Rolnummer: 22-005333-05 Parketnummer: 09-754161-03 Datum uitspraak: 9 februari 2007 TEGENSPRAAK Gerechtshof te 's-Gravenhage meervoudige kamer voor strafzaken Arrest gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank te 's-Gravenhage van 4 juli 2005 in de strafzaak tegen de verdachte: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969, adres: [adres].
(20), doch gewijzigd in 3.10 (3.11) Voorschrift Vreemdelingen 2000 voorziet in een bevoegdheid van de korpschef van – voor zover van belang – de gemeente waar de vreemdeling woon- of verblijfplaats heeft of wil kiezen (vet:hof), gaat het hof daaraan voorbij nu het in de onderhavige zaak vast staat dat geen van de vreemdelingen waarvoor een aanvraag is ingediend, het op zijn aanvraagformulier, door de verdachte en/of zijn mededaders, opgegeven adres, een door de vreemdeling ‘gekozen’ adres betrof en evenmin door de verdachte en/of zijn mededaders is aangegeven dat het opgeven adres een domicilie betrof. Dat bij de opgave van ‘adres’ moet worden gelezen, althans begrepen, ‘domicilie’ dan wel ‘gekozen adres’, zoals door de verdachte is betoogd, vindt zonder meer geen steun in de vreemdelingen wet- en regelgeving. Daarenboven is deze door de verdachte gegeven invulling aan het ‘adres’ onaannemelijk nu doorgaans aan de vreemdeling wiens aanvraagformulier het betrof, niet werd gevraagd wat zijn woon – of verblijfplaats was. De verdachte en zijn mededaders gingen er – bij voorbaat – van uit dat de vreemdeling geen woon- of verblijfplaats had dan wel dat niet bekend wilde maken uit angst voor de Vreemdelingenpolitie bereikbaar te zijn. Op de aanvraag werd – zonder meer – een van de hieronder te noemen adressen in Den Haag en Rijswijk op de aanvraag ingevuld. Daar hadden de verdachte en zijn mededaders ook belang bij, omdat veel van de vreemdelingen die zich bij de verdachte dan wel MJS meldden, niet uit Den Haag kwamen, zodat de bevoegdheidsregels, neergelegd in de regeling ter zake van het rechtmatig verblijf van vreemdelingen er aan in de weg zouden staan dat de aanvraag voor de beoogde verblijfsvergunning door de Vreemdelingendienst in Den Haag zou worden behandeld. Op enig moment is op het Model M35-A door de verdachte en/of zijn mededaders, na ‘adres’, eigenmachtig het gegeven ‘postadres’ ingevoegd. Door of namens de vreemdeling wordt hierdoor, naar het oordeel van het hof, impliciet benadrukt dat ‘adres’ niet zijn of haar postadres is, maar woon- of verblijfplaats. In de onderhavige zaak staat vast dat, in de periode van 1 oktober 2001 tot 22 januari 2004, op de – door de verdachte en zijn mededaders - ingediende M35-A formulieren, bij “Adres” één van de volgende adressen werd opgegeven in de daarachter opgegeven aantallen: [adres 1], Den Haag – 189 vreemdelingen [adres 2], Den Haag – 1601 vreemdelingen [adres van MJS] 188, Den Haag – 680 vreemdelingen [adres 3], Den Haag – 487 vreemdelingen [adres 4] Rijswijk – 436 vreemdelingen. Naar het oordeel van het hof staat vast dat in alle van de hiervoor aangegeven gevallen de opgegeven ‘adressen’ vals zijn in die zin dat deze niet door de vreemdeling als woon- of verblijfplaats waren opgegeven en geen van de vreemdelingen op een van de adressen feitelijk zijn woon- of verblijfplaats had. 12.3 Oogmerk Het oogmerk om de van een vals woonadres voorziene aanvragen als echt en onvervalst te gebruiken of door een ander te doen gebruiken leidt het hof reeds af uit het gegeven dat de aanvragen in persoon dan wel per inzending, werden ingeleverd bij de Vreemdelingendienst ter verdere behandeling. Wat er ook zij van het betoog van de verdediging dat de medewerkers, dan wel de leidinggevende van de balie ‘Unit Toelating, team nieuwkomers’ van de Vreemdelingendienst wetenschap zouden hebben van de valse adressen, ten tijde van de tenlastegelegde feiten werden de gegevens met betrekking tot de aanvragen verwerkt in het geautomatiseerde Vreemdelingen Administratie Systeem (hierna: VAS) dat in het bijzonder wordt aangehouden met het oog op de toekenning van verblijfstitels. Het VAS strekte er kennelijk toe degenen die toegang tot dit geautomatiseerde systeem hadden, inzicht te gegeven in de gegevens omtrent vreemdelingen, welke gegevens de gebruikers van het systeem nodig konden hebben/hadden met het oog op de taken die zij ter uitvoering van de vreemdelingenwetgeving hadden te vervullen. Daaruit vloeit voort dat degenen die het systeem ten behoeve van hun taken raadpleegden, indien zij de persoonsgegevens van een vreemdeling in het systeem treffen, deze bij hunner handelen dan wel beslissen konden betrekken. Ook andere medewerkers binnen de Vreemdelingendienst dan de directe baliemedewerk(st)ers van de ‘Unit Toelating, team nieuwkomers’ alsmede de IND konden het VAS systeem raadplegen en daarmee de daarin ingevoerde, door de verdachte en zijn mededaders opgegeven, valse adressen, waardoor die medewerkers konden worden misleid. Uit de verklaring van [Y] ter terechtzitting in hoger beroep van 22 januari 2007 leidt het hof af dat de IND inzage had in het VAS-systeem doch daarin geen wijzigingen kon aanbrengen.
- Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde levert op: Ten aanzien van het onder 2 eerste cumulatief alternatief bewezenverklaarde: Medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd. Ten aanzien van het onder 2 tweede cumulatief alternatief bewezenverklaarde: Medeplegen van opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd.
- Strafbaarheid van de verdachte Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman het verweer gevoerd dat de verdachte niet strafbaar is, nu bij hem sprake is van afwezigheid van alle schuld (‘avas’). De verdachte kon naar het oordeel van de raadsman niet beseffen dat hij zich schuldig maakte aan een strafbaar feit nu de Vreemdelingendienst op de hoogte was van de valse adressen op de M-35A formulieren. De aard en strekking van de overtreden strafbepaling is het vertrouwen dat burgers – ambtenaren, althans overheidsfunctionarissen daaronder begrepen – in het maatschappelijk verkeer in de juistheid van bepaalde geschriften moeten kunnen stellen. De verdachte, die wist dat de - op de M35-A formulieren – ingevulde adressen niet de woon- of verblijfplaats van de betreffende vreemdelingen betroffen en in die zin dus valse adressen in de hiervoor aangegeven zin vormden, komt een beroep op ‘avas’ – afwezigheid van schuld niet toe, reeds omdat voormelde wetenschap er aan in de weg staat te komen tot de conclusie dat bij de verdachte sprake is van afwezigheid van alle verwijtbaarheid, van elke ‘strafrechtelijk relevante schuld’. De verdachte heeft kunnen, en ook moeten, begrijpen, althans moet zich bewust zijn geweest dat - ook al had het gebruik van de valse adressen geen invloed op het in behandeling nemen van de aanvraag – er door hem “in strijd met de waarheid” een gegeven: het adres, werd ingevuld op een bij ministeriële regeling inzake de vreemdelingenwetgeving vastgesteld formulier; van een verontschuldigbare onbewustheid van de ongeoorloofdheid van het handelen van de verdachte, is geen sprake. Dat de vreemdelingendienst de betreffende formulieren heeft geaccepteerd, maakt dit niet anders. Nu er ook overigens geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, is de verdachte strafbaar.
- Strafmotivering De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en opnieuw rechtdoende tot vrijspraak van de verdachte van het onder 6 tenlastegelegde en tot veroordeling van de verdachte ter zake van het onder 1, 2 eerste en tweede cumulatief alternatief, 4 en 5 tenlastegelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van tien maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met aftrek van voorarrest. Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte en zijn mededaders hebben zich op grote schaal schuldig gemaakt aan valsheid in geschrifte en gebruikmaking van valse geschriften. Als een vreemdeling met behulp van de verdachte en zijn mededaders een aanvraag wilde doen voor een verblijfsvergunning, werd op het aanvraagformulier M35A een adres ingevuld dat niet de werkelijk woon- of verblijfplaats van de betreffende vreemdeling was. Door aldus te handelen hebben de verdachte en zijn mededaders misbruik gemaakt van het vertrouwen dat in het maatschappelijk verkeer pleegt te worden gesteld in schriftelijke stukken met bewijsbestemming als de onderhavige en hebben zij geen oog gehad voor de maatschappelijke consequenties. Het hof is van oordeel dat voor bovenstaande feiten een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.
- Vordering tot schadevergoeding van [benadeelde partij 1] In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij 1] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 4 tenlastegelegde tot een bedrag van EUR 5.000,--. In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg volledig toegewezen bedrag. De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij. Tevens heeft de advocaat-generaal gevorderd dat aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd. De raadsman van de verdachte heeft de vordering van de benadeelde partij betwist. Nu de verdachte ter zake van het onder 4 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn vordering tot vergoeding van de als gevolg daarvan geleden schade. Nu door of namens de verdachte niet is gesteld dat deze met het oog op zijn verdediging tegen de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij kosten heeft gemaakt, kan een kostenveroordeling achterwege blijven.
- Vordering tot schadevergoeding namens [benadeelde partij 2] In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij 2], in rechte vertegenwoordigd door mr. S.L. Mertens-Vrede, zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 4 tenlastegelegde tot een bedrag van EUR 6.153,
- In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag. De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij, groot EUR 2.300,-- en voorts tot niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij voor het overige. Tevens heeft de advocaat-generaal gevorderd dat aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd. De raadsman van de verdachte heeft de vordering van de benadeelde partij betwist. Nu de verdachte ter zake van het onder 4 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn vordering tot vergoeding van de als gevolg daarvan geleden schade. Nu door of namens de verdachte niet is gesteld dat deze met het oog op zijn verdediging tegen de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij kosten heeft gemaakt, kan een kostenveroordeling achterwege blijven.
- Vordering tot schadevergoeding van [benadeelde partij 3] In het onderhavige strafproces hebben [benadeelde partij 3] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 4 tenlastegelegde tot een bedrag van EUR 1.650,--. In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg volledig toegewezen bedrag. De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij. Tevens heeft de advocaat-generaal gevorderd dat aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd. De raadsman van de verdachte heeft de vordering van de benadeelde partij betwist. Nu de verdachte ter zake van het onder 4 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn vordering tot vergoeding van de als gevolg daarvan geleden schade. Nu door of namens de verdachte niet is gesteld dat deze met het oog op zijn verdediging tegen de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij kosten heeft gemaakt, kan een kostenveroordeling achterwege blijven.
- Vordering tot schadevergoeding [benadeelde partij 4] In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij 4] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 4 tenlastegelegde tot een bedrag van EUR 1.650,--. In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg volledig toegewezen bedrag. De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij. Tevens heeft de advocaat-generaal gevorderd dat aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd. De raadsman van de verdachte heeft de vordering van de benadeelde partij betwist. Nu de verdachte ter zake van het onder 4 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn vordering tot vergoeding van de als gevolg daarvan geleden schade. Nu door of namens de verdachte niet is gesteld dat deze met het oog op zijn verdediging tegen de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij kosten heeft gemaakt, kan een kostenveroordeling achterwege blijven.
- Toepasselijke wettelijke voorschriften Het hof heeft gelet op de artikelen 14a(oud), 14b(oud), 14c, 47, 57(oud) en 225 van het Wetboek van Strafrecht. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht. Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1, 3 eerste en tweede cumulatief alternatief, 4, 5 en 6 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 2 eerste en tweede cumulatief alternatief tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen terzake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij. Bepaalt dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert. Verklaart de verdachte strafbaar terzake van het bewezenverklaarde. Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) maanden. Beveelt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Bepaalt dat de tijd, die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de eventuele uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht. Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 1] niet-ontvankelijk in zijn vordering. Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 2] niet-ontvankelijk in zijn vordering. Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 3] niet-ontvankelijk in de vordering. Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 4] niet-ontvankelijk in zijn vordering. Dit arrest is gewezen door B.A. Stoker-Klein, mr. A.E. Mos-Verstraten en mr. Chr.A. Baardman, in bijzijn van de griffier mr. R.E. Perquin. Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 9 februari 2007.