GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE Sector handel Zaaknummer : 105.007.744/01 Rolnummer : C08/334 Rolnummer rechtbank : 08/181 arrest van de negende civiele kamer d.d. 28 oktober 2008 inzake [Huurder], Handelend onder de naam [eenmanszaak], wonende te [woonplaats], appellant, hierna te noemen: [huurder], advocaat: mr. H.L.J. Walhain te ’s-Gravenhage, tegen [Verhuurder], wonende te [woonplaats], geïntimeerde, hierna te noemen: [verhuurder], advocaat: mr. H.J.W. Alt te ‘s -Gravenhage. Het geding 1. Bij exploot van 4 maart 2008 is [huurder] in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank ’s-Gravenhage, sector kanton, locatie Delft, van 21 februari 2008 tussen partijen gewezen. Bij “memorie van grieven tevens houdende eis in reconventie” heeft [huurder] vier grieven voorgedragen en een eis in reconventie geformuleerd. De grieven en de eis in reconventie zijn door [verhuurder] bij memorie van antwoord bestreden. Daarna hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest. Beoordeling van het hoger beroep 2.1 Door de rechtbank heeft geen feitenvaststelling plaatsgevonden, zodat het hof dit alsnog doet. Het gaat in dit geding om het volgende. 2.3 Op 28 januari 2004 is door [verhuurder] (en [een ander] ) als verhuurder en [huurder] (als directeur van [de eenmanszaak) als huurder een huurovereenkomst gesloten met betrekking tot de bedrijfsruimte aan de [adres]. 2.4 De huurovereenkomst is gesloten voor de duur van 2 jaar en drie maanden, ingaande op 1 februari 2004 en eindigend op 1 mei 2006, tegen een jaarhuur van € 22.200,00 welke bij vooruitbetaling dient te worden voldaan in maandelijkse termijnen van € 1.850,00 te vermeerderen met € 100,00 voorschot stookkosten. 3.1 [verhuurder] heeft bij inleidende dagvaarding gevorderd bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, - te verklaren ontbonden, althans te ontbinden, de tussen partijen gesloten huurovereenkomst; - [huurder] te veroordelen om binnen 24 uur na betekening van het ten deze te wijzen vonnis het gehuurde te verlaten en bezemschoon te ontruimen, met machtiging van [verhuurder] om bij gebreke daarvan de ontruiming zelf te doen uitvoeren, op kosten van [huurder], met behulp van de sterke arm; - [huurder] te veroordelen om aan [verhuurder] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen € 31.677,95, vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6:119a BW over € 26.400,00, met ingang van 1 november 2007 tot de dag der algehele voldoening; - [huurder] te veroordelen om aan [verhuurder] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen de maandelijkse huurbedragen van € 1.950,00 per maand met ingang van 1 november 2007 tot en met de maand van de ontruiming van het gehuurde, met veroordeling van [huurder] in de kosten van deze procedure. [verhuurder] heeft daaraan ten grondslag gelegd dat [huurder] een huurachterstand van € 26.400,00 heeft en dat hij buitengerechtelijke incassokosten heeft gemaakt te begroten op 15% van de hoofdsom plus rente. 3.2 [huurder] heeft bij schrijven van 8 januari 2008 verweer gevoerd. Daarin betwist hij de huurachterstand niet, maar geeft hij aan dat zich twee schaden, in 2005 en 2007, hebben voorgedaan die door de beheerder van [verhuurder] zijn veroorzaakt en welke reden voor [huurder] zijn de huurpenningen niet te betalen. 3.3 Vervolgens heeft de rechtbank een comparitie van partijen gelast. Bij het bestreden vonnis overwoog de rechtbank dat [huurder], ondanks deugdelijke oproeping, zonder bericht niet ter comparitie van partijen is verschenen. De rechtbank achtte de vordering “na de weerlegging van het gevoerde verweer” door [verhuurder] toewijsbaar, met dien verstande dat de buitengerechtelijke kosten werden gematigd tot € 1.000,00 en de gevorderde machtiging om de ontruiming zelf uit te voeren werd afgewezen nu naar het oordeel van de rechtbank de mogelijkheid tot reële executie van het betreffende deel van de veroordeling reeds voortvloeit uit het bepaalde in de artikelen 555 e.v. jo artikel 444 Rv. 4.1 Het hof overweegt met betrekking tot de grieven van [huurder] als volgt. 4.2.1 In grief I stelt [huurder] dat hij niet weet of de griffier hem inderdaad deugdelijk heeft opgeroepen voor de comparitie van partijen; [huurder] stelt in ieder geval nooit een oproep te hebben ontvangen. [huurder] verzoekt het hof “alsnog” een comparitie van partijen te gelasten. “Tijdens die comparitie zal [verhuurder] onder andere zijn eis in reconventie (…) nader kunnen toelichten.” 4.2.2 Het hof begrijpt deze grief aldus dat deze er niet toe strekt dat het vonnis van de rechtbank wordt vernietigd, maar dat de appelrechter opnieuw (uit de toelichting op grief II leidt het hof af dat [huurder] niet betwist dat er in eerste aanleg een comparitie van partijen heeft plaatsgevonden) of “alsnog” een comparitie van partijen gelast. Anders dan op voet van artikel 131 Rv. voor de rechtbank in eerste aanleg geldt, is het in hoger beroep aan het procesbeleid van de rechter overgelaten al dan niet een comparitie te gelasten; ingevolge artikel 353 lid 1 Rv geldt artikel 131 Rv niet in hoger beroep. Het hof ziet in de zowel in eerste aanleg als in hoger beroep uiterst lapidaire stellingen van [huurder] geen aanleiding een comparitie te gelasten. Een comparitie dient er niet toe met nieuwe grieven te komen; een comparitie kan er wel toe strekken de rechter nadere inlichtingen te geven. Voor het gelasten van een schikkingscomparitie ziet het hof evenmin aanleiding nu de vordering van [verhuurder] voor toewijzing gereed ligt, zoals hierna wordt toegelicht. Daarmee faalt grief I. 4.3.1 In grief II deelt [huurder] mee dat hij “in zekere zin” begrijpt dat de rechtbank in feite niet anders kon dan de vordering(en) op de wijze waarop zij de vordering(en) heeft toegewezen, toe te wijzen. Volgens [huurder] zou de rechtbank, indien zij tijdens de comparitie van partijen van de toelichting van [huurder] op zijn verweer kennis hebben genomen, tot een ander oordeel zijn gekomen. Volgens [huurder] is een nieuwe comparitie van partijen geïndiceerd. 4.3.2 Het hof stelt vast dat deze grief geen grond voor vernietiging van het vonnis van de rechtbank bevat, zodat ook deze grief dient te worden verworpen. Zoals hiervoor reeds overwogen, de appelrechter is niet gehouden een comparitie van partijen te gelasten en het hof ziet er geen aanleiding voor. 4.4.1 Grief III keert zich tegen de beslissingen van de rechtbank
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.