ECLI:NL:GHSGR:2008:BD9181
GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE Familiesector Uitspraak : 16 juli 2008 Zaaknummer : 105.012.015/01 Rekestnummer : 1450-H-07 Rekestnr. rechtbank : FA RK 07-645 [verzoeker], wonende te [woonplaats], verzoekster in hoger beroep, hierna te noemen: de vrouw, procureur voorheen mr. J.A. Korver, thans mr. J.A.M. Koorn-Harkema, tegen [verweerster], wonende te [woonplaats], verweerder in hoger beroep, hierna te noemen: de man, procureur mr. H.A. Terleth-Gerretse.
PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP De vrouw is op 12 oktober 2007 in hoger beroep gekomen van een beschikking van de rechtbank te ‘s-Gravenhage van 28 augustus 2007.
De man heeft op 26 november 2007 een verweerschrift ingediend.
Van de zijde van de vrouw zijn bij het hof op 30 oktober 2007, 28 december 2007, 13 mei 2008, 14 mei 2008 en 15 mei 2008 aanvullende stukken ingekomen.
Op 23 mei 2008 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de vrouw, bijgestaan door haar advocaat, mr. J.A. Korver, en de man, bijgestaan door zijn procureur. Partijen hebben het woord gevoerd, de advocaat van de man onder meer aan de hand van de bij de stukken gevoegde pleitnotitie.
HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking. Bij die beschikking is het verzoek van de vrouw om – met wijziging van de notariële akte van 13 januari 2003 – een alimentatie ten behoeve van de vrouw te bepalen op € 2.500,- per maand, afgewezen.
Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.
BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP 1. In geschil is ten aanzien van de alimentatie voor de vrouw, de behoefte van de vrouw, alsmede de verlenging van de onderhoudsplicht van de man jegens de vrouw.
Wijziging van omstandigheden 3. In eerste aanleg heeft de vrouw als wijziging van omstandigheden gesteld dat zij ten tijde van het totstandkomen van de notariële akte tot beëindiging van het geregistreerd partnerschap van 13 januari 2003 over voldoende inkomsten beschikte om in eigen levensonderhoud te voorzien, maar dat zij op 10 mei 2006 in staat van faillissement is verklaard. Sindsdien is de vrouw aangewezen op een bijstandsuitkering. De rechtbank acht dit een relevante wijziging van omstandigheden op basis waarvan de behoefte van de vrouw is beoordeeld. Nu tegen dit oordeel van de rechtbank niet is gegriefd, staat in appel de wijziging van omstandigheden vast.
Behoeftigheid en behoefte van de vrouw 4. Ter onderbouwing van de stelling dat zij behoefte heeft aan een bijdrage in haar levensonderhoud ten laste van de man, voert de vrouw het navolgende aan. De vrouw stelt dat de rechtbank ten onrechte suggereert dat zij als motivatie voor haar verzoek uitsluitend haar gezondheidsproblemen heeft gesteld. De vrouw voert hiertoe aan dat naast haar gezondheidstoestand ook het handelen van de man een doorslaggevende rol van betekenis heeft gespeeld. Daarnaast stelt de vrouw dat zij, thans 57 jaar oud, sinds 1983 niet meer in loondienst heeft gewerkt en dat zij om alle door haar genoemde redenen vermoedelijk niet meer aan het werk zal komen. Voorts stelt de vrouw dat zij wel degelijk heeft aangetoond dat zij behoefte heeft aan alimentatie. Zij stelt dat het daartoe niet noodzakelijk is dat zij volledig arbeidsongeschikt is. Ten aanzien van haar arbeidsongeschiktheid stelt de vrouw dat het Centrum voor Werk en Inkomen (verder: CWI) haar kansen op het vinden van een baan dermate gering acht, dat zij niet meer bij het CWI hoeft langs te komen. Voorts voert de vrouw aan dat zij door de gemeente [plaatsnaam], waar zij sedert 1 juni 2005 een WWB-uitkering geniet, is ontheven van arbeidsverplichtingen.
Draagkracht van de man 8. Nu de behoefte van de vrouw aan een bijdrage in het levensonderhoud ten laste van de man is vastgesteld op € 2.500,- bruto per maand, dient thans de draagkracht van de man te worden beoordeeld. Het hof zal als uitgangspunt de door man in eerste aanleg overgelegde draagkrachtberekening nemen. Voorts zal het hof, gezien hetgeen verworpen wordt in rechtsoverweging 17 en 18 hierna, alleen de draagkracht in het jaar 2007 beoordelen.
Inkomen van de man 9. Ter zitting heeft de man ten aanzien van zijn inkomen nader verklaard dat de werkmaatschappij [bedrijf] een managementfee betaalt aan [bedrijf] en dat de man zijn salaris uit de holding uitgekeerd krijgt. In 2006 bedroeg het salaris van de man € 45.271,- bruto per jaar. Uit de door de man overgelegde salarisspecificaties over 2007 blijkt dat zijn inkomen in dat jaar nagenoeg gelijk was, zodat het hof bij de draagkrachtberekening van de man uitgaat van een bruto jaarinkomen van € 45.271,-.
Inkomen partner van de man 10. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de partner van de man in 2006 een eigen inkomen had van ongeveer € 25.000,- bruto per jaar. Ter zitting heeft de man verklaard dat zijn partner in verband met de komst van een kind, thans nog maar 20 uur per week werkt, met een salaris van € 1.000,- bruto per maand. Uit de stukken begrijpt het hof dat het kind van de man en zijn huidige echtgenote begin 2006 geboren is. Niet valt in te zien waarom de echtgenote in het jaar 2006 een eigen inkomen uit het bedrijf kan genieten van € 25.000,- terwijl dat in verband met de kinderen het jaar daarop niet meer het geval zou zijn. Het hof gaat er derhalve van uit dat zij een zodanig inkomen geniet, althans kan genieten, dat zij daarmee haar eigen kosten van levensonderhoud kan dragen, en kan bijdragen in de kosten van de kinderen.
Huurlasten en premie zorgverzekering 11. Nu de partner van de man geacht wordt in eigen levensonderhoud te kunnen voorzien, zal slechts met de helft van de huurlasten rekening worden gehouden. Hetzelfde geldt voor de premie zorgverzekering. De man heeft een premie van in totaal € 259,- opgevoerd en ter zitting verklaard dat dit een gezinspremie betreft. Het hof zal derhalve een bedrag van € 130,- per maand ter zake van premie zorgverzekering in aanmerking nemen.
Overlijdens- en invaliditeitsverzekering 12. Naar het oordeel van het hof heeft de vrouw deze post niet, dan wel onvoldoende gemotiveerd betwist, zodat het hof met een bedrag van € 93,- per maand rekening houdt.
Schulden 13. Ter zitting heeft de man nader verklaard dat hij met ingang van 1 maart 2008, zijnde de datum waarop zijn huurlasten aanzienlijk zijn gedaald, op de schulden bij Defam en de Rabobank aflost met een bedrag van € 500,- à € 600,- per maand. Nu niet is gebleken dat de man in 2007 op deze schulden heeft afgelost zal het hof in dat jaar geen rekening houden met deze last.
Draagkracht 14. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat de draagkracht van de man een partneralimentatie toelaat van € 580,- (bruto) per maand.
Verlenging van de alimentatieplicht 15. De vrouw heeft gesteld dat de limiteringsregeling van artikel 1:158 van het Burgerlijk Wetboek (verder: BW) niet van toepassing is verklaard bij een beëindiging van een geregistreerd partnerschap. Voor zover voornoemd artikel desalniettemin van toepassing wordt verklaard, heeft de vrouw verlenging van de alimentatieplicht verzocht. Daartoe voert zij aan dat limitering voor haar – onder meer gelet op haar minimale kansen op de arbeidsmarkt en haar gezondheidssituatie – naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid te ingrijpend is.
Partijen hebben kennelijk nimmer beoogd hun relatie als geregistreerd partners voort te zetten. Nu partijen de mogelijkheid van het geregistreerd partnerschap, en de beëindiging daarvan door wederzijds goed vinden in plaats van door ontbinding door de rechter, uitsluitend hebben benut teneinde een snelle echtscheiding te bewerkstelligen, is het hof van oordeel dat de periode van het geregistreerd partnerschap aangemerkt dient te worden als waren partijen met elkaar gehuwd gebleven. Hierbij overweegt het hof dat het – gelet op het specifieke doel dat partijen voor ogen hadden bij de omzetting – niet redelijk is dat als gevolg daarvan een onderhoudsplicht voor de man ontstaat die afwijkt van de limiteringsregel zoals die geldt wanneer partijen gehuwd waren gebleven.
Nu partijen voorts geen kinderen hebben die binnen het huwelijk zijn geboren, is het hof derhalve van oordeel dat de termijn van de onderhoudsplicht van de man jegens de vrouw in beginsel vier jaar, vijf maanden en vijfentwintig dagen betreft, ingaande op 14 januari 2003, zijnde de datum van de inschrijving van de verklaring van ontbinding van het geregistreerd partnerschap.
Bij het wegvallen van het alimentatiebedrag is er derhalve geen sprake van een aanzienlijke achteruitgang van inkomsten. Derhalve is het hof van oordeel dat bij het wegvallen van de alimentatie geen sprake is van een inkomensachteruitgang die zo ingrijpend van aard is dat deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van de vrouw kan worden gevergd. Voor zover de vrouw rechten wil doen gelden op een verlenging van de onderhoudsplicht van de man jegens haar, door te stellen dat het aan de man te wijten is dat zij thans is aangewezen op een bijstandsuitkering, oordeelt het hof dat deze stelling – nog daargelaten of het daadwerkelijk aan de man te wijten is – niet tot een ander oordeel ten aanzien van het verzoek tot verlenging van de onderhoudsplicht kan leiden.
BESLISSING OP HET HOGER BEROEP Het hof: vernietigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en, in zoverre opnieuw beschikkende: bepaalt de alimentatie voor de vrouw ten laste van de man, met ingang van 26 januari 2007 tot 9 juli 2007 op € 580,- per maand; bepaalt dat verlenging van deze termijn niet mogelijk is; verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad; wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. Stille, Pannekoek-Dubois en Milar, en bijgestaan door mr. Vermaas-Koetsier als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 juli 2008.