Uitspraak: 27 april 2006 Rolnummer: 98/948 Rolnr. rechtbank: 97/3240VR HET GERECHTSHOF TE ’S-GRAVENHAGE, eerste civiele kamer, heeft het volgende arrest gewezen in de zaak van: [APPELLANT], verblijvend te [verblijfplaats], appellant in het principaal appèl, geïntimeerde in het incidenteel appèl, hierna te noemen: [appellant], procureur: mr. A.M.M. van der Valk, tegen DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Justitie), zetelende te ‘s-Gravenhage, geïntimeerde in het principaal appèl, appellant in het incidenteel appèl, hierna te noemen: de Staat, procureur: mr. C.M. Bitter. Het geding in hoger beroep Voor het procesverloop tot aan het tussenarrest van het hof van 10 maart 2005 verwijst het hof naar dat arrest. Bij dat arrest heeft het hof partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de eventuele betekenis van het arrest Brand tegen Nederland van het EHRM van 11 mei 2004 (NJ 2005, 57). Hierna heeft [appellant] een akte genomen, waarop de Staat bij (antwoord)akte na interlocutoir arrest heeft gereageerd. Vervolgens hebben partijen de stukken overgelegd en wederom arrest gevraagd. Beoordeling van het hoger beroep 1.1 In deze zogeheten tbs-passant zaak staat vast dat de executietermijn van de aan [appellant] opgelegde maatregel van terbeschikkingstelling aanving op 15 mei 1995 en dat hij op 30 september 1996, dus 16,5 maanden later, in een tbs-kliniek is geplaatst. In de tussenliggende periode (de passantentermijn) verbleef hij in een huis van bewaring, met uitzondering van de periode van 28 februari 1996 tot 17 april 1996 toen hij ter selectie was opgenomen in een selectie-instituut. 1.2 [appellant] heeft gevorderd dat de Staat wordt veroordeeld om aan hem te betalen ƒ 60.750,-, vermeerderd met de wettelijke rente en kosten. Hij heeft daartoe aangevoerd dat een verblijf als tbs-passant in een huis van bewaring onrechtmatig is voor zover de passantentermijn een periode van 90 dagen te boven gaat, en hij heeft een bedrag gevorderd van ƒ 150,- voor iedere dag die hij na drie maanden niet in een tbs-kliniek heeft doorgebracht. 1.3 De rechtbank heeft overwogen dat de passantentermijn onrechtmatig was voor zover deze langer was dan twaalf maanden en zij heeft de Staat veroordeeld tot betaling van ƒ 13.800,-, zijnde ƒ 100,- per dag voor de passantentermijn na twaalf maanden, met rente vanaf 7 mei 1997 en proceskosten. De Staat heeft ter uitvoering van dit vonnis op 10 juni 1998 ƒ 14.987,96 aan [appellant] betaald. 1.4 [appellant] is met vier grieven tegen het vonnis in appel gekomen. De Staat heeft met twee grieven incidenteel appel ingesteld en heeft gevorderd dat de aan [appellant] verschuldigde schadevergoeding wordt bepaald op ƒ 13.000,- met terugbetaling door [appellant] van het meerdere, met rente vanaf 10 juni 1998 en proceskosten. 2.1 Met zijn eerste drie grieven komt [appellant] op tegen het oordeel van de rechtbank, dat het passantenverblijf gedurende de eerste twaalf maanden niet als onrechtmatig kan worden aangemerkt en tegen de oordelen van de rechtbank over de aan de Staat te maken verwijten. 2.2 De grieven zijn gegrond. Op 11 mei 2004 heeft het EHRM, overwegende dat er reeds sinds 1986 een structureel capaciteitstekort in de tbs-klinieken bestaat en dat er geen aanwijzingen zijn dat de autoriteiten geconfronteerd zijn geweest met een uitzonderlijke en onvoorziene situatie, geoordeeld dat zelfs een vertraging van zes maanden bij de toelating van een persoon tot een tbs-kliniek niet acceptabel is. Daarnaast heeft het EHRM toen overwogen dat het niet onrechtmatig is om de procedure voor de selectie van de kliniek pas te beginnen nadat de executie van de tbs-maatregel is aangevangen. Voorts mag niet van de Staat worden verwacht te verzekeren dat er direct een plaats beschikbaar is in de geselecteerde tbs-kliniek; geaccepteerd moet worden dat er enige frictie is tussen de behoefte en de beschikbare capaciteit. Het plaatsen in een tbs-kliniek op een latere datum dan de aanvangsdatum van de tbs-maatregel is dus niet op zichzelf al onrechtmatig. 2.3 Het hof gaat ervan uit, mede gelet op het daarnaar in 1996 gedane onderzoek van de Nationale Ombudsman, dat voor de selectieprocedure in de regel drie maanden nodig zijn, omdat de selectie door het selectie-instituut enige weken kan duren en zowel de selectie-aanvraag als de procedure voor de plaatsing tijd vergt voor de administratieve afwikkeling (zoals advies uitbrengen aan de minister en opstellen van het besluit). De Staat, op wiens weg dat ligt, heeft niet gesteld dat dit uitgangspunt niet (meer) juist is. Voorts oordeelt het hof dat de te accepteren frictie een wachttijd van een paar weken voor zowel de plaatsing in de selectiekliniek als de daaropvolgende plaatsing in de tbs-kliniek rechtvaardigt. Gelet hierop kan een passantentermijn van vier maanden niet als onrechtmatig worden beschouwd, behoudens bijzondere omstandigheden. Nadat een tbs-gestelde vier maanden als passant heeft doorgebracht is het in beginsel onrechtmatig jegens hem om hem langer op behandeling in een tbs-kliniek te laten wachten. 2.4 De Staat beroept zich er op, dat de RSJ een passantentermijn van meer dan vijf maanden onrechtmatig acht en pas schadevergoeding toekent over de periode na zes maanden. Dit kan evenwel geen aanleiding zijn de passantentermijn pas vanaf de zevende maand onrechtmatig te achten. De RSJ oordeelt immers slechts over de verlengingsbeslissingen vanaf de (voltooide) zesde maand. Een oordeel over de rechtmatigheid van de tenuitvoerlegging over de daarvoor liggende periode komt op basis van de wettelijke regeling niet aan de RSJ toe. Het hof richt zich naar de uitspraken van het EHRM, dat een termijn van zes maanden onacceptabel heeft geacht, maar daarnaast heeft geoordeeld dat “enige frictie” wel toelaatbaar is. Zoals hiervoor is aangegeven, is een wachttijd van meer dan vier maanden niet gerechtvaardigd. 2.5 Anders dan de Staat aanvoert bestaat de schadevergoedingsplicht niet pas vanaf de uitspraak van het EHRM inzake Brand op 11 mei
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.