Uitspraak: 29 september 2006 Rolnummer: 2004 / 1134 Rolnr. rechtbank: 181449 HA ZA 02-1774 HET GERECHTSHOF TE ’S-GRAVENHAGE, tweede civiele kamer, heeft het volgende arrest gewezen in de zaak van
(14049)bij art. 8:541, pag. 571), maar dit betekent niet dat ook andersom mag worden geredeneerd, in die zin dat steeds wanneer voldaan is aan de - ruime - “schuld van een schip-definitie” uit de Casuele / De Toekomst, sprake is van door een schip veroorzaakte schade. 11. Anders dan IMT c.s. menen, is overigens niet voldaan aan het “c-criterium” uit bedoelde definitie - kort gezegd het “gebrekkige zaakscriterium” van art. 6:173 BW. De schade is immers veroorzaakt doordat de door de m.s. “A” ingenomen lading was vervuild en niet door een gebrek van de Banglar Doot. Mogelijk is wel voldaan aan het “a-criterium”, inhoudende dat sprake is van schuld van een schip indien de schade het gevolg is van een fout van een persoon voor wie de eigenaar van het schip aansprakelijk is volgens de art. 6-169-171 BW. 12. Alvorens hierbij stil te staan en dieper in te gaan op de vraag of de vervuiling van de m.s. “A” (mede) door de Banglar Doot is veroorzaakt dan wel in meer algemene zin aan onrechtmatig handelen van BSC te wijten, wenst het hof nader te worden voorgelicht over de precieze toedracht van het schadevoorval. Bij lezing van het dossier rijzen hieromtrent diverse vragen, waarvan er hier enkele worden genoemd: (
- i)Tijdens de reis zijn verstekelingen ontdekt in de laadruimen van de Banglar Doot. Na aankomst in Rotterdam - dat was op 16 juni 2001 om 12.30 uur - zijn zij overgedragen aan de vreemdelingenpolitie. Deze verstekelingen hebben een vervuiling van de ruimen teweeggebracht. Dat is door de experts geconstateerd, maar had ook zonder die constatering voor de kapitein duidelijk moeten zijn. En nu is er wel het in Tema afgegeven “cleanliness inspection certificate” en zijn er de in 2000 uitgevoerde “pest control operation(
- s)against cockroaches and other insects”, maar evident is dat de omstandigheden nadien zijn verslechterd, terwijl er ook suikerwater in de ruimen was achtergebleven. Gelet hierop is onduidelijk waarom BSC niettemin meent dat de kapitein en bemanning van de Banglar Doot niets afwisten van de vervuiling. (
- ii)Bovendien is de lossing van de Banglar Doot al op 18 juni 2001 om ca 07.30 uur aangevangen, terwijl de belading van de m.s. “A” pas op 21 juni 2001 te 16.30 uur is gestart. In aanmerking nemende dat de stuwadoors gedurende de gehele lossingsperiode kakkerlakken hebben gezien, is niet zonder meer begrijpelijk hoe het kan dat kapitein en bemanning van de Banglar Doot voorafgaande aan de belading van de m.s. “A” onwetend zijn geweest van deze vervuiling. (iii) Verder is er een discrepantie tussen enerzijds de stellingen van IMT c.s., dat de m.s. “A” langszij de Banglar Doot lag en dat de lading aluminium direct vanuit het zeeschip in de m.s. “A” is overgeslagen, en anderzijds de vermelding in het rapport van Van Ameyde, dat de m.s. “A” langs de kade lag en dat de lading eerst aan wal is gelost (op 18 juni 2001?) en daarna met vorkheftrucks bij de m.s. “A” is gebracht. Ook vanwege deze discrepantie is meer gedetailleerde informatie over het lossingsproces gewenst. In dit verband wil het hof tevens weten wie er van de zijde van de Banglar Doot op welk moment bij de lossing betrokken / aanwezig is geweest en of en zo ja door wie er voorafgaande aan de lossing een ladinginspectie is verricht; of van die inspectie een rapport is opgemaakt en of dit nog beschikbaar is. (
- iv)Het door BSC overgenomen standpunt van Van Ameyde, dat de kakkerlakkenverontreiniging niet aan boord van de Banglar Doot is ontstaan, is in hoofdzaak gebaseerd op de omstandigheid dat er alleen in de scheepsruimen kakkerlakken zijn aangetroffen. De vraag is echter of dit concludent is, in aanmerking nemende: a. dat juist in die ruimen sprake lijkt te zijn geweest van een ogenschijnlijk gunstig leefklimaat voor deze insecten en b. dat in Tema geen kakkerlakken op/tussen de lading zijn waargenomen. (
- v)Voorts is niet zonder meer duidelijk waarom IMT c.s. BSC niet alleen aansprakelijk houden voor de eventuele schade die het gevolg is van de eerste belading met 600 ton aluminium, maar kennelijk ook voor aan de vervolgtransporten naar Waalwijk toe te schrijven schades, terwijl het ontstaan van die schades tevoren bekend was. 13. Teneinde partijen in de gelegenheid te stellen het hof hieromtrent voor te lichten zal een comparitie van partijen worden gelast, die tevens zal worden benut voor het beproeven van een vereniging. Voor het geval dit van belang mocht blijken te zijn, wenst het hof ter comparitie ook uitsluitsel te krijgen over de vraag door wie de stuwadoor is aangesteld; de tijdbevrachter of de ladingbelanghebbenden. Verder zullen de bewijsposities worden doorgenomen en zal worden stilgestaan bij de vraag of mogelijk sprake is van eigen schuld. 14. Naar aanleiding van het beroep van BSC op art. 8:364 lid 1 BW wordt nog het volgende overwogen. BSC stelt in dit verband dat zij ingevolge dit artikel jegens IMT niet verder aansprakelijk is dan zij jegens de cognossementhouder zou zijn; dat door cognossementsclausule 2 van de toepasselijke voorwaarden de Hague (-Visby) Rules van toepassing zijn en dat BSC op grond van clausule 4 sub 2i, m en q van die Rules niet aansprakelijk is voor een eigen gebrek van de lading. Artikel 8:364 lid 1 BW heeft echter betrekking op schade aan de vervoerde zaak, terwijl het hier gaat over schade die is toegebracht aan een andere zaak, te weten de m.s. “A”. Desgewenst mag BSC ter comparitie toelichten waarom zij niettemin uitgaat van toepasselijkheid van deze bepaling. 15. De verdere beoordeling wordt aangehouden tot na de comparitie. Beslissing Het hof, alvorens verder te beslissen: - gelast partijen - IMT en BSC desnoods alleen vertegenwoordigd door hun advocaten, indien die kunnen beschikken over voldoende gedetailleerde kennis van het lossingsproces en schikkingsbevoegd zijn - om op donderdag 14 december 2006 te 09.30 uur te verschijnen in het Paleis van Justitie alhier voor mr. J.M. van der Klooster, zulks met het doel als hiervoor omschreven. Dit arrest is gewezen door mrs. J.M. van der Klooster, M. Hooykaas en J.E.A.A. ten Berg-Koolen en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 september 2006 in aanwezigheid van de griffier.