Uitspraak: 16 februari 2007 Rolnummer: 04/1044 Rolnummer rechtbank: 404555\EXPL 02.1129\JCN HET GERECHTSHOF TE ’S-GRAVENHAGE, negende civiele kamer, heeft het volgende arrest gewezen in de zaak van Bastiaan Jacobus [WERKNEMER], wonende te Rotterdam appellant in het principaal appel, geïntimeerde in het voorwaardelijk incidenteel appel hierna te noemen: [Werknemer] procureur: mr. L.S.J. de Korte, tegen de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid INAXTION B.V. (voorheen genaamd SAMAC INDUSTRIE SERVICES B.V.) gevestigd te Dordrecht geïntimeerde in het principaal appel, appellante in het voorwaardelijk incidenteel appel, hierna te noemen: Inaxtion procureur: mr. E. Lolcama Het geding Bij exploot van 28 april 2004 is [Werknemer] in hoger beroep gekomen van het vonnis van 3 februari 2004, door de rechtbank Rotterdam, sector kanton, locatie Brielle, gewezen tussen partijen. Bij memorie van grieven (met producties) heeft [Werknemer] vier grieven tegen het vonnis aangevoerd en zijn eis gewijzigd. Deze grieven zijn door Inaxtion bij memorie van antwoord tevens (voorwaardelijk) incidentele memorie van grieven bestreden. Daarbij heeft Inaxtion twee grieven tegen het vonnis aangevoerd. Deze incidentele grieven zijn door [Werknemer] bij memorie van antwoord in het incidenteel appel bestreden. Inaxtion heeft haar grieven vervolgens bij akte nader toegelicht. Tenslotte hebben partijen de stukken overgelegd en arrest gevraagd. Beoordeling van het hoger beroep 1. Het gaat in deze zaak, samengevat, om het volgende. 1.1 [Werknemer] is op 15 oktober 1990 op basis van een arbeidsovereenkomst in dienst getreden bij de besloten vennootschap Samac Nederland B.V., hierna te noemen: Samac Nederland. Samac Nederland hield zich bezig met het fabriceren en verkopen van technische installaties en constructies, alsmede het onderhoud daarvan en voorts met het ter beschikking stellen van arbeidskrachten aan derden. 1.2 Op de arbeidsovereenkomst tussen [Werknemer] en Samac Nederland was van toepassing de Collectieve Arbeidsovereenkomst voor de Metaalnijverheid met samenhangende regelingen, hierna gezamenlijk te noemen: de CAO Kleinmetaal. 1.3 In 1991 is de besloten vennootschap Samac Machinefabriek B.V. opgericht, hierna te noemen: Samac Machinefabriek. Op enig moment zijn de activiteiten ter zake het fabriceren en verkopen van technische installaties en constructies, alsmede het onderhoud daarvan, overgedragen door Samac Nederland aan Samac Machinefabriek. 1.4 In 1992 is de besloten vennootschap Samac Uitzendbureau B.V. opgericht, hierna te noemen: Samac Uitzendbureau. 1.5 Samac Nederland heeft al haar activiteiten in 1995 gestaakt. De werknemers van Samac Nederland, waaronder [Werknemer], zijn toen in dienst getreden van Samac Uitzendbureau en via laatstgenoemde vennootschap uitgeleend. In verband daarmee heeft Samac Uitzendbureau bij brief d.d. 7 februari 1995 [Werknemer] onder meer geschreven: "Aansluitend op ons telefoongesprek delen wij u hierbij schriftelijk mede, dat de directie van Samac Holding BV heeft besloten om de uitleenactiviteiten, welke tot op heden vanuit Nederland BV geschiedden met ingang van 27 februari a.s onder te brengen in Samac Uitzendbureau BV". Vervolgens heeft Samac Uitzendbureau [Werknemer] bij brief d.d. 28 februari 1995, onder verwijzing naar en ter verduidelijking van haar brief van 7 februari 1995 onder meer geschreven: "In verband met de gewijzigde marktomstandigheden worden de aktiviteiten van Samac Nederland BV, met ingang van 27 maart 1995 uitgevoerd door Samac Uitzendbureau BV. In verband hiermee hebben wij u in bovenvermeld schrijven medegedeeld dat uw arbeidsovereenkomst met Samac Nederland BV zal overgaan op Samac Uitzendbureau BV. Deze overgang heeft op het moment van overgang (27 februari 1995) geen gevolgen voor de met u overeengekomen arbeidsvoorwaarden. Er zijn geen gevolgen voor de met u overeengekomen arbeidsvoorwaarden. Er zijn geen gevolgen voor de aard van het dienstverband, de arbeidsovereenkomst geldt voor onbepaalde tijd. Ook de door u opgebouwde dienstjaren bij Samac Nederland B.V. worden overgenomen door Samac Uitzendbureau BV". 1.6 De Industriebond FNV heeft bij exploot van dagvaarding d.d. 13 februari 1996 een gerechtelijke procedure tegen Samac Uitzendbureau aanhangig gemaakt en daarbij een verklaring voor recht gevorderd dat op de dienstverbanden van de bij Samac Uitzendbureau werkzame werknemers, althans leden van de Industriebond FNV, de CAO Kleinmetaal van toepassing is, en een veroordeling gevorderd, voor zover relevant, ter zake van de nakoming van die CAO Kleinmetaal op straffe van een dwangsom. [Werknemer] was destijds, als lid van de Industriebond FNV, samen met een aantal andere collega's betrokken bij die procedure, maar was evenals die collega’s geen partij in die procedure. De gemachtigde van de Industriebond FNV, Mr P.S. van Minnen, heeft bij brief d.d. 27 oktober 1997 de gemachtigde van Samac Uitzendbureau geschreven over de onderwerpen van een minnelijke regeling. Daarbij is onder meer opgemerkt: "Ten slotte merk ik nog op dat er, zoals bij de heer [Werknemer] aan de orde, de specifieke problemen op te lossen zijn zoals het in rekening brengen van administratiekosten door Samac in verband met uitzoek werkzaamheden omtrent loonbetalingen, het in rekening brengen van kosten van een verlopen pasje en kosten voor een her-examen". Mr Van Minnen heeft voorts bij brief d.d. 19 november 1999 de gemachtigde van Samac Uitzendbureau aangeschreven over het afwikkelen van de vorderingen van de heer [A] en de heer [B] en ten aanzien van [Werknemer] opgemerkt: "Hij kan zich niet vinden in het voorstel dat namens uw cliënte is gedaan. Ik begreep dat ondanks discussies tussen partijen rechtstreeks ook daar geen oplossing is gevonden. Zie ik het goed, dan berekent de heer [Werknemer] de achterstand van Samac, qua bruto-loon, over de periode 1994 tot en met augustus 1999 op een bedrag van ruim ƒ 65.000,00. Daarbij zijn posten als pensioen, inhouding op salaris, onkostenvergoeding/verstrekking persoonlijke beschermingsmiddelen en dergelijke nog niet meegenomen. Ik zal een en ander ter voorkoming van misverstanden nog met cliënt opnemen en u nader informeren". De procedure heeft uiteindelijk geresulteerd in een schikking tussen Samac Uitzendbureau en de leden van de Industriebond FNV, met uitzondering van [Werknemer], en is op de rol van 21 december 1999 ambtshalve door de kantonrechter geroyeerd. 1.7. De aandelen in Samac Uitzendbureau zijn op enig moment in 1999 verkocht. Op 18 augustus 1999 is de besloten vennootschap Samac Industrie Services B.V., thans Inaxtion, opgericht. 1.8. [Werknemer] heeft bij brief d.d. 25 augustus 1999 aan [X] zijn standpunt over het aangaan van een nieuwe arbeidsovereenkomst, "het pensioen gat en het pensioen naar de toekomst toe" en "de hoogte bepaling van het achterstallig loon" kenbaar gemaakt. Op 10 september 1999 hebben Samac Uitzendbureau en [Werknemer] een vaststellingsovereenkomst gesloten over het aangaan van een nieuwe arbeidsovereenkomst. [Werknemer] heeft daarbij uitdrukkelijk het voorbehoud gemaakt dat hij geen afstand doet van "zijn aanspraken/rechten in de lopende gerechtelijke procedure" en dat hij "persisteert bij hetgeen hij in deze gerechtelijke procedure naar voren heeft gebracht". 1.9 De werknemers van Samac Uitzendbureau, waaronder [Werknemer], zijn per 1 januari 2000 in dienst getreden bij Inaxtion. In verband daarmee heeft Inaxtion bij brief d.d. 6 december 1999 aan [Werknemer] onder meer geschreven: "Per 1 januari 2000 gaat Samac Uitzendbureau verder onder de naam Samac Industrie Services B.V. voor de uitzendkrachten betreft het uitsluitend een naamsverandering. In verband hiermee moet je z.s.m. kontakt met me opnemen voor het maken voor een afspraak om je persoonlijke overgang naar de nieuwe B.V. mogelijk te maken. Als je dossier weer up to date is veranderd er voor jou persoonlijk niets en gaan we weer vrolijk verder met de dagelijkse werkzaamheden". 1.10 Namens [Werknemer] heeft Mr W.H. Oome van FNV Ledenservice bij brief d.d. 13 februari 2001 Inaxtion aangeschreven over een "vordering achterstallig salaris", waarbij is opgemerkt dat die brief als een schriftelijke mededeling in de zin van artikel 3:317 BW dient te worden aangemerkt. 1.11 [Werknemer] heeft gevorderd dat voor recht zal worden verklaard dat de CAO Kleinmetaal op zijn arbeidsovereenkomst met Inaxtion van toepassing is. Voorts heeft hij gevorderd dat Inaxtion wordt veroordeeld tot naleving van de CAO Kleinmetaal, zulks op straffe van een dwangsom. Op basis van de toepasselijkheid van de CAO Kleinmetaal heeft [Werknemer] betaling gevorderd van de bedragen als in het petitum van het exploot van dagvaarding d.d. 9 april 2002 verwoord, vermeerderd met de wettelijke verhoging en wettelijke rente. Daarnaast heeft [Werknemer] aanspraak gemaakt op de verstrekking van persoonlijke beschermingsmiddelen en op de vergoeding van de kosten voor de aanschaf daarvan. [Werknemer] heeft tevens betaling gevorderd van bedragen terzake van onderzoekskosten en een feestdagenreservering die ten onrechte op zijn loon zouden zijn ingehouden. Ook heeft [Werknemer] betaling gevorderd van een bedrag van € 1.500,- ter zake van buitengerechtelijke incassokosten. Één en ander met veroordeling van Inaxtion in de kosten van het geding. 1.12 De rechtbank heeft bij vonnis van 3 februari 2004 de vorderingen van [Werknemer] afgewezen en hem veroordeeld in de kosten van het geding. 2. [Werknemer] heeft in het principaal beroep 4 grieven, waaronder een verzamelgrief, tegen het vonnis van 3 februari 2004 aangevoerd. Voorts heeft [Werknemer] zijn eis gewijzigd, aldus dat hij zijn vordering ter zake van de ten onrechte in week 51 van 1999 afgeboekte feestdagenreservering intrekt. Inaxtion heeft zich tegen de wijziging van de eis niet verzet, zodat het hof bij de beoordeling van het hoger beroep van de gewijzigde eis zal uitgaan. Inaxtion heeft incidenteel hoger beroep ingesteld tegen het vonnis, onder de voorwaarde dat het Hof één of meer van de principale grieven gegrond oordeelt, en twee incidentele grieven aangevoerd. Nu aan de gestelde voorwaarde wordt voldaan, zal het hof het hoger beroep als onvoorwaardelijk ingesteld beoordelen. 3. De grieven, voor zover deze betrekking hebben op de vorderingen van [Werknemer] op grond van de CAO Kleinmetaal, lenen zich voor gezamenlijke behandeling als volgt. 3.1 De eerste vraag is of de op de arbeidsovereenkomst tussen [Werknemer] en Samac Nederland toepasselijke CAO Kleinmetaal "nawerkt" in de arbeidsovereenkomst tussen [Werknemer] en Inaxtion. 3.1.1 [Werknemer] heeft gesteld dat op zijn arbeidsovereenkomst met Samac Nederland de CAO Kleinmetaal van toepassing was en door "nawerking" van toepassing is (gebleven) op zijn arbeidsovereenkomst met Inaxtion. De overgang van Samac Nederland naar Samac Uitzendbureau zou hebben plaatsgevonden in het kader van een overgang van onderneming in de zin van art. 7A: 1639aa (oud) BW. De overgang van Samac Uitzendbureau naar Inaxtion zou hebben plaatsgevonden in het kader van een overgang van onderneming in de zin van art. 7: 662 BW. 3.1.2 Inaxtion betwist dat er sprake is van een overgang van onderneming van Samac Nederland naar Samac Uitzendbureau. De activiteiten van Samac Nederland zouden niet zijn overgegaan naar Samac Uitzendbureau. Ook zou niet zijn voldaan aan het vereiste van identiteitsbehoud, omdat Samac Uitzendbureau al voor de overgang een uitzendbureau was en die hoedanigheid niet van Samac Nederland had overgenomen. Samac Uitzendbureau zou ook geen overgang van onderneming hebben willen realiseren. 3.1.3 Het hof overweegt als volgt. Voorop moet worden gesteld dat de grief moet worden beoordeeld naar het toepasselijk recht op de datum van indiensttreding van [Werknemer] bij Samac Uitzendbureau. Destijds was art. 7A:1639aa (oud) BW e.v. op die vraag van toepassing. De wetgeving is nadien gewijzigd. Voor de vraag of er sprake is van een"overgang van onderneming" is er geen relevant verschil met de huidige wetgeving, nu die wetgeving op dit punt een codificatie van de jurisprudentie inhoudt en niet beoogt een materiële wijziging tot stand te brengen. Naar het oordeel van het hof is er sprake van een overgang van onderneming in de zin van art. 7A:1639 aa (oud) BW. Immers, de uitleenactiviteiten van Samac Nederland zijn in 1995 integraal overgegaan naar en voortgezet door Samac Uitzendbureau, waarbij de bij die activiteiten behorende werknemers van Samac Nederland in dienst zijn getreden van Samac Uitzendbureau. Dit blijkt ook uit de brieven van Samac Uitzendbureau aan [Werknemer] d.d. 7 februari 1995 en 28 februari 1995, die op dit punt expliciet en ondubbelzinnig zijn. Het hof verwerpt de stelling van Inaxtion over de eis van identiteitsbehoud om twee redenen. In de eerste plaats is de identiteit van een onderneming niet gelijk aan de in het handelsverkeer gangbare kwalificatie van de aard van de bedrijfsvoering (zoals “uitzendbureau”, “bouwbedrijf”, “boekhandel” etc) , maar wordt deze bepaald door het geheel van georganiseerde middelen die de feitelijke en actuele bedrijfsvoering karakteriseert. In de tweede plaats is van identiteitsbehoud sprake indien de exploitatie van de onderneming in feite wordt voortgezet, waarvan naar het oordeel van hof, als hiervoor overwogen, sprake is. Het hof oordeelt voorts dat, anders dan Inaxtion betoogt, niet relevant is dat Samac Uitzendbureau geen overgang van onderneming wenste te realiseren, omdat het toepasselijk wettelijk regime dwingendrechtelijk van aard is en aan de wettelijke eisen voor een overgang van onderneming is voldaan. 3.1.4 Naar het oordeel van het hof vond ook de overgang van [Werknemer] van Samac Uitzendbureau naar Inaxtion plaats in het kader van een overgang van onderneming, in de zin van art. 7:662 BW. De uitzendactiviteiten van Samac Uitzendbureau zijn integraal overgegaan naar en voortgezet door Inaxtion en de bij die activiteiten behorende werknemers van Samac Uitzendbureau zijn bij Inaxtion in dienst getreden. Dit wordt ondubbelzinnig bevestigd in de brief d.d. 6 december 1999 van Inaxtion aan [Werknemer]. Voorts blijkt uit het uittreksel van het handelsregister, door Inaxtion als productie I overgelegd, dat de aard van de ondernemingsactiviteiten van Inaxtion gelijk is aan die van Samac Uitzendbureau. 3.2 De volgende vraag is dan of en zo ja, in hoeverre de CAO Kleinmetaal bij de overgang naar achtereenvolgens Samac Uitzendbureau en Inaxtion, welke overgangen plaatsvonden in het kader van een "overgang van onderneming", van toepassing is gebleven. 3.2.1 [Werknemer] stelt dat op de arbeidsovereenkomst met Samac Nederland de CAO Kleinmetaal van toepassing was. Samac Nederland en [Werknemer] zouden daaraan gebonden zijn omdat zij allebei lid waren van een CAO sluitende partij. Daarnaast stelt [Werknemer] dat, hoewel zijn arbeidsovereenkomst geen expliciete toepasselijkheidverklaring van de CAO Kleinmetaal kent, die toepasselijkverklaring daarin toch moet worden gelezen omdat die toepasselijkverklaring was opgenomen in de arbeidsovereenkomsten van een aantal collega’s, zijn eigen arbeidsovereenkomst op een aantal punten naar die CAO verwees en de CAO Kleinmetaal tot omstreeks 1994 feitelijk ook werd toegepast. In de brieven die [Werknemer] bij de overgang naar Samac Uitzendbureau en, later, naar Inaxtion van zijn achtereenvolgende werkgevers ontving, zou de voortgezette toepassing zijn gegarandeerd omdat in die brieven werd gesteld dat er voor hem bij indiensttreding niets veranderde. Volgens [Werknemer] zou de CAO Kleinmetaal na afloop van de looptijd daarvan, vanwege "nawerking" op zijn arbeidsovereenkomst van toepassing zijn gebleven. [Werknemer] stelt voorts dat Samac Uitzendbureau met de Industriebond FNV een schikking heeft bereikt voor zijn collega`s, die uitging van toepasselijkheid van de CAO Kleinmetaal met samenhangende regelingen. Daaruit zou volgens [Werknemer] volgen dat Samac Uitzendbureau die toepasselijkheid erkende. 3.2.2 Inaxtion stelt dat uit art. 14a lid 2 Wet CAO volgt dat zij niet langer aan de CAO Kleinmetaal is gebonden nu de looptijd van die CAO is verstreken en Samac Uitzendbureau na de indiensttreding van [Werknemer] bij Samac Uitzendbureau gebonden is geraakt aan een andere CAO, de NBBU-CAO. Inaxtion stelt dat [Werknemer], gezien de werkingssfeerbepaling, aan de NBBU-CAO is gebonden. Inaxtion betwist voorts dat op de door [Werknemer] gestelde basis een schikking is bereikt tussen Samac Uitzendbureau en een aantal collega’s van [Werknemer]. Ook betwist Inaxtion dat uit de brieven bij indiensttreding bij Samac Uitzendbureau en Inaxtion de erkenning van de toepasselijkheid van de CAO Kleinmetaal blijkt. 3.2.3 Volgens [Werknemer] komt Inaxtion geen beroep toe op art. 14a lid 2 Wet CAO in de door haar verdedigde zin, in de eerste plaats omdat hij geen lid zou zijn (geweest) van de contractsluitende partij bij de NBBU- CAO van werknemerszijde, de Landelijke Bedrijfsorganisatie Verkeer (hierna “LBV”), in de tweede plaats omdat de NBBU-CAO niet algemeen is verbindend verklaard (geweest) en in de derde plaats omdat hij niet heeft ingestemd met het toepassen van de NBBU-CAO. 3.2.4 Het hof overweegt als volgt. Tussen partijen is niet in debat dat op de arbeidsovereenkomst tussen [Werknemer] en Samac Nederland de CAO Kleinmetaal van toepassing was. [Werknemer] was lid van de Industriebond FNV, welke vakorganisatie partij was bij de CAO Kleinmetaal. [Werknemer] heeft onbetwist gesteld dat Samac Nederland was aangesloten bij de Metaalunie, een werkgeversvereniging die aan werkgeverszijde partij was bij de CAO Kleinmetaal. Dit betekent dat [Werknemer] en Samac Nederland op grond van art. 9 lid 1 Wet CAO aan de CAO Kleinmetaal waren gebonden. Deze aard van gebondenheid vindt voorts bevestiging in het beroep van Inaxtion op art. 14a Wet CAO. Wanneer zowel de werkgever als de werknemer op grond van art. 9 lid 1 Wet CAO aan een CAO is gebonden, zijn de bepalingen van die CAO omtrent arbeidsvoorwaarden deel gaan uitmaken van de tussen hen bestaande (individuele) arbeidsovereenkomst. Deze regel vindt zijn grond in het systeem van de Wet CAO, in het bijzonder de artikelen 1, 9, 12 13 en 14. De gebondenheid aan de CAO wordt door de wet gebaseerd op de hoedanigheid van partijen bij de CAO, onderscheidenlijk op het lidmaatschap van de vereniging die partij bij de CAO is, en het naar de inhoud van de CAO bij die CAO betrokken zijn (op grond van de werkingssfeerbepalingen). Het strookt hiermee om te aanvaarden dat de doorwerking van de CAO-bepalingen, die plaatsvindt wanneer zowel de werkgever als de werknemer aan de CAO gebonden zijn, voortduurt na het einde van de periode waarvoor de CAO is aangegaan (HR 19 juni 1987, NJ 1988, 70). Men spreekt in een dergelijk geval van "nawerking". Dit betekent dat de bepalingen van de CAO Kleinmetaal na de expiratiedatum in de arbeidsovereenkomst van [Werknemer] nawerken tot daarin (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.