ECLI:NL:GHSGR:2005:AW7422
Uitspraak : 25 mei 2005 Rolnummer : 2003/1452 en 2003/1453 Rol.nr rb. : 02/799 GERECHTSHOF TE 'S-GRAVENHAGE FAMILIEKAMER A r r e s t in de zaak van [appellant 1], wonende te [woonplaats], appellant, tevens incidenteel geïntimeerde, hierna te noemen: [appellant 1], procureur mr. A. Schippers, en [appellant 2], wonende te [woonplaats], appellant, tevens incidenteel geïntimeerde, hierna te noemen [appellant 2], procureur mr. J. Hemelaar, tegen [geïntimeerde 1], wonende te [woonplaats], [geïntimeerde 2], wonende te [woonplaats], [geïntimeerde 3], wonende te [woonplaats], [geïntimeerde 4], wonende te`[woonplaats], geïntimeerden, tevens incidenteel appellanten, hierna te noemen: [geïntimeerden], procureur mr. J. van Duijvendijk-Brand.
HET GEDING Bij exploot van 5 augustus 2003 is [appellant 1] en bij exploot van 7 augustus 2003 is [appellant 2] in hoger beroep gekomen van de vonnissen van 13 november 2002 en 7 mei 2003, door de rechtbank te `s-Gravenhage tussen partijen gewezen.
Voor de loop van het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar hetgeen de rechtbank daaromtrent in het tussenvonnis van 18 juni 2002 en in de bestreden vonnissen heeft vermeld.
Bij memorie van grieven tevens houdende wijziging van eis (met producties) heeft [appellant 1] 13 grieven aangevoerd.
Bij memorie van grieven tevens houdende wijziging van eis heeft [appellant 2] 10 grieven aangevoerd.
Bij memorie van antwoord in het principaal appèl tevens houdende antwoordakte naar aanleiding van akte wijziging van eis in het principaal appèl, tevens memorie van grieven in incidenteel appèl hebben [geïntimeerden] de grieven weersproken en 1 grief geformuleerd.
Op 24 juni 2004 hebben [geïntimeerden] een akte houdende vermeerdering eis in het incidenteel appèl genomen.
Op 5 augustus 2004 hebben [geïntimeerden] een akte wijziging eis in het incidenteel appèl genomen.
Op 5 augustus 2004 heeft [appellant 2] een memorie van antwoord in het incidenteel appèl tevens akte uitlating producties in het principaal appèl tevens akte inzake de vermeerdering van eis in het incidenteel appèl genomen.
Op 5 augustus 2004 heeft [appellant 1] een memorie van antwoord in het incidenteel appèl, tevens akte uitlating producties in het principaal appèl, tevens akte inzake de vermeerdering van eis in het incidenteel appèl genomen.
Partijen hebben hun procesdossier aan het hof overgelegd en arrest gevraagd.
BEOORDELING VAN HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP Algemeen 1. Tegen de feiten zoals door de rechtbank vastgesteld in de bestreden vonnissen van 13 november 2002 en 7 mei 2003 is niet opgekomen. Het hof zal van die feiten uitgaan tenzij de feiten in appèl nader zijn aangevuld.
Familie beraad 4. In rechtsoverweging 3.5 van het vonnis van 13 november 2002 heeft de rechtbank overwogen dat er op 10 augustus 2001 geen definitieve overeenkomst tussen alle erfgenamen omtrent de verdeling of onderdelen daarvan tot stand is gekomen. [appellant 1] (grief 5) en [appellant 2] (grief 2) hebben hiertegen een grief gericht. [geïntimeerden] hebben deze grieven gemotiveerd weersproken. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat er op 10 augustus 2001 maar ook na die datum niet een definitieve overeenkomst tussen de erfgenamen omtrent de verdeling of onderdelen daarvan tot stand is gekomen. Op 23 juli 2001 heeft [geïntimeerde 3] aan mr. J. Atsma van het notariskantoor mr. B. den Hartog een brief gestuurd.
Het hof acht het aannemelijk dat alle deelgenoten in de nalatenschap van erflater een kopie van deze brief hebben verkregen. In deze brief is onder punt 1 vermeld: ”Overleg en zo mogelijk besluitvorming ten aanzien van de verdeling van de nalatenschap van mijn vader, met name de toedeling van huize [x]”. Uit de strekking van de brief volgt naar het oordeel van het hof dat de verdeling van de gehele nalatenschap bij de notaris aan de orde zou komen en niet alleen de toedeling van huize [x]. Door notaris mr. B. den Hartog zijn notulen van het familieberaad van 10 augustus 2001 opgesteld welke door partijen in het geding zijn gebracht. Uit deze notulen volgt dat [appellant 2] het tijdens dit familieberaad geformuleerde voorstel ter zake de afwikkeling van de boedel van erflater niet heeft geaccepteerd. [appellant 2] stelt: ”Ik kan nog niet zeggen of ik hiermee kan leven.
Ik heb op dit moment genoeg gedaan. Ik heb ook haast met alles, maar ben teleurgesteld in hoe de zaak is afgehandeld. Hier wil ik ook over nadenken.” Uit de notulen volgt eveneens dat [geïntimeerde 3] heeft gesteld dat een termijn van één à twee maanden voldoende is voor [appellant 2] om antwoord te geven op het voorstel. Voorts volgt uit de notulen dat notaris mr. B. den Hartog er bij [appellant 2] op heeft aangedrongen om op zo kort mogelijke termijn uitslag te geven. In de brief van [geïntimeerde 3] van 9 september 2001 aan alle erfgenamen waaronder [appellant 2] heeft [geïntimeerde 3] het aanbod weergegeven van de totale regeling zoals besproken ten kantore van voornoemde notaris op 10 augustus 2001.
Uit de brief volgt dat alleen [appellant 2] om bedenktijd heeft gevraagd inzake de wijze van afhandeling van de boedel van erflater. Voorts stelt [geïntimeerde 3] in zijn brief: “Ik zou [appellant 2] willen vragen zijn beslissing of hij deze overeenkomst al dan niet aanvaardt vóór 12 oktober 2001 aan de notaris en de erfgenamen mede te delen. Hij heeft dan ruim twee maanden de tijd gehad om zijn standpunt te bepalen.” Bij brief van 15 oktober 2001 van [geïntimeerden] aan [appellant 1] en [appellant 2] is vermeld: “Wij hebben vastgesteld dat het beraad van 10 augustus 2001 onder leiding van de notaris den Hartog niet binnen een redelijke termijn tot een overeenkomst tot verdeling van de nalatenschap heeft geleid die door alle zes erfgenamen is aanvaard.
Daarmee is onze aanvankelijke instemming met het op 10 augustus 2001 bereikte resultaat vervallen.” Gezien het hof hiervoor heeft overwogen is het hof van oordeel dat [appellant 2] wist dat hij binnen een redelijke termijn aan de overige erfgenamen uitsluitsel diende te geven over de vraag of hij het voorstel tot afwikkeling van de boedel van erflater zoals verwoord op 10 augustus 2001 zou accepteren. Bij brief van 9 september 2001 is [appellant 2] er met nadruk op gewezen dat hij voor 12 oktober 2001 moest aangeven of hij het aanbod zou aanvaarden. Het hof is van oordeel dat aan [appellant 2] een redelijke termijn is gegeven om het aanbod al dan niet te accepteren. Aangezien [appellant 2] niet binnen de redelijke termijn van twee maanden het aanbod heeft aanvaard en [geïntimeerden] op 15 oktober 2001 expliciet hebben medegedeeld dat het aanbod is komen te vervallen, kan [appellant 2] noch de overige deelgenoten in de onverdeelde boedel enig recht ontlenen aan het voorstel zoals besproken op 10 augustus 2001 ten kantore van notaris mr.
B. den Hartog. De strekking van de bespreking op 10 augustus 2001 alsmede het voorstel tot afwikkeling van de boedel van erflater van 10 augustus 2001 was om een totale regeling te treffen tussen alle deelgenoten.
Executeur-testamentair 7. In grief 1 stelt [appellant 1] en in grief 4 stelt [appellant 2] dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de benoeming van [geïntimeerde 3] als executeur-testamentair vaststaat. Wat [appellant 1] en [appellant 2] met hun grieven beogen volgt noch uit de grieven noch uit de toelichting daarop. Niet gesteld of anderszins is gebleken dat [geïntimeerde 3] als executeur-testamentair is afgezet noch is gesteld of gebleken dat [appellant 1] en of [appellant 2] een beroep hebben gedaan op hun legitieme rechten ter beperking van de executele.
Zorgvuldigheid van de executeur-testamentair 9. In grief 8 van [appellant 1] leest het hof dat de rechtbank ten onrechte niet heeft overwogen dat [geïntimeerde 3] een deel van zijn taak als executeur-testamentair niet zorgvuldig heeft uitgevoerd, namelijk het niet deugdelijk informeren van de overige deelgenoten over zaken die de onverdeelde boedel betreffen. In de grieven 5, 6 ,7 en 8 van [appellant 2] leest het hof dat [appellant 2] de zorgvuldigheidsnorm aan de orde stelt die [geïntimeerde 3] in zijn hoedanigheid van executeur-testamentair jegens de deelgenoten in acht dient te nemen.
Mede gezien de omvang van de onverdeelde boedel acht het hof het door [geïntimeerde 3] inschakelen van deskundigen zowel op fiscaal, financieel en notarieel gebied uiterst zorgvuldig. Dat [appellant 2], [appellant 1] of hun adviseurs het mogelijk niet eens zijn met de door de deskundigen gegeven adviezen doet daaraan niet af. Niet door [appellant 1] en [appellant 2] is weersproken de stelling van [geïntimeerde 3] dat het [appellant 2] en [appellant 1] vrij stond om contact op te nemen met de door [geïntimeerde 3] ingeschakelde deskundigen. Het accountantskantoor Schade verrichtte voor erflater vanaf 1974 de inkomens- en vermogensoverzichten en de belastingaangiften van erflater (zie brief [geïntimeerde 3] 10 juli 2001 aan mr.
J. Hemelaar). Uit de gewisselde stukken is gebleken dat de deelgenoten bij voornoemd accountantskantoor inzage hadden in alle op de boedel betrekking hebbende stukken. Ook het vorenstaande geeft blijk dat [geïntimeerde 3] bij de uitvoering van zijn werkzaamheden volledig transparant heeft willen werken en naar het oordeel van het hof ook heeft gewerkt. [geïntimeerde 3] heeft gesteld (productie 4 memorie van antwoord) dat hij bij het nemen van beslissingen de grootst mogelijke terughoudendheid heeft betracht. Voorts heeft hij gesteld dat indien er grote veranderingen in het vermogensbeheer diende plaats te vinden, zoals het verkopen van aanzienlijke pakketten aandelen of het aangaan van leningen, dit de instemming van alle zes erfgenamen behoefde.
Naar het oordeel van het hof geeft deze taakopvatting van het beheer door [geïntimeerde 3] blijk van een grote mate van zorgvuldigheid. Niet door [appellant 1] en [appellant 2] is gesteld dat zij aan [geïntimeerde 3] hebben geadviseerd om grote pakketten aandelen te verkopen; het tegendeel lijkt eerder waar te zijn. [geïntimeerde 3] stelt in zijn commentaar op de memories van grieven (productie 4 pagina 8): ”In het archief heb ik slechts een brief van 16/05/2002 van mr Hemelaar aan mr van Duijvendijk kunnen vinden waarin deze namens [appellant 2] schrijft: ”Mijn cliënt [appellant 2] wil aangeven, dat hij op dit moment voorstander is van het vasthouden van de aandelen omdat hij verwacht dat deze de koers van 70(Euro) wel weer zullen bereiken.” Gezien het hof hiervoor heeft overwogen is het hof van oordeel dat [geïntimeerde 3] als executeur-testamentair de zorg heeft betracht die een redelijk bekwaam en redelijk handelend executeur-testamentair in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht.
Onrechtmatige daad executeur-testamentair 11. In grief 3, 7, 8 en 9 stelt [appellant 2] dat de rechtbank ten onrechte niet heeft aangenomen dat [geïntimeerde 3] niet onrechtmatig heeft gehandeld jegens hem. Bij akte wijziging eis vraagt [appellant 2] te verklaren voor recht dat [appellant 2] als gevolg van het handelen dan wel nalaten van [geïntimeerde 3] een schade heeft geleden van € 557.249,40 enz. In grief 6 stelt [appellant 1] dat de rechtbank ten onrechte niet heeft overwogen dat [geïntimeerde 3] onrechtmatig jegens [appellant 2] en [appellant 1] heeft gehandeld. Bij akte wijziging eis vraagt [appellant 1] te verklaren voor recht dat [appellant 1] als gevolg van het handelen dan wel nalaten van [geïntimeerde 3] een schade heeft gelden van € 557.249,40 enz. Voor zover [appellant 1] en [appellant 2] in hun toelichting op de grieven stellen dat het onrechtmatige handelen van [geïntimeerde 3] zijn grond vindt in de wijze waarop hij het beheer heeft gevoerd ter zake de onverdeelde nalatenschap verwijst het hof naar hetgeen het hof heeft overwogen in rechtsoverweging 10.
Diverse 16. In grief 7 stelt [appellant 1] dat er geen enkele rechtvaardiging was om [appellant 1] en [appellant 2] buitenspel te zetten. Het hof is van oordeel dat [geïntimeerde 3] [appellant 1] en [appellant 2] op een correcte wijze betrokken heeft bij de afwikkeling van de nalatenschap. Zowel [appellant 2] als [appellant 1] hebben voldoende gelegenheid gehad om hun eigen belangen te bewaken in het kader van de verdeling.
Verdeling en rekening en verantwoording 19. In grief 1 van het incidentele appèl stellen [geïntimeerden] dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat [geïntimeerde 3] niet ten overstaan van de rechter rekening en verantwoording als executeur-testamentair mag afleggen, als ook dat de vordering tot verdeling niet is toegewezen. Bij akte van 5 augustus 2004 hebben [geïntimeerden] hun eis in het principaal appèl in dit opzicht gewijzigd.
Om verdere misverstanden en onnodige conclusiewisseling te voorkomen, gelast het hof een comparitie van partijen ten overstaan van een te benoemen raadsheer-commissaris om de hiervoor gevraagde informatie met partijen en de notaris te bespreken.
BESLISSING VAN DE ZAAK IN HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP Het hof: alvorens verder te beslissen: bepaalt een comparitie van partijen op 13 oktober 2005 om 13.30 uur in het Paleis van Justitie te `s-Gravenhage ten overstaan van een raadsheer-commissaris tot het verstrekken van nadere inlichtingen, waarbij zowel alle partijen als hun advocaten in persoon aanwezig dienen te zijn; benoemt tot raadsheer-commissaris de raadsheer mr. A.N. Labohm; bepaalt dat [geïntimeerden] 14 dagen voor de comparitie van partijen aan het hof de in rechtsoverweging 21 gevraagde informatie verstrekken, onder gelijktijdige toezending van deze stukken aan de procureur van [appellant 1] en [appellant 2]; bepaalt dat [geïntimeerden] er voor zorgdragen dat notaris mr A.J.M. van Velzen eveneens bij de comparitie van partijen aanwezig is; houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. Van den Wildenberg, Kok en Labohm, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 mei 2005, in tegenwoordigheid van de griffier.