HET GERECHTSHOF TE ’S-GRAVENHAGE, eerste civiele kamer, heeft het volgende arrest gewezen in de zaak van: 1. [APPELLANT 1], 2. [APPELLANT 2], beiden wonende te [plaatsnaam], appellanten, hierna te noemen: tezamen [appellanten] en ieder voor zich [appellant 1] en [appellant 2], procureur: mr. E. Grabandt, tegen 1. DE GEMEENTE ’S-GRAVENHAGE, 2. DE PROVINCIE ZUID-HOLLAND, beide zetelende te ‘s-Gravenhage, geïntimeerden, hierna te noemen: tezamen de Gemeente c.s. en ieder voor zich de Gemeente en de Provincie, procureur: mr. M.E. Gelpke. Het geding in hoger beroep Bij exploot van 4 februari 2005 zijn [appellanten] in hoger beroep gekomen van het vonnis van 15 december 2004, door de rechtbank te ‘s-Gravenhage gewezen tussen partijen. Bij memorie van grieven (met producties) hebben [appellanten] vijf grieven tegen het vonnis aangevoerd, welke door de Gemeente c.s. bij memorie van antwoord zijn bestreden. Op 13 november 2006 hebben partijen de zaak voor het hof doen bepleiten, [appellanten] door mr. C.J.N. Kortmann, advocaat te Amsterdam, en de Gemeente c.s. door hun procureur, beide aan de hand van aan het hof overgelegde pleitnotities. [appellanten] hebben daarbij een schriftelijke verklaring in het geding gebracht. Tenslotte hebben partijen de stukken overgelegd en arrest gevraagd. Beoordeling van het hoger beroep 1. Partijen zijn niet opgekomen tegen de in de rechtsoverwegingen 1.1 tot en met 1.10 van het bestreden vonnis door de rechtbank vastgestelde feiten; hierover bestaat tussen partijen verder ook geen geschil. Het hof zal daarom eveneens van deze feiten uitgaan. Met inachtneming hiervan en gezien de stukken gaat het in deze zaak om het volgende. Eind 1999 hebben [appellant 1] en [appellant 2] elk een kavel gekocht, gelegen binnen gebied van het project Park Boswijk in de Vinex-locatie Buitenplaats Ypenburg, met het doel daarop een villa te laten bouwen. Dat project was gelegen binnen het gebied waarvoor de raad van de gemeente Nootdorp op 26 februari 1998 het bestemmingsplan Ypenburg-Nootdorp had vastgesteld. Dat bestemmingsplan stond voor de betreffende kavels de bouw van villa’s toe. Het bestemmingsplan is op 15 oktober 1998 door gedeputeerde staten van de provincie Zuid-Holland (verder: GS) goedgekeurd. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (verder: de Afdeling) heeft evenwel bij uitspraak van 2 januari 2001 dit goedkeuringsbesluit gedeeltelijk vernietigd, onder meer met betrekking tot het woongebied dat is gelegen binnen een straal van 800 m van een munitieopslag en laboratoria, omdat (voor zover thans van belang) onvoldoende was gemotiveerd dat woningbouw binnen dat gebied niet onaanvaardbaar was. GS hebben op 26 juni 2001 voor het bedoelde woongebied een nieuw goedkeuringsbesluit genomen. Dat goedkeuringsbesluit is echter bij besluit van 29 november 2001 door de voorzitter van de Afdeling geschorst voor het gedeelte dat is gelegen binnen een straal van 400 meter van de munitieopslag/laboratoria. De kavel van [appellant 2] lag buiten die straal, de kavel van [appellant 1] daarbinnen. [appellant 2] heeft op 30 oktober 2000 bij de gemeente Nootdorp een bouwvergunning aangevraagd, welke op 5 december 2001 is verleend. [appellant 1] heeft zijn kavel in 2002 bij de projectontwikkelaar geruild voor een ander kavel waarop villabouw wel mogelijk was. Hij heeft daarvoor op 5 juli 2002 bij de Gemeente (waarnaar het grondgebied waarop de kavels zijn gelegen, intussen is overgegaan) een bouwvergunning aangevraagd, die hij op 13 december 2002 heeft verkregen. Bij uitspraak van 26 juni 2002 heeft de Afdeling het goedkeuringsbesluit van GS van 26 juni 2001 vernietigd en, zelf in de zaak voorziend, bepaald dat slechts buiten een straal van 400 meter rond de munitieopslag/laboratoria woningbouw mag plaatsvinden. 2. [appellanten] hebben bij de rechtbank gevorderd (zakelijk weergegeven) dat de rechtbank voor recht zal verklaren dat de Gemeente en/of de Provincie jegens hen onrechtmatig heeft/hebben gehandeld en (hoofdelijk) aansprakelijk is/zijn voor de schade, nader op te maken bij staat. De rechtbank heeft de vordering afgewezen op de grond (zakelijk weergegeven) dat de kopers van een bouwkavel moeten onderzoeken of het bestemmingsplan dat voor die kavels geldt, onherroepelijk is, dat, als de koper het risico aanvaardt dat het bestemmingsplan nog niet onherroepelijk is, hij het risico dat het bestemmingsplan hem uiteindelijk op dat kavel geen bouwmogelijkheid biedt, niet zonder meer op de gemeente of provincie kan afwentelen, en dat [appellanten] geen omstandigheden hebben gesteld aan de zijde van de Gemeente of Provincie waaraan zij het gerechtvaardigd vertrouwen konden ontlenen dat het bestemmingsplan in stand zou blijven. 3. De eerste grief klaagt erover dat de rechtbank ten onrechte geen onderscheid heeft gemaakt tussen [appellant 2] en [appellant 1]. [appellanten] stellen dat [appellant 2] uiteindelijk recht had op een bouwvergunning zonder gebreken en dat zijn schade vertragingsschade is, terwijl [appellant 1] er geen rekening mee hoefde te houden dat de in het bestemmingsplan opgenomen bouwmogelijkheid uiteindelijk onrechtmatig zou blijken, en dat zijn schade dispositieschade is. De tweede grief is ertegen gericht dat de rechtbank zich heeft aangesloten bij het oordeel van de Hoge Raad in zijn zogenaamde Schuttersduin-arrest (HR 24 april 1994, NJ 1997, 396), omdat dat oordeel in strijd is met artikel 6:101 BW en het systeem van de Algemene wet bestuursrecht en tot onbillijke gevolgen leidt. De derde grief houdt in dat de rechtbank ten onrechte heeft aangesloten bij het oordeel van de Hoge Raad in het Schuttersduin-arrest, omdat het onderhavige geval anders is. [appellanten] voeren aan dat het hier gaat om een bestemmingsplan, waarbij, anders dan bij een bouwvergunning, geen sprake is van een aanvraag. De betrokken burger heeft bij een bestemmingsplan geen invloed op en kennis van de procedure en mist tevens de benodigde deskundigheid om het bestemmingsplan te toetsen. De vierde grief valt het oordeel van de rechtbank aan dat geen sprake was van bijzondere omstandigheden. [appellanten] voeren aan dat als bijzondere omstandigheden dienen te gelden dat geen sprake is van voortijdig bouwen, dat het bestemmingsplan ten tijde van de koop in werking was getreden, dat er sprake is van gerechtvaardigd vertrouwen en dat er geen sprake is van enige mate van eigen schuld. De grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling. 4. Het hof stelt het volgende voorop. [appellanten] gaan er blijkens hun memorie van grieven (punt 15) vanuit dat het besluit van de gemeenteraad van Nootdorp tot vaststelling van het bestemmingsplan en de daarop betrekking hebbende goedkeuringsbesluiten van GS jegens hen onrechtmatig zijn en dat jegens hen in beginsel ook de schuld aan en de toerekenbaarheid van die onrechtmatige daad gegeven zijn, op de enkele grond dat deze besluiten door de Afdeling (gedeeltelijk) zijn vernietigd. Dit uitgangspunt vindt geen steun in het recht. Uit de jurisprudentie volgt dat deze onrechtmatigheid slechts vaststaat jegens diegenen die partij zijn geweest in de procedure die tot de vernietiging heeft geleid. Dat volgt in het bijzonder uit de overwegingen 3.3. en 3.4 van de Hoge Raad in het arrest van 31 mei 1991, NJ 1993, 112, luidende, voor zover van belang: “Indien een overheidslichaam een onrechtmatige daad pleegt door een beschikking te nemen en te handhaven die naderhand door de rechter wordt vernietigd wegens strijd met de wet of op enige andere in art. 8 lid 1 Wet Arob vermelde grond – dan wel een overeenkomstige grond in enige andere administratieve wet - , is daarmede de schuld van het overheidslichaam in beginsel gegeven. … Zulk een oordeel van de Afdeling heeft in beginsel voor de burgerlijke rechter in een later geding tussen partijen bindende kracht, niet alleen bij zijn oordeel over de onrechtmatigheid, maar ook daarbuiten, zoals bij zijn oordeel over de toerekening van de onrechtmatige daad. Dit moet worden aanvaard, omdat aldus wordt voorkomen: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.