ECLI:NL:GHSGR:2008:BG9418
GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE Sector handel, kamer 2 Uitspraakdatum : 30 december 2008 Zaaknummer : 105.012.278/01 Rekestnummer : R07/1714 Reknr. Rechtbank : RK 07-3 Beslissing in de zaak van: het rechtspersoonlijkheid bezittende openbaar lichaam HAVENSCHAP MOERDIJK, zetelende te Moerdijk, appellant, hierna te noemen: het Havenschap, voormalig procureur: mr. L.M. Bruins, advocaat: mr. A.P. Smit (Dordrecht), tegen de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid ENECO NETBEHEER B.V. en ENECO ENERGIE INFRA B.V., beide gevestigd te Rotterdam, geïntimeerden, hierna te noemen: Eneco, voormalig procureur: mr. W. den Hertog, advocaat: prof. mr. F.G.M. Smeele (Rotterdam).
Het verloop van het geding Het Havenschap heeft een beroepschrift ex art. 642y Rv - ingekomen ter griffie van het hof op 26 november 2007 - ingediend tegen de beschikking van de Rechtbank Rotterdam van 29 oktober 2007 waarbij het verzoek van het Havenschap tot beperking van aansprakelijkheid is afgewezen. Vervolgens heeft het Havenschap een brief met bijlage, gedateerd 28 februari 2008, toegestuurd aan het hof, met afschrift naar Eneco en andere belanghebbenden. Eneco heeft een verweerschrift gedateerd 4 november 2008 ingediend, gevolgd door een faxbrief met bijlage van 5 november 2008. Op 11 november 2008 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten van partijen hebben toen het woord gevoerd, de advocaat van het Havenschap aan de hand van pleitaantekeningen. Als belanghebbenden waren ook vertegenwoordigers van de Staat der Nederlanden (hierna mede: de Staat) en Bagger- en aannemingsmaatschappij Van der Kamp B.V. (hierna: Van der Kamp) aanwezig.
De beoordeling van het hoger beroep samenvatting 1. De vraag die in deze procedure centraal staat, is of het Havenschap op grond van art. 1 van het Londens Beperkingsverdrag 1976 en het daarop geënte art. 8:750 BW zijn eventuele aansprakelijkheid mag beperken voor schade die Eneco stelt te hebben geleden doordat een in opdracht van het Havenschap werkzaam baggerschip - de “Rijndelta” - kabels van Eneco zou hebben geraakt. de casus 2. De “Rijndelta” - een tot hopperzuiger omgebouwde coaster, metende 4.458 ton bruto en toebehorende aan Van der Kamp - heeft op 16 juli 2003 baggerwerkzaam-heden verricht in de Dordtsche Kil tussen Dordrecht en ’s-Gravendeel ter hoogte van het voormalig veer naar ’s-Gravendeel. Zij deed dat in opdracht en voor rekening van het Havenschap. Die had zich samen met en tegenover de Staat der Nederlanden, Ministerie van Verkeer en Waterstaat, Directie Noordzee (hierna: DNZ) bij overeenkomst van 27 juni 2003, nr. NZ 1558, verbonden tot het (doen) uitvoeren van de betreffende werkzaamheden. De overeenkomst bepaalt o.a.: (i) dat het Havenschap de directievoering met betrekking tot de werkzaamheden zal delegeren aan DNZ en dat “die het werk met betrekking tot de Dordtsche Kil zal realiseren door gebruik te maken van de door haar gesloten optiecharter met diverse aannemers”; (ii) dat de vertegenwoordigers van DNZ (..) partijen vertegenwoordigen voor alle zaken de overeenkomst betreffende en (iii) dat de “uitgevoerde werkzaamheden (..) door de aannemer(s) volgens de bepalingen van de optie charter overeenkomst(en) (..) na schriftelijke goedkeuring door DNZ” bij het Havenschap in rekening worden gebracht. Wat de bedoelde “optie charterovereenkomst(en)” betreft, is voor de onderhavige zaak van belang die welke onder nr. NZ 1134 is gesloten tussen de Staat aan de ene en Van der Kamp aan de andere kant. Van der Kamp verbindt zich daarin tot het op afroep binnen en gedurende een bepaalde tijd beschikbaar stellen van een volledig bemande en bedrijfsvaardige sleephopperzuiger.
Als zodanig worden vier sleephopperzuigers bij naam genoemd, waaronder de “Rijndelta”.
Gelet op de context waarin de opmerking in de Memorie van Toelichting is gemaakt, is overigens niet aannemelijk dat daarmee bedoeld is om steeds ieder die partij is bij een overeenkomst waarbij een schip is betrokken als gebruiker van dat schip aan te merken. Wat er wel precies mee is bedoeld, kan hier in het midden blijven omdat het er in de onderhavige zaak niet om spant of het Havenschap via een extensieve uitleg nog net onder het gebruikersbegrip is te brengen; aan de orde is slechts of het Havenschap, zoals hij zelf stelt, (onder)bevrachter van de “Rijndelta” was of een daarmee op één lijn te stellen gebruiksrelatie had. Een tweede, meer voor zich sprekende opmerking van algemene aard is, dat niet met terugwerkende kracht personen als beperkingsgerechtigden kunnen worden aangemerkt die ten tijde van het evenement die hoedanigheid misten.
Wel dient hierbij te worden bedacht dat met de uitbreiding van de kring van beperkingsgerechtigden in het Londens Beperkingsverdrag ten opzichte van die in het Beperkingsverdrag van 1957 beoogd is te voorkomen dat schuldeisers via de sluipweg van de paardensprong zouden trachten te ontkomen aan de werking van de globale beperking van aansprakelijkheid. (2) 8. Voor het overige verschilt de beoordeling in hoger beroep van die in de eerste aanleg. Meer in het bijzonder wordt niet overgenomen de door de rechtbank in navolging van Eneco aangelegde zeggenschapseis als criterium voor de beperkingsgerechtigdheid. Toepassing van dat criterium stelt voor problemen bij onder meer enkele bevrachtingsvarianten. Bijvoorbeeld valt dan de rompvervrachter “buiten de boot”. Volgens de artt. 8:530 en 8:990 BW houdt deze immers geen enkele zeggenschap over het schip. (3) 9. Met het schrappen van de zeggenschapseis als criterium voor de beperkingsgerechtigdheid ontvalt de basis aan de afwijzende beslissing van de rechtbank. Dat betekent dat het door het Havenschap ingediende beperkingsverzoek in hoger beroep opnieuw in volle omvang ter beoordeling voorligt.
Eneco wil daaraan een argument ontlenen voor haar betoog dat het Havenschap geen, of hooguit een zijdelingse relatie had met de “Rijndelta” en om die reden niet bevrachter of gebruiker was van dat schip. Daarbij gaat zij er echter aan voorbij dat die andere overeenkomst een ander traject betreft dan dat waarop zich het schade-evenement heeft voorgedaan en daarom niet geschikt is voor dwingende gevolgtrekkingen ten aanzien van de juridische vormgeving van het gebruik van de “Rijndelta” op laatstbedoeld traject, ten aanzien waarvan nu juist wèl is vastgelegd dat het uitdiepen daarvan zal worden gerealiseerd door gebruikmaking van de optie-charterovereenkomsten. Weliswaar heeft Eneco in hoger beroep ook nog betwist, zij het voor het eerst, dat de “Rijndelta” feitelijk op basis van een optiecharterovereenkomst (NZ 1134) is ingezet, maar deze betwisting kent slechts als motivering dat het optiecharter spreekt over een “schriftelijke afroep” en er geen afroepbewijzen zijn getoond, hetgeen geen voldoende motivering is voor deze betwisting, omdat uit niets blijkt dat het om een dwingend vormvoorschrift gaat en het eventueel ontbreken van schriftelijke afroepbewijzen niet impliceert dat de “Rijndelta” niet op afroep onder het optiecharter NZ 1134 ter beschikking is gesteld.
Van der Kamp, de Staat en het Havenschap gaan bovendien uit van zodanige afroep en ook Eneco zelf stelt in haar inleidende dagvaarding (punt 10) dat de “Rijndelta” op basis van een afroepcontract is ingezet waarmee - naar wordt aangenomen; de productie waarnaar punt 10 verwijst is niet overgelegd - het optiecharter NZ 1134 zal zijn bedoeld, aangezien gesteld noch gebleken is dat er nog een ander afroepcontract was.
Dat de rechtstreekse overeenkomst tussen Van der Kamp en het Havenschap niet over bevrachting en de overeenkomst NZ 1558 niet over onderbevrachting spreekt, is daarom zo verkeerd nog niet, maar dit terzijde. Het Londens Beperkingsverdrag maakt ten aanzien van het daarin gebezigde begrip charterer echter geen onderscheid tussen typen van gebruik - goederenvervoer of andere doeleinden - en kent niet een beperking dat, wil een ander dan de eigenaar, meer in het bijzonder de charterer, zijn aansprakelijkheid kunnen beperken, deze het schip moet gebruiken voor het vervoer van goederen. Ook degene aan wie een schip voor baggerdoeleinden ter beschikking wordt gesteld, kan daarom in beginsel onder het begrip charterer worden gebracht en mag uit dien hoofde worden gerekend tot de kring van beperkingsgerechtigden.
En omdat “bevrachter” in art. 8:750, lid 2, BW een vertaling is van het begrip charterer uit het Londens Beperkingsverdrag is de Staat mede aan te duiden als bevrachter.
Dat het afroepen van de baggerschepen van dit vertegenwoordigend handelen was uitgezonderd, is gesteld noch gebleken. Wat er blijkbaar is gebeurd, is dat de Staat, gebruikmakend van het afroepcontract NZ 1134, het Havenschap als gebruiker naar voren heeft geschoven; Van der Kamp wist dat het schip aan het Havenschap ter beschikking werd gesteld en dat het Havenschap haar debiteur werd en ging daarmee akkoord. Aldus ontstond tussen Van der Kamp en het Havenschap een rechtstreekse verbintenisrechtelijke betrekking, in die zin dat ook in hun onderlinge relatie het Havenschap verplicht was Van der Kamp voor de terbeschikkingstelling te betalen. Er mag daarom worden uitgegaan van een onmiddellijke vertegenwoordiging, waardoor (ook) tussen het Havenschap en Van der Kamp een overeenkomst van terbeschikkingstelling tot stand kwam.
Voor zover de Staat mede op eigen naam heeft gehandeld, is sprake van toetreding door het Havenschap tot de bestaande overeenkomst tussen de Staat en Van der Kamp en is een driepartijen-overeenkomst ontstaan op basis waarvan de “Rijndelta”, tegen betaling door het Havenschap aan Van der Kamp, gedurende zekere tijd aan het Havenschap ter beschikking is gesteld. Dat het Havenschap naast bevrachting ook wel de term onderbevrachting heeft gebezigd, staat hiermee niet op gespannen voet; dat is een vlag die de lading niet dekt, althans niet voor zover het betreft de betalingsverplichting van het Havenschap aan Van der Kamp. Overigens zou het Havenschap ook als onderbevrachter beperkingsgerechtigd zijn.
Eneco miskent hierbij echter dat de overeenkomst NZ 1558 juist uitdrukkelijk voorschrijft dat de werkzaamheden zullen worden gerealiseerd door gebruikmaking van de optiecharters; dus door de inzet van sleephopperzuigers, waaronder de “Rijndelta” van Van der Kamp. Dat de “Rijndelta” de baggerwerkzaamheden verrichtte, berustte dan ook niet op een toevalligheid en was evenmin een kwestie van een eigen keuze van Van der Kamp om bij de uitvoering van de aangenomen baggerwerkzaamheden een sleephopperzuiger in te zetten. De “Rijndelta” was in haar geheel, volledig bemand en bedrijfsvaardig ter beschikking gesteld aan de Staat en het Havenschap en verrichtte haar werkzaamheden op aanwijzingen van de Staat die daartoe personeel aan boord van de “Rijndelta” had (vgl. punt 86 inl. dagv.) en die ook aldus het Havenschap vertegenwoordigde.
Gelet op dit alles kan overigens moeilijk worden volgehouden dat er geen zeggenschap van het Havenschap was met betrekking tot de wijze van aanwending van het schip, maar dit wederom ter zijde, omdat het hof die zeggenschapseis niet als beslissend criterium hanteert. Eneco meent verder nog een argument voor haar gelijk te kunnen ontlenen aan de omschrijving op de facturen die Van der Kamp aan het Havenschap heeft gestuurd voor de inzet van o.m. de “Rijndelta”. Die omschrijving luidt op de factuur 143: “voor u uitgevoerde baggerwerkzaamheden inzake verdiepen toegangsgeul naar en in de haven van Moerdijk”. Uit die omschrijving volgt volgens Eneco niet dat sprake is van bevrachting door de Staat en ondervervrachting aan het Havenschap.
Dat bevreemdt echter niet als wordt uitgegaan van een vertegenwoordigend handelen van de Staat. Wel zijn, wat Eneco niet doet, andere aanmerkingen te maken op de factuuromschrijving. Bijvoorbeeld wordt niet expliciet de Dordtsche Kil als werkterrein genoemd. Wat daarvan zij, deze en andere onvolkomenheden in de verstuurde facturen geven geen aanleiding tot een andere beoordeling van de rechtsbetrekking van het Havenschap tot de “Rijndelta” ten tijde van het schade-evenement.
De beslissing Het hof,
Deze beslissing is genomen door mrs. J.M. van der Klooster, J.E.H.M. Pinckaers en T. van der Valk en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 december 2008 in aanwezigheid van de griffier.