Uitspraak: 22 juni 2007 Rolnummer: 05/825 Rolnummer rechtbank: 05/929 HET GERECHTSHOF TE ’S-GRAVENHAGE, negende civiele kamer, heeft het volgende arrest gewezen in de zaak van [Appellanten 1, 2 en 3] allen wonende te [woonplaats], appellanten, hierna te noemen: [Appellanten] of [Appellant 1], procureur: mr. H.J.A. Knijff, tegen PRINS EN DE VRIES B.V., gevestigd te Delft, geïntimeerde, hierna te noemen: Prins & De Vries, procureur: mr. J.N. de Blécourt. Het geding Bij exploot van 10 juni 2005 zijn appellanten in hoger beroep gekomen van het vonnis van 12 mei 2005 door de rechtbank 's-Gravenhage, sector kanton, locatie Delft, gewezen tussen partijen. Appellanten hebben bij memorie van grieven (met producties) één grief opgeworpen, die door Prins & De Vries bij memorie van antwoord is bestreden. Tot slot hebben partijen de stukken overgelegd en arrest gevraagd. Beoordeling van het hoger beroep 1. In het bestreden vonnis heeft de rechtbank onder "1. Feiten" een aantal feiten als in deze zaak vaststaand aangemerkt. Daartegen is in hoger beroep niet opgekomen, zodat het hof ook van die feiten zal uitgaan. 2. Het gaat in deze zaak, samengevat, om het volgende. 2.1 Appellanten zijn respectievelijk de weduwe en kinderen van wijlen hun vader (verder te noemen: [A]). 2.2 Prins & De Vries exploiteert sedert 1930 een groothandel in bouwmaterialen. 2.3 Bij aangetekende brief van 26 juli 2002 schreef [A] het volgende aan Prins & De Vries: "Geachte Directie Van 1964 tot ± 1974 ben ik [A] geboren [in 1940] en wonende in [woonplaats] bij u in dienst geweest als hulp voor diverse werkzaamheden. In mijn werk heb ik regelmatig bloot gestaan (het hof leest: aan) asbest. In Juni 2002 is mij de diagnose maligne mesothelioom gesteld. Deze ziekte is veroorzaakt door blootstelling aan asbest. Gelet op het feit dat ik bij mijn werkzaamheden in uw bedrijf met asbest in contact heb kunnen komen, stel ik u hierbij formeel aansprakelijk voor de door mij als gevolg van deze ziekte geleden en te lijden materiële en immateriële schade. Ik heb bij het instituut Asbestslachtoffers te Den Haag een verzoek ingediend om tussen u en mij te bemiddelen in deze kwestie. Het Instituut zal u binnenkort daarover benaderen" 2.4 Eveneens op 26 juli 2002 heeft [A] zich gewend tot het Instituut Asbestslachtoffers en om bemiddeling gevraagd. Het Instituut Asbestslachtoffers heeft daarop bij brief van 5 augustus 2002 Prins & De Vries benaderd. 2.5 Op 24 augustus 2002 is […] overleden aan de gevolgen van mesothelioom, van welke ziekte slechts één oorzaak bekend is, te weten blootstelling aan asbest. 2.6 Prins & De Vries hebben de aansprakelijkstelling in handen gesteld van haar verzekeringsmaatschappij Zürich, die op haar beurt expertisebureau GAB Robins Takkenberg B.V. te Rotterdam (verder: het expertisebureau) inschakelde. 2.7 Het expertisebureau heeft bij brieven van 3 en 9 oktober 2002 richting het Instituut Asbestslachtoffers gereageerd en onder meer het standpunt ingenomen dat niet was aangetoond dat [A] bij Prins & De Vries in dienst was geweest, dat niet aannemelijk was gemaakt dat [A] bij Prins & De Vries aan asbest was blootgesteld, en dat voorts de vordering is verjaard. Bij brief van 21 maart 2003 voegde het expertisebureau daaraan toe dat Prins & De Vries niet in staat was gebleken te achterhalen of ooit een dienstverband tussen [A] en Prins & De Vries had bestaan. 2.8 Bij brief van 21 juli 2003 informeerde het Instituut Asbestslachtoffers het expertisebureau over haar standpunt dat een dienstverband tussen Prins & De Vries en [A] heeft bestaan en dat [A] daarbij is blootgesteld aan asbest en verwees naar bij haar brief gevoegde verklaringen van drie oud-werknemers van Prins & De Vries. 2.9 Hierna correspondeerden het instituut en het expertisebureau nog enige tijd, waarna het Instituut Asbestslachtoffers bij brief van 4 maart 2004 het volgende aan het expertisebureau berichtte: "(…) Bij de brieven d.d. (…) heeft u namens Prins en De Vries BV een beroep op verjaring gedaan. Naar aanleiding van het bestuursbesluit (…) inzake het beroep op verjaring (...) bericht ik u het volgende. De toetsing van de gezichtspunten van de Hoge Raad (HR, 28 april 200, rov. 3.3.3.) inzake het beroep op verjaring vindt door het Instituut Asbestslachtoffers plaats in die zaken waarin de aanvraag op of na 1 januari 2003 door het instituut is ontvangen, alsmede die zaken, die reeds voor 1 januari 2003 bij het instituut aanhangig zijn gemaakt en waarbij de aansprakelijkstelling van de werkgever op of na 1 januari 2003 heeft plaatsgevonden. Onderhavig dossier is op 30 juli 2002 bij het instituut aangemeld. Op het aanvraagformulier staat vermeld dat uw opdrachtgever toen reeds aansprakelijk is gesteld. Gezien het vorenstaande zal het instituut u dan ook in het kader van het bemiddelingsproces niet verder benaderen. (…)". 2.10 Het Instituut Asbestslachtoffers wees [Appellant 1] op de mogelijkheid in aanmerking te komen voor een uitkering op grond van de Regeling Tegemoetkoming Asbestslachtoffers. Op 19 april 2004 heeft [Appellant 1] die uitkering aangevraagd en bij besluit van 13 mei 2004 is haar een uitkering van € 16.376,- netto toegekend. Genoemd bedrag is aan haar uitbetaald. 2.11 Bij brief van haar gemachtigde van 21 juni 2004 heeft [Appellant 1] aan het expertisebureau laten weten dat zij het verjaringsverweer verwierp en heeft zij een civiele procedure aangekondigd. Prins & De Vries heeft niet op deze brief gereageerd. 2.12 Bij inleidende dagvaarding van 28 januari 2005 vorderden [Appellanten] een verklaring voor recht dat Prins & De Vries als werkgever van [A] op grond van artikel 7:658 BW verwijtbaar tekortgeschoten is jegens [A] en [Appellanten], althans jegens hen onrechtmatig heeft gehandeld en daardoor jegens hen schadeplichtig is geworden en de veroordeling van Prins & De Vries tot betaling van een bedrag van € 50.000,--aan immateriële schadevergoeding, een bedrag nader op te maken bij staat aan materiële schadevergoeding, alsmede een bedrag van € 1.225,61 aan buitengerechtelijke kosten, een en ander vermeerderd met wettelijke rente en proceskosten. 2.13 Bij het bestreden vonnis heeft de rechtbank appellanten niet-ontvankelijk verklaard in hun vorderingen en hen in de proceskosten veroordeeld. . 3.1 De grief van appellanten luidt: "Ten onrechte heeft de kantonrechter bij de beoordeling van de vordering van appellanten en de toepassing van de dertigjarige verjaringstermijn krachtens artikel 3:310 BW geoordeeld dat, gelet op de omstandigheden van het geval toepassing van de verjaring, waarop Prins & De Vries zich ter afwering van de vordering van appellanten hebben beroepen, niet onaanvaardbaar is." In de toelichting op deze grief stellen [Appellanten] dat zij het juist achten dat de rechtbank als uitgangspunt heeft genomen dat Prins & De Vries zich in beginsel kunnen beroepen op de dertigjarige verjaringstermijn krachtens artikel 3:310 BW, nu de arbeidsovereenkomst van [A] en Prins & De Vries is geëindigd in 1967 – dit laatste is tussen partijen niet (meer) in discussie – en de diagnose mesothelioom eerst, met zekerheid, in 2002 bij [A] werd gesteld. Eveneens achten zij juist dat de rechtbank daarnaast de gezichtspunten in aanmerking heeft genomen die de Hoge Raad in zijn arrest van 28 april 2000, NJ 2000,430 (Van Hese/De Schelde) heeft geformuleerd. Zij hebben echter bezwaar tegen het oordeel van de rechtbank dat de aansprakelijkstelling niet binnen een redelijke termijn nadat de schade aan het licht is gekomen heeft plaatsgevonden. Zij stellen daartoe dat de rechtbank er bij haar beoordeling ten onrechte vanuit is gegaan dat de diagnose mesothelioom in april 2001 is gesteld, terwijl [Appellant 1] zeker weet dat zij eerst in april 2002 van haar man heeft vernomen dat asbest een rol speelde bij zijn longafwijking en dat pas in juni 2002 de diagnose mesothelioom werd gesteld. Op basis van die informatie is [A] ertoe overgegaan Prins & De Vries aansprakelijk te stellen en het Instituut Asbestslachtoffers om bemiddeling te vragen. Het Instituut Asbestslachtoffers heeft vervolgens aan het Nederland Mesothelioom Panel een second opnion aangevraagd, waarna het NMP de diagnose op 7 november 2002 bevestigde. Hiervan uitgaande kan niet worden gezegd dat er een onredelijk lange termijn ligt tussen het manifest worden van de schade bij [A] en de aansprakelijkstelling van Prins & De Vries. Daarnaast zijn [Appellanten] van oordeel dat, zelfs indien er sprake zou zijn van een termijn van 15 maanden, deze termijn niet onredelijk lang is. Zij verwijzen daarvoor naar een artikel van mr. J.L. Smeehuijzen, gepubliceerd in Aansprakelijkheid Verzekering & Schade nr. 2, april 2005, p. 49 t/m 60. Ook de periode tussen de aansprakelijkstelling (26 juni 2002) en die van de inleidende dagvaarding (28 januari 2005) achten [Appellanten] niet onredelijk lang, gelet op de bemiddeling van het Instituut Asbestslachtoffers in de periode van 26 juni 2002 tot 4 maart 2004, en de nadien (van 4 maart 2004 tot 28 januari 2005) door appellanten ontwikkelde activiteiten. Ook met de beoordeling van de overige gezichtspunten door de rechtbank kunnen appellanten niet instemmen. 3.2 Het hof overweegt als volgt. In zijn arrest van 28 april 2000, C98/363, NJ 2000, 430 heeft de Hoge Raad in beginsel mogelijk geacht dat ook een beroep op de objectieve verjaringstermijn van, in dat geval, 30 jaren, in uitzonderlijke gevallen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar kan zijn. Of dat in een concreet geval inderdaad zo uitzonderlijk is, zal met inachtneming van alle omstandigheden van dat geval moeten worden beoordeeld. Als gezichtspunten waarvan de rechter blijk moet geven deze in zijn beoordeling te hebben betrokken, vallen te noemen:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.