GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE Sector handel Zaaknummer : 105.006.398/01 Rolnummer (oud) : 07/533 Rolnummer rechtbank : 05-1097 arrest van de eerste civiele kamer d.d. 10 juli 2008 inzake de commanditaire vennootschap RESIDEX CAPITAL IV C.V., gevestigd te Apeldoorn, appellante, hierna te noemen: Residex, procureur: mr. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt, tegen DE GEMEENTE ROTTERDAM, zetelend te Rotterdam, geïntimeerde, hierna te noemen: de Gemeente, procureur: mr. H.J.A. Knijff. Het geding Bij exploot van 13 april 2007 heeft Residex hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 24 januari 2007, gewezen tussen partijen. De Gemeente heeft bij exploot van 24 april 2007 de roldatum waartegen zij in het appelexploot was opgeroepen vervroegd. Bij memorie van grieven (met producties) heeft Residex tegen het bestreden vonnis zeven grieven aangevoerd, die de Gemeente bij memorie van antwoord heeft bestreden. Op 16 juni 2008 hebben partijen de zaak voor het hof doen bepleiten, Residex door mrs. W.F. Hendriksen en E.W.F. Schotanus en de Gemeente door mrs. J. van den Brande en M.G.A.M. Custers, in beide gevallen aan de hand van aan het hof overgelegde pleitnotities. De Gemeente heeft bij die gelegenheid nog een Akte houdende producties voor pleidooi in het geding gebracht. Tenslotte hebben partijen de stukken gefourneerd en arrest gevraagd. Beoordeling van het hoger beroep 1.1 Aangezien geen grieven zijn gericht tegen de feiten die de rechtbank heeft vastgesteld in overweging 2 van het bestreden vonnis en daarover ook overigens tussen partijen geen geschil bestaat, zal het hof eveneens van deze feiten uitgaan. 1.2 Het gaat in deze zaak kort gezegd om het volgende. Residex heeft in 2001 aandelen verworven in MD Helicopters Holding N.V. (hierna: MDH), een dochtervennootschap van RDM Aerospace N.V. (hierna: Aerospace). Daarbij had Residex een putoptie verkregen op grond waarvan zij de aandelen MDH weer aan Aerospace kon verkopen voor een bedrag van NLG 18.125.000 plus 1% per maand. Bij brief van 20 februari 2003 heeft Residex deze putoptie uitgeoefend. Een verzoek van MDH om het belang van Residex in haar kapitaal uit te breiden dan wel om aan haar of Aerospace een lening te verstrekken heeft Residex aanvankelijk afgewezen. 1.3 [Naam] (hierna: [S]) was in die tijd hoofd van dienst van het Gemeentelijk Havenbedrijf Rotterdam (hierna: GHR). Hij heeft Residex aangeboden dat het GHR een garantie aan Residex zou verstrekken voor een door Residex aan Aerospace te verstrekken lening. Residex is hier op ingegaan en heeft Aerospace bij overeenkomst van 3 maart 2003 (aangevuld/aangepast in mei 2003) een lening verstrekt van € 23.040.657,03 inclusief rente en kosten (hierna: de lening). Dit bedrag bestond onder meer uit een lening van USD 15.000.000 (€ 13.922.405,79) en de in een lening omgezette vordering van Residex op Aerospace terzake van de uitgeoefende putoptie ter grootte van € 8.540.840,22. GHR heeft bij overeenkomst van 3 maart 2003 (aangepast en vervangen in mei 2003; hierna: de garantie) zich jegens Residex garant gesteld voor een maximum bedrag van € 23.012.510, te vermeerderen met rente en kosten terzake van de lening. 1.4 Desgevraagd heeft Residex bij pleidooi bevestigd dat de putoptie daadwerkelijk is uitgeoefend en dat haar aandelen in MDH weer aan Aerospace zijn overgedragen. De Gemeente heeft dit bij gebrek aan wetenschap betwist. 1.5 Aerospace heeft, naar Residex stelt, een bedrag van ca. € 16.000.000 van de lening terugbetaald. Bij brief van 22 december 2004 aan de Gemeente heeft Residex de garantie ingeroepen en, stellende dat Aerospace in gebreke is gebleven het restant van de lening vermeerderd met de verschuldigde rente aan Residex terug te betalen, betaling verlangd van € 10.240.252 te vermeerderen met rente en invorderingskosten. Aangezien de Gemeente betaling weigerde vordert Residex in deze procedure dat de Gemeente wordt veroordeeld voormeld bedrag te betalen, vermeerderd met de overeengekomen rente en buitengerechtelijke kosten. Residex voert hiertoe aan dat de garantie door een bevoegd vertegenwoordiger van de Gemeente is verstrekt, althans dat de Gemeente de schijn heeft gewekt dat de garantie door een vertegenwoordigingsbevoegde is verstrekt, althans dat deze schijn aan de Gemeente kan worden toegerekend, althans dat [S] een aan de Gemeente toerekenbare onrechtmatige daad heeft gepleegd door zich als vertegenwoordigingsbevoegde te profileren in combinatie met door hem verstrekte certificaten en legal opinions. 1.6 De Gemeente bestrijdt de vordering. Zij voert aan dat [S] niet bevoegd was tot het verstrekken van de garantie, dat van (aan haar toerekenbare) schijn van bevoegdheid geen sprake is en dat, voorzover dat anders mocht zijn, de garantie nietig is in verband met het bepaalde in de Wet Fido en het EG-Verdrag (het verbod op staatssteun). Ook beroept de Gemeente zich erop dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat Residex zich op de garantie beroept. Tenslotte betwist de Gemeente de hoogte van de vordering. 1.7 De rechtbank heeft het verweer van de Gemeente, dat de garantie nietig is wegens strijd met het Europeesrechtelijke verbod op staatsteun, gehonoreerd en de vordering van Residex afgewezen. De rechtbank overweegt dat de garantie een begunstiging van Aerospace (en daarmee naar alle waarschijnlijkheid ook van MDH) inhield en derhalve een steunmaatregel als bedoeld in art. 87 lid 1 EG-Verdrag is die op de voet van art. 88 lid 3 EG-Verdrag bij de Commissie had moeten worden aangemeld. De rechtbank is van oordeel dat de garantie daardoor een verboden overeenkomst is die op grond van art. 3:40 lid 2 BW nietig is. De Gemeente mag zich volgens de rechtbank ook op deze nietigheid beroepen, nu art. 88 lid 3 EG-Verdrag rechtstreekse werking heeft en de rechtbank zich ook ambtshalve over de nietigheid van de garantie had moeten uitspreken indien de Gemeente daarop geen beroep had gedaan. De rechtbank verwerpt de stelling van Residex dat zij had mogen vertrouwen op de legal opinions die het kantoor Spigthoff Advocaten met betrekking tot de garantie had afgegeven. Tenslotte overweegt de rechtbank dat GHR bij het geven van de garantie niet, zoals Residex had aangevoerd, als private partij marktconform heeft gehandeld. 1.8 Bij de bespreking van de grieven zal het hof veronderstellenderwijs tot uitgangspunt nemen dat de Gemeente in beginsel gebonden is aan de door GHR verstrekte garantie, aangezien het de stellingen van de Gemeente zo begrijpt dat zij aanvoert dat, voor zover al geoordeeld zou moeten worden dat als gevolg van het ondertekenen van de garantie door [S] de Gemeente aan de garantie is gebonden, deze desalniettemin nietig is op grond van art. 3:40 lid 2 BW in verband met het Europeesrechtelijk verbod op staatssteun. 2.1 In grief 1 vecht Residex het oordeel van de rechtbank aan dat de garantie Aerospace begunstigt. De rechtbank zou daarmee hebben miskend dat GHR bij het verstrekken van de garantie als een ‘market economy investor’, als een private investeerder, heeft gehandeld. De rechtbank had de achtergrond van de zogenaamde ‘duikbotenovereenkomst’ nader moeten onderzoeken. Had zij dat gedaan dan had de rechtbank moeten concluderen dat GHR door het afgeven van de garantie in haar eigen belang en in het belang van de Rotterdamse haven heeft gehandeld. Onder 28 van de memorie van grieven brengt Residex verder naar voren dat GHR één belangrijk motief had om de garanties af te geven, namelijk het behartigen van de economische belangen van de Rotterdamse haven en daarmee haar eigen belangen. 2.2 Met de ‘duikbotenovereenkomst’ doelt Residex op een op 28 december 2002 gedateerd contract tussen RDM Holding N.V. en GHR, waarin – kort gezegd – RDM Holding N.V. zich ertoe verbindt geen duikbootgerelateerde technologie aan Taiwan te leveren en GHR, als wederprestatie voor het nadeeel dat RDM Holding N.V. daadoor lijdt, op zich neemt om zich op verzoek van RDM Holding N.V. jegens schuldeisers van RDM Holding N.V. (of haar groepsmaatschappijen) garant te stellen voor verplichtingen uit hoofde van geldlening tot een zeker bedrag. Er zijn twee versies van de ‘duikbotenovereenkomst’ overgelegd, één waarin als bedrag waarvoor garanties zullen worden verstrekt een minimum bedrag van € 100.000.000 is genoemd (productie 19 conclusie van antwoord) en één waarin daarvoor een maximum bedrag van € 20.000.000 is vermeld (productie 8 memorie van grieven). De Gemeente betwist dat deze overeenkomsten op 28 december 2002 zouden zijn getekend. Het hof zal er bij de bespreking bij deze grief veronderstellenderwijs van uitgaan dat op 28 december 2002 één of beide ‘duikbotenovereenkomsten’ zijn getekend. 2.3 Het principe van de ‘private investeerder’ houdt in dat van staatssteun niet kan worden gesproken indien in soortgelijke omstandigheden een private investeerder die qua omvang vergelijkbaar is met de organen die de publieke sector beheren, bereid zou zijn geweest de garantie te verstrekken. Residex meent dat die vraag bevestigend moet worden beantwoord omdat GHR de garantie in haar eigen belang en in het belang van de Rotterdamse haven heeft afgegeven. Dit heeft Residex aldus onderbouwd dat GHR belang had bij een gezond RDM-concern dat een aantal dochtermaatschappijen in de Rotterdamse haven had, dat het de bedoeling was dat MDH een assemblagefabriek in de haven zou vestigen en tenslotte dat GHR er belang bij had dat RDM geen duikboottechnologie aan Taiwan zou leveren omdat dit tot gevolg zou hebben dat Chinese bedrijven zich uit de haven zouden terugtrekken. 2.4 Het hof volgt Residex niet in dit betoog. De belangen die Residex noemt, zijn bij uitstek publieke belangen zoals een tak van dienst van de Gemeente die belast is met het beheer van de haven, zich behoort en pleegt aan te trekken. Dat GHR bij het sluiten van die overeenkomst daarnaast een eigen commercieel belang had dat een private onderneming ook in aanmerking zou nemen, heeft Residex onvoldoende onderbouwd. Of GHR tot het verstrekken van de garantie verplicht was op grond van de ‘duikbotenovereenkomst’ kan in het midden blijven. Die overeenkomst is ook al geen overeenkomst die een private investeerder in soortgelijke omstandigheden zou sluiten. Naar de eigen stellingen van Residex is de ‘duikbotenovereenkomst’ door GHR gesloten in het belang van de Rotterdamse haven en daarmee haar eigen belang. Ook daarvoor geldt dat dit zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, publieke belangen zijn en niet belangen van een private, commercieel handelende partij. 2.5 Residex voert nog aan dat Atradius, een kredietverzekeraar, eveneens garanties heeft verstrekt. Het gaat echter niet om de vraag of Atradius ‘garanties’ heeft verstrekt, maar om de vraag of zij dat heeft gedaan onder omstandigheden en voorwaarden die vergelijkbaar zijn met de door GHR verstrekte garantie. Hieromtrent heeft Residex niets gesteld, zodat ook deze stelling faalt. 2.6 De conclusie is dat grief 1 faalt. 3.1 Met grief 2 komt Residex op tegen het oordeel van de rechtbank dat de garantie met staatsmiddelen is bekostigd omdat GHR onderdeel is van de Gemeente. Volgens Residex is GHR een openbaar bedrijf in de zin van de Transparantierichtlijn (Richtlijn 2006/111/EG van de Commissie van 16 november 2006). De enkele omstandigheid dat GHR onderdeel van de Gemeente is is onvoldoende om uitsluitend op basis daarvan te concluderen dat de maatregel (het verstrekken van de garantie) aan de staat kan worden toegerekend en dientengevolge met staatsmiddelen is bekostigd. Of dat zo is dient beantwoord te worden aan de hand van de omstandigheden genoemd in het arrest van het HvJEG in de zaak Stardust Marine (C-482/99), waarbij ook de wijze waarop de bevoegdheidsverdeling is geregeld een in aanmerking te nemen omstandigheid is. De rechtbank had de bevoegdheid van [S] dan ook niet onbesproken mogen laten, aldus Residex. 3.2 Het hof overweegt als volgt. Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie EG mag geen onderscheid worden gemaakt tussen gevallen waarin de steun rechtstreeks door de staat wordt verleend, en gevallen waarin de steun via door de staat daartoe aangewezen of opgerichte publiek- of privaatrechtelijke lichamen wordt verleend. Voordelen kunnen evenwel slechts als steunmaatregelen in de zin van art. 87 lid 1 EG-Verdrag worden beschouwd indien zij rechtstreeks of indirect met staatsmiddelen zijn bekostigd en aan de staat kunnen worden toegerekend. 3.3 De Gemeente heeft aangevoerd dat de garantie ten laste van de financiële middelen van de Gemeente komen (conclusie van dupliek onder 178) en dat de begroting van GHR, als tak van dienst van de Gemeente, onderdeel is van de gemeentelijke begroting (memorie van antwoord onder 87). Residex heeft dit niet betwist. Dit kan tot geen andere gevolgtrekking leiden dan dat de garantie met staatsmiddelen is bekostigd. Er moet bovendien van worden uitgegaan dat de steunmaatregel aan de Gemeente kan worden toegerekend. Immers, indien – hetgeen de rechtbank in het midden heeft gelaten – de Gemeente gebonden zou zijn aan de garantie, is dat omdat het optreden van [S] aan de Gemeente kan worden toegerekend. Dat Residex dit niet anders ziet blijkt wel uit het feit dat zij de Gemeente uit hoofde van de garantie aanspreekt. 3.4 Ook overigens kan het optreden van [S] namens GHR aan de Gemeente worden toegerekend. GHR is niet een zelfstandige rechtspersoon maar een tak van dienst van de Gemeente, waarvan de begroting onderdeel uitmaakt van de gemeentelijke begroting. De bevoegdheden van [S] als hoofd van deze tak van dienst waren geregeld in het Integraal Mandaat- en Volmachtbesluit 2001 van het College van Burgemeesters en Wethouders dat, naar de Gemeente onweersproken heeft gesteld, openbaar is gemaakt. Residex heeft tenslotte niet aangevoerd dat GHR activiteiten ontplooide die een private commerciële onderneming ook pleegt te ondernemen en die in concurrentie staan met andere commerciële bedrijven. 3.5 Grief 2 slaagt dus niet. 4.1 In grief 3 voert Residex aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat bij twijfel de garantie op grond van art. 88 lid 3 EG-Verdrag bij de Europese Commissie had moeten worden aangemeld. Residex betoogt dat een verplichting tot aanmelding op basis van art. 88 lid 3 EG-Verdrag slechts aan de orde is indien aan alle voorwaarden van art. 87 lid 1 EG-Verdrag is voldaan. 4.2 Deze grief kan reeds niet slagen, omdat de desbetreffende overweging van de rechtbank haar oordeel niet draagt. Uit het vonnis blijkt immers onmiskenbaar dat de rechtbank van oordeel is dat de onderhavige steunmaatregel bij de Commissie had moeten worden aangemeld; de rechtbank had daaromtrent geen twijfels Dat oordeel is juist, zoals uit het falen van de grieven 1 en 2 blijkt. 5.1 Met grief 4 betoogt Residex dat de rechtbank de garantie niet nietig had mogen verklaren. Daartoe voert Residex het volgende aan (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.