ECLI:NL:GHSGR:2009:BH1446
GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE Sector handel, kamer 2 Uitspraakdatum : 27 januari 2009 Zaaknummer : 105.005.923/01 Rolnummer (oud) : 07/58 Rolnummer Rechtbank: 05/260 Arrest in de zaak van:
Georg Schilinsky B.V., gevestigd te Rotterdam, appellante, hierna te noemen: Schilinsky, procesadvocaat: mr. W.P. den Hertog, behandelend advocaat: mr. H. Boonk (Rotterdam), tegen Dr. Christian Frystasky, in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van Mathias Wirtz Getreide-Futtermittel GmbH, kantoorhoudende te Bonn, geïntimeerde, hierna te noemen: de curator en de failliet: Wirtz, procesadvocaat: mr. L.M. Bruins, behandelend advocaat: mr. R.J. Leijssen (Enschede).
Het verloop van het geding Schilinsky is bij exploot van 18 december 2006 in hoger beroep gekomen van het door de Rechtbank Rotterdam tussen hem als gedaagde en de curator als eiser gewezen vonnis van 15 november 2006. Bij memorie van grieven heeft hij vijf grieven aangevoerd. Die zijn door de curator bij memorie van antwoord bestreden. Aansluitend hebben partijen de processtukken overgelegd en arrest gevraagd.
De beoordeling van het hoger beroep inleiding 1. In dit geding staan de volgende vragen centraal: (i) is Wirtz aansprakelijk voor het nadeel dat Schilinsky heeft ondervonden doordat zij als ontvangstexpediteur van Wirtz een in trust gehouden ship’s delivery order betreffende een door Wirtz aan-gekochte zending soyabeanmealpellets heeft vrijgegeven terwijl Wirtz, die haar daartoe opdracht gaf, de koopprijs nog niet had voldaan en (ii) mocht Schilinsky zich voor dit nadeel verhalen op een andere door Wirtz gekochte zending soyabeanmealpellets. enkele feiten 2. Wirtz heeft van Atlantic Oils & Meals (A.O.M.) SA - hierna: Atlantic Oils - een per m.s. “Afovos” van San Lorenzo (Argentinië) naar Amsterdam vervoerde zending van 1.020 ton soyabeanmealpellets gekocht voor een bedrag van USD 307.020,--, te voldoen op 29 juni 2004. De betalingsconditie luidde: “net cash against presentation of documents”. Die documenten, waaronder de op de partij betrekking hebbende ship’s delivery order (D/O), zijn door Atlantic Oils op 28 juni 2004 in trust gegeven aan Schilinsky. In de begeleidende brief van Atlantic Oils aan Schilinsky staat (c.v.a. prod. 1) dat de documenten respectievelijk de goederen eigendom van Atlantic Oils blijven totdat er betaald is en verder: “you may not dispose of the documents in any way before full invoice amount(s) had been received by us”. Schilinsky heeft Wirtz diezelfde dag over de ontvangst van de documenten geïnformeerd; zie de als prod. 12 bij c.v.a. overgelegde faxbrief van 28 juni 2004: “Wir erhielten Dokumenten zu getreuen Haenden 16.30 Uhr”. De als bijlage bij die faxbrief meegestuurde factuur van Atlantic Oils aan Wirtz vermeldt: “payment as per due date 29 June 2004 per SWIFT transfer to our account”. Atlantic Oils heeft Wirtz ook zelf over de afgifte van de documenten aan Schilinsky bericht, te weten bij faxbrief van 29 juni 2004: “Value 28.06.04 we presented documents for you via G. Schilinsky (..) could you pls confirm us if we can payment value today.”
Schilinsky heeft dienovereenkomstig op eigen naam aan scheepsagent Cargill, onder inlevering van de delivery order, om afgifte van twee sub-delivery orders verzocht. Die zijn haar door Cargill verstrekt. In de procedure is overgelegd een fotokopie van de op de 255 ton betrekking hebbende sub-delivery order (c.v.a., prod. 9). Deze vermeldt in de aanhef: “to the agents of port of delivery Cargill (..) en is ook door Cargill “for and on behalf of the Master” getekend, met de toevoeging: “as agents only”. Het document kent geen voorgedrukt vakje voor vermelding van de identiteit van de shipper en noemt ook niet een naam van een afzender. Wel is er de voorgedrukte vermelding “On presentation of the Delivery Order and against payment of freight the following will be delivered to the order of” en daar-onder in getypte letters: “to order”.
De sub-delivery order verschilt in dit alles niet van de bij Cargill ingeleverde delivery order betreffende de totale partij (c.v.e., prod.10).
Dat Schilinsky dit risico, dat zich heeft gerealiseerd, op de koop toe heeft genomen en er in haar verhouding met Wirtz niet vanuit mocht gaan dat laatstgenoemde de zending als toegezegd op 29 of, de lezing van Wirtz volgend, 30 juni zou betalen, is gesteld noch gebleken. Evenmin zijn feiten of omstandigheden aangevoerd waaruit valt af te leiden dat Wirtz er op haar beurt redelijkerwijs op mocht vertrouwen dat de betalingstoezegging voor de 30ste gestand zou worden gedaan, wat de gegeven instructie eens te meer kwalijk maakt. Daarnaast geldt dat in de relatie Wirtz / Schilinsky de gevolgen van het niet kunnen betalen voor rekening van Wirtz komen.
Ook zou er een aantekening van die strekking zijn geplaatst op de aan het slot van rov. 2 bedoelde faxbrief. Dat die faxbrief met daarop bedoelde aantekening op 29 of 30 juni 2004 ter kennis van Schilinsky is gebracht, blijkt echter niet, is door Schilinsky ontkend en is door de curator niet behoorlijk onderbouwd en evenmin specifiek te bewijzen aangeboden. Wel heeft de curator te bewijzen aangeboden dat Wirtz heeft meegedeeld dat op 30 juni 2004 betaald zou worden. Naar aanleiding daarvan wordt vooropgesteld dat, voor zover het vorderingsrecht van Schilinsky is gebaseerd op de stelling dat Wirtz ten onrechte heeft meegedeeld of de indruk gewekt dat op de 29ste zou worden betaald, het in de eerste plaats aan Schilinsky is om de juistheid van die stelling aan te tonen.
Deze bewijsvoering kan achterwege blijven indien de betreffende stelling onvoldoende gemotiveerd is betwist (art. 149, lid 1, tweede zin, Rv). Dat geval doet zich hier voor, want terwijl Schilinsky gemotiveerd heeft betoogd dat vaste praktijk was dat betaling plaatsvond de dag na de ontvangstmelding van de documenten en dat Schilinsky uiteraard geen in trust gehouden documenten op de 29ste zou vrijgeven indien volgens opgave van Wirtz de betaling eerst de dag erna zou plaatsvinden, heeft Wirtz slechts aangevoerd, zonder enige onderbouwing, dat op een gegeven moment door iemand van Wirtz is meegedeeld dat de koopprijs op de 30ste zou worden betaald (m.v.a. 7). Minst genomen had van de curator mogen worden verwacht dat hij zou toelichten waarom Schilinsky gevolg zou hebben gegeven aan een instructie tot doorlevering van de documenten op de 29ste indien haar gezegd zou zijn dat er eerst op de 30ste zou worden betaald.
Schilinsky kende immers de afspraak “cash against documents” en wist dat niet zonder betaling over de documenten mocht worden beschikt. Ook blijkt niet waarop de door de curator bedoelde “iemand van Wirtz” gebaseerd zou hebben dat er de 30ste (wel) betaald zou worden. De bewering dat dit niettemin toegezegd zou zijn, mist daardoor een behoorlijke onderbouwing en wordt om die reden gepasseerd. Hierbij speelt tevens een rol dat ook andere beweringen van de curator zich kenmerken door een gebrek aan nauwkeurigheid. Zo wordt in de inleidende dagvaarding als excuus voor het niet betalen op (woensdag) 30 juni 2004 opgevoerd, in punt 28, dat de bank die dag de rekeningen van Wirtz had geblokkeerd, terwijl bij memorie van antwoord wordt beweerd, onder verwijzing naar de dagvaarding, dat de betaling die Wirtz wilde doen geen doorgang heeft gevonden omdat door het openen van het Insolvenzveröffenungsverfahren de bankrekeningen van Wirtz werden geblokkeerd.
De opening van het Insolvenzveröffenungsverfahren was echter op vrijdag 2 juli 2004 om 15.00 uur. Dergelijke tegenstrijdigheden wekken de indruk dat het om losse, ongefundeerde beweringen gaat. Om die reden wordt daaraan voorbijgegaan. Aan bewijsvoering wordt dan ook niet toegekomen, ook niet indien ervan wordt uitgegaan dat met de iemand uit punt 7 van de memorie van antwoord directeur Zimmermann van Wirtz is bedoeld en het bewijsaanbod daardoor op dat punt voldoende gespecificeerd zou zijn, wat thans niet het geval is. Het bewijsaanbod, voor zover al gehandhaafd in hoger beroep, is bovendien niet ter zake doende, omdat het vorderingsrecht van Schilinsky reeds is aanvaard op de andere, hierboven in rov. 13 en 14 genoemde gronden, waaraan nog wordt toegevoegd de grondslag ongerechtvaardigde verrijking;
Wirtz heeft op 30 juni de koopprijs ontvangen voor de (door haar doorverkochte en in strijd met het “cash against documents-beding” geleverde) lading, die Wirtz zelf nog niet had betaald. De verrijking die Wirtz aldus ten deel is gevallen, is ten koste gegaan van Schilinsky, die daardoor voorafgaande aan surseance en faillissement een vordering uit ongerechtvaardigde verrijking verkreeg op Wirtz, aangezien aan alle daarvoor geldende voorwaarden is voldaan. het verhaalsrecht van Schilinsky 16. Na aldus het vorderingsrecht van Schilinsky op Wirtz te hebben vastgesteld, komt de tweede hoofdvraag aan de orde, te weten of Schilinsky zich mocht verhalen op de 255 ton soyabeanmealpellets van Wirtz, afkomstig uit de “Gina Iuliano”.
De curator heeft het beroep op vernietiging van de voorwaarden vervolgens niet van een nadere onderbouwing voorzien; in de memorie van antwoord worden slechts de stellingen uit de inleidende dagvaarding herhaald, te weten dat de voorwaarden niet ter hand zijn gesteld en dat de toepasselijkheid ervan niet is overeengekomen (m.v.a. 13 en 44). In aanmerking nemende evenwel dat tussen Schilinsky en Wirtz een regelmatige handelsrelatie bestond, waarbij - naar door Schilinsky is gesteld (c.v.a. 15) en door de curator niet gemotiveerd is weersproken - de toepasselijkheid van de Fenex-voorwaarden in elk geval op facturen en mogelijk ook op andere correspondentie van Schilinsky bij herhaling in de Duitse taal onder de aandacht is gebracht van Wirtz, die tegen die herhaalde toepasselijk verklaring kennelijk nimmer heeft geprotesteerd, moeten deze voorwaarden geacht worden deel te zijn gaan uitmaken van de overeenkomsten tussen partijen.
Het gaat bovendien om voorwaarden die door de hier te lande werkzame expediteurs steevast van toepassing worden verklaard op werkzaamheden als de onderhavige (het in ontvangst nemen en presenteren van documenten), terwijl in Duitsland soortgelijke voorwaarden (de ADSp) worden gebezigd, met daarin eveneens een pandrecht en bevoegdheid tot terughouding voor de expediteur. Wirtz, die regelmatig internationale zendingen kocht en verkocht en daarbij een expediteur inschakelde, wordt geacht bekend te zijn geweest met dit gebruik; het tegendeel is trouwens gesteld noch gebleken. Onder deze omstandigheden behoort te worden uitgegaan van toepasselijkheid van de Fenex-voorwaarden en moet het beroep op vernietiging ervan worden verworpen.
Ten aanzien van de bepalingen uit de voorwaarden waar het hier in het bijzonder om gaat, wordt nog opgemerkt, dat onjuist is de opvatting van de curator dat de vordering tot schadevergoeding waarvoor het verhaal is gezocht niet op artikel 11 van de Fenex-voorwaarden kan worden gegrond. Bedoeld artikel vestigt immers aansprakelijkheid voor schade tengevolge van verkeerde instructies, dan wel schuld of nalatigheid van de opdrachtgever in het algemeen, terwijl artikel 19 voorziet in een pandrecht voor alle (curs. hof) vorderingen die de expediteur ten laste van de opdrachtgever heeft of mocht krijgen, welk pandrecht, net als het retentierecht, ingevolge het tweede lid van laatstgenoemd artikel tevens kan worden uitgeoefend voor vorderingen die, zoals hier, verband houden met vorige opdrachten.
Voor de beperkingen die de curator aanbrengt in de verhaalsbevoegdheid bestaat dan ook geen goede grond.
18 De curator betwist verder dat Schilinsky een rechtsgeldig pandrecht had verkregen op de delivery order en de daardoor vertegenwoordigde zending. De onderbouwing hierbij is als volgt: (i) toen het met de Nederlandse surseance van betaling vergelijkbare Insolvenzeröffnungsverfahren over het vermogen van Wirtz werd geopend en Wirtz daardoor beschikkingsonbevoegd werd, was nog niet aan alle constitutieve elementen voor de vestiging van een pandrecht voldaan; (ii) voor vestiging van een pandrecht op een (met een cognossement op een lijn te stellen) ship’s delivery order is ingevolge art. 3:236, lid 2, BW jo. art. 3:93 BW een overgave van dat document vereist alsmede een endossement, welk endossement hier ontbreekt (vgl. HR 27 januari 1995, NJ 1997, 194 / S&S 1995, 40 “Heliopolis Star”); (iii) aan de levering van de delivery order aan de ontvangstexpediteur ligt geen titel ten grondslag krachtens welke de eigendom van de zaak door levering van dat document op de expediteur is overgegaan. Naar aanleiding van dit verweer wordt het volgende overwogen.
20 Delivery orders kunnen evenals het cognossement op naam, aan order of aan toonder worden gesteld. Of sprake is van een cognossement / delivery order op naam, aan order of aan toonder, is een kwestie van uitleg. In de onderhavige delivery order is de naam van de begunstigde niet ingevuld en is volstaan met de woorden “to order”. Hierin verschilt deze delivery order van het cognossement uit de “Heliopolis Star”, dat was uitgesteld aan de order van een met name genoemde geadresseerde en dat tevens een afzender vermeldde. Door het ontbreken van iedere aanduiding van degene om wiens order het gaat, lijkt sprake van een in blanco uitgesteld document (vgl. art. 182, lid 3, K). Weliswaar is er art. 8:412, lid 2, BW, dat bepaalt dat de enkele woorden “aan order” geacht worden de order van de afzender aan te geven, maar voor zover deze bepaling zich al leent voor overeenkomstige toepassing op een tegen inname van het cognossement afgegeven delivery order, geldt dat er in dit geval kennelijk voor gekozen is om ook de naam van de afzender weg te laten.
De rol van de afzender was hier bovendien uitgespeeld en voor het introduceren van een fictieve afzender met betrekking tot de delivery order in de persoon van de inleverende cognossementhouder bestaat geen goede grond. Dergelijke - op verlangen van de afzender of begunstigde - in blanco uitgestelde documenten worden in de praktijk behandeld als toonderstukken, net zoals de ordercognossementen die wel een afzender noemen of een met name genoemde begunstigde aanwijzen en die vervolgens worden voorzien van een endossement in blanco . In de onderhavige zaak lijkt overeenkomstig deze praktijk te zijn gehandeld. Tegen inlevering door Schilinsky op eigen naam van de door haar van de verkoper ontvangen delivery order, die evenmin een begunstigde vermeldde, heeft de vervoerder Schilinsky de sub-delivery orders verstrekt.
Tegen presentatie op eigen naam door Schilinsky van die sub-delivery order is de lading uitgeleverd. Uitgaande van een toonderdocument was Schilinsky op basis van dit stuk gelegitimeerd. Ook had zij het document op rechtmatige wijze onder zich. Er was inderdaad geen titel voor eigendomsoverdracht van de lading aan haar, maar wel had zij door toepasselijk verklaring van de Fenex-voorwaarden tevoren een pandrecht bedongen op het door haar voor Wirtz gehouden document en de onderliggende lading. Dat pandrecht was vóór de surseance verkregen en de vordering waarvoor het is ingeroepen was ook vóór de surseance ontstaan.
De beslissing Het hof, alvorens verder te beslissen:
Dit arrest is gewezen door mrs. J.M. van der Klooster, M.Y. Bonneur en A.G. Beets en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 januari 2009 in aanwezigheid van de griffier.