Uitspraak: 27 juli 2006 Rekestnummer: R06/252 Zaak/rekestnummer rechtbank: 246878 / HA RK 05-592 HET GERECHTSHOF TE ’S-GRAVENHAGE, eerste civiele kamer, heeft de volgende beschikking gegeven in de zaak van [verzoekers in hoger beroep], wonende te [woonplaats], hierna te noemen: [verzoekers], procureur: mr. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt, tegen [Verweerder in hoger beroep], wonende te [woonplaats], hierna te noemen: [verweerder], procureur: mr. W. Taekema. Het geding Bij beroepschrift, ingekomen bij het hof op 23 februari 2006, hebben [verzoekers] beroep ingesteld tegen de beschikking van de rechter-commissaris in de rechtbank te 's-Gravenhage, sector civiel, van 23 november 2005, gegeven op hun incidentele verzoeken in de zaak van [verweerder] tegen de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie). In dit beroepschrift (met producties) hebben [verzoekers] twee grieven tegen de bestreden beschikking opgeworpen. [verweerder] heeft bij verweerschrift (met producties) de grieven bestreden. Ter zitting van dit hof van 12 juni 2006 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Partijen hebben hun standpunt doen toelichten, [verzoekers] door mr. R.D. Chavannes, advocaat te Amsterdam, en [verweerder] door mr. G.J. Kemper, advocaat te Amsterdam. Beide raadslieden hebben zich van een pleitnota bediend en deze overgelegd. De beoordeling van het hoger beroep 1. Het gaat samengevat om het volgende. 1.1 [verweerder] is verdachte geweest in een strafrechtelijk onderzoek naar handel in effecten met voorwetenschap. 1.2 [verzoekers], beiden als journalist verbonden aan het landelijk dagblad NRC Handelsblad, hebben over het onderzoek gepubliceerd in NRC Handelsblad. Zij hebben zich daarbij gebaseerd op vertrouwelijke informatie uit het strafdossier van [verweerder] (waaronder het zogenoemde Toetsingsdossier). 1.3 [verweerder] vermoedt dat personen in dienst van de Staat hebben gelekt naar [verzoekers], en is voornemens de Staat in rechte te betrekken om te komen tot vergoeding van schade die hij stelt te hebben geleden door de publicaties in NRC Handelsblad. 1.4 [verweerder] heeft bij verzoekschrift tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor de rechtbank verzocht [verzoekers] als getuigen in een voorlopig getuigenverhoor te doen horen over de wijze waarop zij het Toetsingsdossier en mogelijk andere justitiële informatie uit het dossier van [verweerder] ter beschikking hebben gekregen. [verzoekers] hebben naar aanleiding van het verzoekschrift schriftelijk aan de rechtbank doen weten, dat zij zich ten aanzien van het volledige probandum beroepen op hun journalistieke verschoningsrecht, en de rechtbank verzocht op voorhand te beslissen dat zij zich in dezen terecht op hun verschoningsrecht beroepen en dus niet hoeven te verschijnen of verklaren. De rechtbank is niet ingegaan op het beroep op genoemd verschoningsrecht, overwegende dat uitgangspunt is dat daaromtrent zal worden beslist door de rechter-commissaris, en heeft bij beschikking van 1 november 2005 met benoeming van een rechter-commissaris het voorlopige getuigenverhoor zoals verzocht, bevolen. 1.5 De benoemde rechter-commissaris heeft [verweerder] en de Staat in de gelegenheid gesteld schriftelijk op de verzoeken van [verzoekers] te reageren, onder de mededeling dat, indien binnen de gestelde termijn een reactie zou uitblijven, zal worden aangenomen dat zij zich aan het oordeel van de voor het verhoor aangewezen rechter-commissaris refereren. 1.6 Bij brief van 18 november 2005 van zijn advocaat heeft [verweerder] zich op het standpunt gesteld, dat het beroep van de getuigen om te mogen zwijgen niet dient te worden gehonoreerd, althans dat dat beroep telkens op zijn merites moet worden onderzocht aan de hand van concrete vragen. 1.7 De rechter-commissaris heeft de verzoeken van [verzoekers] afgewezen. 2. Grief 1 richt zich tegen rechtsoverweging 2.2 van de beschikking, waarin de rechter-commissaris oordeelt, dat [verzoekers] zich niet kunnen beroepen op een wettelijk verschoningsrecht, dat het om te kunnen beoordelen of [verzoekers] een andere, bijzondere reden hebben waarom het afleggen van een verklaring niet van hen kan worden gevergd, noodzakelijk is dat [verzoekers] ter terechtzitting verschijnen, en dat niet is gebleken dat [verweerder] bij hun verschijning geen in rechte te respecteren belang heeft. Grief 2 luidt: "Ten onrechte heeft de Rechtbank het beroep op het verschoningsrecht op basis van de aangevoerde feiten afgewezen." In de toelichting op de grieven stellen [verzoekers] dat de rechtbank heeft miskend dat, indien, zoals in de onderhavige zaak het geval is, op voorhand kan worden vastgesteld dat de journalist zich ten aanzien van iedere denkbare, op het probandum betrekking hebbende vraag kan beroepen op het hem toekomende verschoningsrecht, moet worden vastgesteld dat verzoeker geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij zijn verschijning. [verzoekers] voeren daartoe aan, dat het probandum zoals dat blijkt uit het verzoekschrift, uitsluitend ziet op informatie over hun bronnen, dus over feiten die kennelijk onder het journalistieke brongeheim vallen, en dat alle informatie die van belang kan zijn voor het bewijzen of ontkrachten van de stelling dat er vanuit de overheid is gelekt, informatie is die het bekend worden van hun bronnen riskeert en dus onder het verschoningsrecht valt. 3. De grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling. 4. Het hof overweegt als volgt. 4.1 Voorop staat dat ingevolge art. 165 lid 1 Rv ieder die daartoe op wettige wijze is opgeroepen, verplicht is getuigenis af te leggen. Ook de getuige die zich wenst te beroepen op een wettelijk verschoningsrecht of die meent een andere, bijzondere reden te hebben waarom het afleggen van een verklaring van hem niet kan worden verlangd, zal als regel ter terechtzitting moeten verschijnen om daar tegenover de rechter en partijen die immers belang erbij hebben dat aan deze verplichting uitvoering wordt gegeven, de gronden van zijn weigering kenbaar en voor de rechter toetsbaar te maken. In gevallen waarin aanstonds duidelijk is dat dergelijke gronden aanwezig zijn kan de getuige deze tevoren schriftelijk aan de rechter en de betrokken partijen bekend maken. Indien de partij die de getuige heeft opgeroepen zich niet met deze gronden kan verenigen, zoals in dit geval, zal de getuige moeten verschijnen voordat de rechter een beslissing over de weigeringsgrond(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.