GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE Sector handel Zaaknummer : 105.007.535/01 Rolnummer (oud) : C08/125 KG Rolnummer rechtbank : KG 07/1332 arrest van de eerste civiele kamer d.d. 30 september 2008 inzake [appellant], wonende te Maastricht, thans gedetineerd in Duitsland, appellant, hierna te noemen: [appellant], advocaat: mr. R.A. Kaarls te ‘s-Gravenhage, tegen de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie), zetelend te ‘s-Gravenhage, geïntimeerde, hierna te noemen: de Staat, advocaat: mr. A.Th.M. ten Broeke te ‘s-Gravenhage. Het geding Bij exploot van 2 januari 2008 is [appellant] in hoger beroep gekomen van het vonnis van 6 december 2007, door de voorzieningenrechter van de rechtbank ’s-Gravenhage in kort geding gewezen tussen partijen. Bij dat exploot en de gelijkluidende conclusie van eis in hoger beroep heeft hij tegen het vonnis één grief gericht, die door de Staat bij memorie van antwoord (met drie producties) is bestreden. Vervolgens heeft de Staat alle stukken en [appellant] de stukken van het hoger beroep overgelegd en hebben partijen arrest gevraagd. Beoordeling van het hoger beroep 1.1 Het gaat in deze zaak om het volgende: 1.2 [appellant] heeft de Marokkaanse nationaliteit. Hij is in mei 1990 naar Nederland gekomen en heeft een verblijfsvergunning gekregen die vanaf 1996 voor onbepaalde tijd gold. 1.3 Op grond van artikel 23 van de Overleveringswet heeft de officier van justitie op 23 maart 2005 bij de rechtbank Amsterdam een vordering ingediend strekkende tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel, uitgevaardigd door de Oberstaatsanwalt bij de Staatsanwaltschaft Trier te Duitsland en betreffende de aanhouding en overlevering van [appellant]. 1.4 Bij uitspraak van 29 april 2005 heeft de internationale rechtshulpkamer van de rechtbank Amsterdam de overlevering van [appellant] toegestaan. Daartoe heeft de rechtbank onder meer overwogen: ”De opgeëiste persoon kan in Nederland worden vervolgd voor de feiten. De verwachting bestaat dat hij niet het recht van verblijf in Nederland zal verliezen ten gevolge van een hem na overlevering opgelegde straf of maatregel. Op grond van artikel 6, vijfde lid, van de Overleveringswet moet de opgeëiste persoon in zoverre gelijk worden gesteld aan een Nederlander. Zijn overlevering kan daarom alleen worden toegestaan, indien de in artikel 6, eerste lid, van de Overleveringswet bedoelde garantie is gegeven. De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft in een brief afkomstig van de Leitender Oberstaatsanwalt te Trier, Duitsland, d.d. 30 maart 2005, de volgende garantie gegeven: Ik verzeker u, dat [appellant] (…) voor het geval dat hij in Duitsland een onvoorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd krijgt, naar Nederland uitgeleverd wordt. Bovendien ga ik ermee akkoord, dat overeenkomstig artikel 9 lid 1b en artikel 11 van de transferovereenkomst van 21 maart 1983 het omzettingsprocédé toegepast wordt. Uit artikel 3, eerste lid, aanhef onder e van het Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen van 21 maart 1983 […] volgt dat deze garantie alleen kan worden geëffectueerd, indien de feiten ook naar Nederlands recht strafbare feiten opleveren. Aan deze voorwaarde is voldaan. […] Naar het oordeel van de rechtbank is dan ook gewaarborgd dat, zo de opgeëiste persoon ter zake van de feiten waarvoor de overlevering kan worden toegestaan in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, hij deze straf in Nederland zal mogen ondergaan […]” 1.5 Bij vonnis van 28 april 2006 heeft het Landgericht Trier [appellant] veroordeeld tot een gevangenisstraf van negen jaar en zes maanden wegens, kort gezegd, handel in verdovende middelen en invoer daarvan. 1.6 Bij brief van 12 februari 2007 heeft [appellant] de Staat verzocht om zijn teruglevering (overlevering) naar Nederland te bewerkstelligen. 1.7 Bij beschikking van 19 november 2007 heeft de staatssecretaris van justitie de aan [appellant] verleende verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd ingetrokken en [appellant] ongewenst verklaard, vanwege zijn veroordeling tot gevangenisstraf in Duitsland en gelet op de ernst van de feiten waarvoor hij is veroordeeld. Op 20 november 2007 heeft [appellant] hiertegen bezwaar gemaakt. Tevens heeft hij bij wijze van voorlopige voorziening verzocht om schorsing van het besluit van 19 november 2007 hangende de behandeling van het bezwaarschrift, maar dit verzoek is bij uitspraak van 28 januari 2008 afgewezen wegens gebrek aan spoedeisend belang. 1.8 Bij brieven van 26 november 2007 heeft de Staat zowel aan de Duitse autoriteiten als aan [appellant] laten weten dat [appellant] niet in aanmerking komt om naar Nederland te worden overgebracht. 2.1 [appellant] heeft in dit kort geding gevorderd de Staat te bevelen om uitvoering te geven aan de daadwerkelijke teruglevering van [appellant] vanuit Duitsland aan Nederland zoals bedoeld in de uitspraak van 29 april 2005 van de rechtbank Amsterdam. 2.2 De voorzieningenrechter heeft de vordering afgewezen. Hij overwoog daartoe (kort weergegeven) als volgt. Niet valt in te zien waarom de Staat gehouden zou zijn om [appellant] in staat te stellen om de in Duitsland opgelegde gevangenisstraf in Nederland uit te zitten. [appellant] beschikt op dit moment niet over een verblijfsvergunning en is zelfs ongewenst verklaard. Het zou anders zijn als in de beschikking van 19 november 2007 ten onrechte zou zijn besloten om [appellant]s verblijfsvergunning in te trekken en hem ongewenst te verklaren, maar in dit kort geding moet van de juistheid van die beschikking worden uitgaan. [appellant] mocht niet in redelijkheid op grond van de uitspraak van 29 april 2005 er op vertrouwen dat hij de in Duitsland op te leggen straf in Nederland mocht ondergaan, omdat de rechtbank er in die uitspraak slechts rekenschap van heeft gegeven dat zij, gelet op het bepaalde in artikel 6 lid 1 van de Overleveringswet, onderzocht heeft of de “terugkeergarantie” is gegeven, zonder toezegging aan [appellant] te doen. Aldus de voorzieningenrechter. 2.3 Met zijn grief heeft [appellant] het geschil in volle omvang aan het hof voorgelegd. Hij heeft daarbij het volgende aangevoerd. Op grond van de uitspraak van 29 april 2005 van de rechtbank Amsterdam kon en mocht [appellant] er op vertrouwen dat hij daadwerkelijk zou worden teruggeleverd. De terugkeergarantie zoals aangegeven in die uitspraak was inzet in de overleveringsprocedure. Daar was aan de orde dat [appellant] ook in Nederland vervolgd had kunnen worden. De rechtbank overwoog toen uitdrukkelijk dat is gewaarborgd dat hij zijn straf in Nederland zal mogen ondergaan. De Duitse autoriteiten zijn ook uitgegaan van de terugkeer van [appellant]. Voorts kan niet worden uitgegaan van de juistheid van de beschikking van 19 november
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.