30 november 2005.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.