Uitspraak: 30 januari 2007 Rolnummer: 04/1119 Rolnr. rechtbank: 02/1214 HET GERECHTSHOF TE ’S-GRAVENHAGE, tweede civiele kamer, heeft het volgende arrest gewezen in de zaak van de STAAT DER NEDERLANDEN, Ministerie van Verkeer en Waterstaat, zetelend te ‘s-Gravenhage, appellant, tevens geïntimeerde in incidenteel appel, hierna te noemen: de Staat, procureur/advocaat: mr. C.J.A. van Roon-Seinen tegen [Geïntimeerde], wonende te [woonplaats], geïntimeerde, tevens appellante in incidenteel appel, hierna te noemen: [geïntimeerde], procureur: H.J.A. Knijff, advocaten: mrs. P.A. den Haan en E. Peeters. Het geding De Staat is bij exploot van 29 juni 2004 in hoger beroep gekomen van de door de Rechtbank ‘s-Gravenhage tussen partijen gewezen vonnissen van 14 mei 2003 en 31 maart 2004. Bij memorie van grieven heeft de Staat drie grieven tegen het laatste vonnis aangevoerd, welke grieven door [geïntimeerde] bij memorie van antwoord zijn bestreden. Op haar beurt heeft [geïntimeerde] in incidenteel appel eveneens drie grieven aangevoerd. Die zijn weer door de Staat bestreden, bij memorie van antwoord in het incidenteel appel. Na vervolgens nog een akte van [geïntimeerde] hebben partijen hun dossiers overgelegd en arrest gevraagd. Beoordeling van het hoger beroep 1. De hoofdvraag in dit geding is of het aan [geïntimeerde] toebehorende motorvrachtschip Limes tegen een groene solarboei van de Staat is gevaren. 2. Die solarboei, nummer B05, lag in de Boven Merwede bij Woudrichem ter hoogte van kilometerraai 953.200 (op de locatie waar normaal boei B07 ligt). Vlakbij, aan wal, is de camping “Mosterdpot” en enkele daar aanwezigen hebben de aanvaring gezien en gehoord, op 25 augustus 1999 omstreeks 14.00 uur, bij helder en onbewolkt weer. [Geïntimeerde] echter ontkent en bestrijdt ook de omvang van de door de Staat in deze procedure gevorderde reparatiekosten. Maar in de eerste plaats voert zij het verweer dat de Rijnvaartrechter exclusief bevoegd is ten aanzien van het onderhavige geschil. 3. Die bevoegdheid van de Rijnvaartrechter strekt zich volgens haar uit over de (conventionele) Rijn tot en met Gorinchem. En omdat de gemeente Woudrichem, waarbinnen de aanvaring zich zou hebben afgespeeld, bovenstrooms van Gorinchem ligt, is haars inziens de Haagse rechtbank onbevoegd en de Rijnvaartrechter te Breda of - als daar geen Rijnvaartrechter is - die te Dordrecht exclusief bevoegd. Om haar verweer kracht bij te zetten stelt zij dat telefonisch ingewonnen inlichtingen bij mr. X haar standpunt bevestigen dat het hier een Rijnvaartzaak betreft. 4. Nu is dat natuurlijk een gezaghebbende bron, waar [geïntimeerde] zich op beroept, maar omdat niet enigszins nauwkeurig is aangegeven welke vraagstelling aan dhr. Haak is voorgelegd en evenmin inzichtelijk is gemaakt waar diens telefonisch kenbaar gemaakte opvatting op berust, kan het hof hier niet zo veel mee. Daarom wordt als uitgangspunt genomen de in rechtspraak en literatuur meermalen bevestigde regel dat de (exclusieve) bevoegdheid van de Rijnvaartrechter beperkt is tot de zgn. “conventionele Rijn”, waaronder ingevolge art. 1 lid 3 van de Akte van Mannheim tevens de Lek en de Waal zijn begrepen. De Boven Merwede, waar Gorinchem en Woudrichem aan liggen, wordt in dat verband niet genoemd, terwijl toch ook die rivier een lange historie kent, aanvankelijk onder de naam Merwede. De loop van deze rivier vangt aan ter hoogte van het uit de 14e eeuw daterende Slot Loevestein, daar waar Maas en Waal vroeger samenkwamen. Het is de benedenloop van de Waal en wordt door de Kamer van Beroep van de Centrale Commissie voor de Rijnvaart in de door de Staat aangehaalde uitspraak van 6 mei 1991, S&S 1991, 140 aangeduid als uitmonding van de Rijn, terwijl in die uitspraak met Rijn de conventionele Rijn is bedoeld, dus Rijn, Lek en Waal. Ook het Rijnvaartpolitiereglement 1995 is in Nederland enkel van toepassing op de conventionele Rijn en niet op haar (verdere) uitmondingen. Stroomafwaarts naar Gorinchem loopt het werkingsgebied tot km-raai 952,500 (zie bijv. 9.09 RPR en andere bepalingen in dat reglement waarin telkens achter Gorinchem deze km-raai is vermeld). De boei waar het in deze procedure over gaat ligt voorbij die grens, te weten bij km-raai 953.200. Ter plaatse geldt niet het Rijnvaart-, maar het Binnenvaartpolitiereglement. De opvatting van [geïntimeerde] zou er dus toe leiden dat de Rijnvaartrechter moet oordelen of en zo ja welke veiligheidsvoorschriften van dat Binnenvaartpolitiereglement zijn overtreden. Dat is minder voor de hand liggend. In aanmerking nemende voorts dat het Rijnvaartpolitiereglement door de Centrale Commissie voor de Rijnvaart is vastgesteld (bij resolutie van 1 december 1993 – protocol 1993-II-19) bestaat ook om die reden onvoldoende aanleiding om uit te gaan van exclusieve bevoegdheid van de Rijnvaartrechter voorbij de in dat reglement aangegeven grens (km-raai 952,500). Dat eertijds, bij de verdragsluiting, op aandringen van de Nederlandse regering is besloten om de Rijnvaartakte in beginsel niet te laten gelden op de riviergedeelten van Krimpen en Gorinchem naar de zee - waar de getijdenwisseling van de zee merkbaar was - maakt dit niet anders. Kennelijk is daarbij, wat de Gorcumse grens betreft, aan het einde van de Waal gedacht en is deze (nader) gelocaliseerd bij km-raai 952,500, waar Afgedamde Maas en Waal elkaar ontmoeten. 5. Omdat met betrekking tot het materiële geschil toch nog geen eindbeslissing kan worden gegeven zal het hof [geïntimeerde] in staat stellen om te reageren op het voorgaande en om haar andersluidende standpunt aan de hand van bronnenonderzoek nader te onderbouwen. Daarbij dient dan tevens te worden ingegaan op de achtergrond van de keuze voor km-raai 952,500 als aanduiding voor het einde van het traject naar Gorinchem. 6. In de toelichting op grief 1 in het incidenteel appel heeft [geïntimeerde] haar bevoegdheidsverweer overigens nog uitgebreid met de stelling dat ook op grond van de EEX-Vo de Haagse rechter (relatief) onbevoegd is. Als Nederlandse rechter zou ex art. 5 lid 3 van de verordening slechts de rechter te Breda bevoegd zijn, te weten als rechter van de plaats waar het schadetoebrengende feit zich heeft voorgedaan. Dit verweer is echter tardief, aangezien in de eerste aanleg geen aan de jurisdictieregels van de EEX-Vo ontleend beroep op de onbevoegdheid is gedaan. Bovendien heeft [geïntimeerde] het verweer kennelijk weer laten varen, want in haar laatste processtuk, de akte van 18 augustus 2005, stelt zij dat niet de relatieve bevoegdheid van de Rechtbank ’s-Gravenhage of de Rechtbank Breda aan de orde is, doch uitsluitend de exclusieve bevoegdheid van de Rijnvaartrechter. 7. Een en ander betekent dat grief I in het incidenteel appel voorshands faalt en dat kan worden overgegaan tot de beantwoording van de materiële vraag of de Limes nu wel of niet tegen de boei gevaren. 8. In dat verband zij nog vermeld dat de boei een doorsnede heeft van ca 1,75 tot 2 meter, ca 2 ton weegt, 1,70 à 2 meter onder water steekt en er ongeveer 2 meter bovenuit komt; dat zij dient om de in-/uitvaart met de Afgedamde Maas vrij te houden en de doorgaande scheepvaart naar de Waal richting Duitsland te geleiden en dat het Duitse binnenvaartschip Limes 80 meter lang is, 9.56 meter breed, een diepgang heeft van 2,54 meter en een tonnage van 1229 ton. 9. De Limes, die op 25 augustus 1999 omstreeks 14.00 uur ledig in de opvaart richting Duitsland voer, is later die dag door de politie opgevangen te Beuningen, in de buurt van Nijmegen. [De schipper van de Limes], de echtgenoot van [geïntimeerde], is toen als verdachte gehoord door brigadier Bloemen, bij welke gelegenheid [de schipper van de Limes] heeft verklaard dat hij de bewuste solarboei eerder die dag krap was gepasseerd, op een afstand van 2 à 3 meter gerekend vanaf de bakboordzijde van zijn schip. Zijn verklaring is gevoegd in het door de KLPD opgemaakte proces-verbaal van aanvaring, waarin [e schipper van de Limes] is aangemerkt als verdachte van overtreding van de artikelen 1.04 en 1.13 lid 2 van het Binnenvaartpolitiereglement 1984 (beschadiging boei en het niet melden ervan). Door de officier van justitie is hem een transactie aangeboden (voor een bedrag van Fl. 500,--). Die is betaald, waarna de dagvaarding is ingetrokken. 10. Die betaling van dat transactievoorstel bewijst de aanvaring uiteraard niet, maar de verklaringen van beide echtparen [Familie A en B] doen dat naar ’s hofs oordeel wèl. Van die echtelieden hebben [getuige A] en diens schoonzus [getuige B] stellig verklaard dat zij de Limes tegen de boei hebben zien varen, terwijl allen de klap hebben gehoord en hebben gezien dat de boei achter de Limes, aan haar bakboordzijde, weer omhoog schoot. Van hetgeen zij aldus hebben waargenomen hebben zij terstond kond gedaan aan de politie. Verder zijn er (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.