GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE Familiesector Uitspraak : 04 maart 2009 Zaaknummer : 105.012.193/01 Rekestnr. rechtbank : FA RK 05/2462 [appellant], wonende te [woonplaats], verzoekster, tevens incidenteel verweerster, in hoger beroep, hierna te noemen: de vrouw, advocaat mr. A.M. van de Lest-van Berkel, tegen [geïntimeerde], wonende te [woonplaats], verweerder, tevens incidenteel verzoeker, in hoger beroep, hierna te noemen: de man, advocaat mr. A.C.M. Verhoeven. PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP De vrouw is op 13 november 2007 in hoger beroep gekomen van de beschikkingen van 19 december 2006 en 14 augustus 2007 van de rechtbank ‘s-Gravenhage. De man heeft op 28 december 2007 een verweerschrift, tevens houdende incidenteel appel ingediend. De vrouw heeft op 22 januari 2008 een verweerschrift op het incidenteel appel ingediend. Van de zijde van de vrouw zijn bij het hof op 20 november 2007, 27 november 2007 en 25 november 2008 aanvullende stukken ingekomen. Van de zijde van de man zijn bij het hof op 27 november 2008 aanvullende stukken ingekomen. Op 5 december 2008 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de vrouw, bijgestaan door haar advocaat, en de man, bijgestaan door zijn advocaat. Partijen hebben het woord gevoerd, de raadslieden van partijen onder meer aan de hand van de bij de stukken gevoegde pleitnotities. HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikkingen. In de bestreden beschikking van 14 augustus 2007 is, voor zover in hoger beroep van belang, bepaald dat de man aan de vrouw ter zake van verrekening dient te voldoen: - € 9.075,60 in het kader van de verrekening van tijdens het huwelijk gedane aflossingen op de hypothecaire geldlening; - een bedrag ter hoogte van de helft van het door Nationale Nederlanden ingevolge polis [polisnummer] uit te keren bedrag inclusief de winstdeling – welk bedrag door de man is becijferd op € 9.277,53 – in het kader van de verrekening van de waarde van deze polis; - € 4.505,- in het kader van de verrekening van de waarde van de voertuigen. Voorts is een onderzoek door een deskundige bevolen. Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht. De echtscheidingsbeschikking is op 6 januari 2007 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. BEOORDELING VAN HET PRINCIPALE HOGER BEROEP Algemeen 1. In geschil zijn de verrekening van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden, de pensioenverevening en de benoeming van een deskundige door de rechtbank. 2. De vrouw verzoekt de bestreden beschikkingen te vernietigen voor wat betreft de onder punt 2 in de bestreden beschikking van 14 augustus 2007 genomen beslissing en, voor zover nodig uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat de man aan de vrouw ter zake van de verrekening nog minimaal € 446.092,-, exclusief de verrekening uit hoofde van de ondernemingswinsten en aandelen, pensioenverevening en verrekening beleggingsportefeuille, dient te voldoen, althans een door het hof in goede justitie te bepalen bedrag. 3. De man bestrijdt haar beroep en verzoekt incidenteel de bestreden beschikking te vernietigen voor wat betreft de benoeming van een deskundige. De vrouw verzet zich daartegen. 4. Gelet op het feit dat het hoger beroep slechts een deel betreft van de geschillen tussen partijen en dat terugverwijzing – zo daar toe aanleiding is – vertragend zal werken en aan doelmatigheid afbreuk doet, zal het hof met (analogische) toepassing van artikel 356 Rv de zaak aan zich houden om op de hoofdzaak te beslissen. De huwelijkse voorwaarden en de uitvoering van het verrekenbeding 4. Inleiding. Met de grieven I en Ia richt de vrouw zich tegen de bestreden beschikkingen voor zover daarin wordt beslist op het verzoek tot verrekening op grond van de tussen partijen gesloten huwelijkse voorwaarden. 5. Artikel 1 van de akte van huwelijkse voorwaarden luidt: Er zal tussen de echtgenoten geen gemeenschap van goederen, hoe ook genaamd bestaan, zijnde met name ook uitgesloten de gemeenschap van winst en verlies en van vruchten en inkomsten. Bijgevolg behoudt ieder der echtgenoten wat hij ten huwelijk aanbrengt en staande huwelijk door erfenis, making, schenking, geluk , toeval of op welke andere wijze ook verkrijgt en al hetgeen door wederbelegging daarvoor in de plaats komt, hetzij roerend of onroerend. Alhoewel de akte van huwelijkse voorwaarden in 1980 gepasseerd is, vindt het laatste gedeelte van de eerste zin kennelijk zijn grond in het per 1 januari 1970 afgeschafte artikel 199 Burgerlijk Wetboek (oud), zodat het, gelet op het ten tijde van het verlijden van de akte niet meer vigerende artikel, bij de uitleg van de huwelijkse voorwaarden geen rol meer speelt, nu met het opnemen van dat onderdeel slechts werd bereikt dat tussen partijen geen goederenrechtelijke gemeenschap van goederen ontstond. Voorts zijn partijen in artikel 4 van de huwelijkse voorwaarden overeengekomen om hetgeen ‘van de jaarlijkse inkomsten der echtgenoten zal resteren nadat daaruit de in artikel 2 bedoelde kosten alsmede alle overige lasten en belastingen zijn voldaan’ tussen de echtgenoten gelijkelijk te verdelen. Een dergelijk beding houdt in een verplichting tot verrekening van inkomen. Op grond van het per 1 september 2002 met onmiddellijke werking van kracht zijnde artikel 1:132 lid 1 BW worden de vermogensrechtelijke verhoudingen tussen partijen mede geregeerd door titel 8 afdeling 2 van Boek 1, voor zover daarvan bij de huwelijkse voorwaarden niet is afgeweken. Gelet op de in artikel 5 van de huwelijkse voorwaarden voorgeschreven wijze van verrekening gaat het hof er van uit dat het hier om een periodieke, te weten jaarlijkse verrekening gaat. Vaststaat tussen partijen dat deze jaarlijkse verrekening nimmer heeft plaatsgevonden. In dat geval wordt – bij gebreke van een afwijkende overeenkomst – de verrekening beheerst door artikel 1:141 BW. Voorts dient op grond van het bepaalde in artikel 1:136 lid 2 BW een goed waarover de echtgenoten een geschil hebben omtrent de vraag of dat goed tot het te verrekenen vermogen wordt gerekend en geen van beiden kan bewijzen dat het goed niet tot het te verrekenen vermogen wordt gerekend, in de verrekening te worden betrokken. 6. De vraag die vervolgens dient te worden beantwoord is of de – naar het hof begrijpt – de aandelen en de niet uitgekeerde ondernemingswinsten, de echtelijke woning en de – naar het hof eveneens begrijpt – waardevermeerdering door de verbouwing van die echtelijke woning in de verrekening dienen te worden betrokken. 7. Gelet op het verschil van opvatting omtrent de uitleg van de huwelijkse voorwaarden, zal het hof – zoals terecht ook door de rechtbank is gedaan – deze uitleggen aan de hand van het zogeheten Haviltexcriterium (zie HR 13 maart 1981, 1981, 635, m.nt. C.J.H. Brunner, zoals daarna vele malen herhaald), dat er op neer komt dat de vraag hoe in een schriftelijke overeenkomst de verhouding van partijen is geregeld en of deze overeenkomst een leemte laat die moet worden aangevuld, niet kan worden beantwoord op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van dat contract. Voor de beantwoording van die vraag komt het immers aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. 10. De aandelen en de daarop niet uitgekeerde winsten. Bij de aandelen gaat het om de aandelen van de man in de Beheermaatschappij [X] B.V., waarbij tussen partijen vaststaat dat de man sedert 1973 enig aandeelhouder is. Daarmee is de man in overwegende mate bij machte te bepalen dat de winsten van die niet op zijn naam uitgeoefende onderneming hem rechtstreeks of middellijk ten goede komen, nu niet is gesteld of gebleken dat zulks anders zou zijn. 11. Door de vrouw is in dit verband aangevoerd dat het haar door zowel de instrumenterende notaris als haar man duidelijk is gemaakt dat de huwelijkse voorwaarden zijn gemaakt ‘puur uit risicomijdend gedrag zodat de ondernemingsrisico’s buiten het huwelijk gehouden konden worden en de huwelijkse voorwaarden daardoor slechts een externe beschermingsfunctie van het echtpaar’ hadden. In ieder geval was het volgens de vrouw niet de bedoeling ‘om de winsten voor zover deze werden “opgepot” of aan het bedrijfsvermogen mogen worden toegevoegd, buiten het vermogen van partijen te houden’. 12. Ter zitting heeft de man verklaard zich niet te kunnen herinneren wat destijds bij de notaris is besproken. Het was in ieder geval de bedoeling van de man om hetgeen hij voor het huwelijks reeds bezat, zeker te stellen. 13. Naar het oordeel van het hof blijkt uit hetgeen de vrouw heeft aangevoerd – mede gelet op de stellingen van de man – niet dat het bedoeling van partijen is geweest de aandelen onder de verrekening op grond van artikel 4 van de huwelijkse voorwaarden te begrijpen. Immers het ging om ten tijde van het aangaan van de huwelijkse voorwaarden aanwezig vermogen en niet om inkomen. 14. Dat is anders ten aanzien van de niet uitgekeerde ondernemingswinsten. In artikel 4 van de huwelijkse voorwaarden gaat het om ‘inkomen’. Niet blijkt dat partijen daarmee het begrip inkomen hebben willen beperken tot inkomsten uit arbeid, althans andere inkomsten dan die uit arbeid hebben willen uitsluiten, zoals de man stelt ten verwere. Het beroep van de man op artikel 1 gelezen in samenhang met artikel 4 van de huwelijkse voorwaarden leidt niet een andere gevolgtrekking, nu artikel 1 slechts de goederenrechtelijke verhoudingen tussen partijen beoogt te regelen. Gelet op het vorenstaande dienen de niet uitgekeerde ondernemingswinsten in de beheersmaatschappij in aanmerking te worden genomen, voor zover in het maatschappelijk verkeer als redelijk beschouwd, bij de verrekenplicht van de man. 15. Met inachtneming van het vorenstaande slagen de grieven I en Ia. 16. De omvang van de niet-uitgekeerde ondernemingswinsten, welke voor verrekening in aanmerking komen zal in onderling overleg tussen partijen kunnen worden vastgesteld. Bij gebreke van deze vaststelling door partijen zal het hof een of meer deskundigen benoemen overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 194 en volgende van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. 17. De aflossingen op de hypothecaire lening verbonden met de echtelijke woning. Tussen partijen staat vast dat de man de voormalige echtelijke woning in eigendom heeft verkregen in 1975, derhalve voordat partijen met elkander zijn gehuwd en dat hij voor de verwerving daarvan een hypothecaire lening heeft afgesloten. De man stelt tijdens het huwelijk niet of nauwelijks op de lening te hebben afgelost. De vrouw verzoekt op grond van de verrichte aflossingen en onder verwijzing naar artikel 1:136 lid en het arrest HR 6 december 2002, NJ 2005, 125 ook de woning te betrekken in de verrekening. 18. Naar luid van artikel 1:133 lid 2, eerste zin, BW heeft de verplichting tot verrekening uitsluitend betrekking op inkomsten die of op vermogen dat de echtgenoten tijdens het bestaan van deze verplichting hebben verkregen. Dat betekent dat slechts die inkomsten die en het vermogen dat tijdens het bestaan van de verrekenplicht zijn verkregen dienen te worden verrekend. Dat de woning is gefinancierd door middel van een hypothecaire lening waarop gedurende het tijdvak dat de verplichting tot verrekening bestond met overgespaard inkomen is afgelost, maakt zulks niet anders; vgl. HR 2 maart 2001, NJ 2001, 583 (Slot/Ceelen). In een geval als thans aan de orde dient een nominale vergoedingsvordering ten bedrage van de aflossingen door de man verricht tijdens het tijdvak waarover verrekend moet worden, bij de uitvoering van het verrekenbeding in aanmerking te worden genomen. 19. Tegen de berekening van het te verrekenen bedrag – te weten € 18.151,21 – door de rechtbank is geen grief gericht, zodat de bestreden beschikkingen op dit onderdeel dienen te worden bekrachtigd, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen. 20. De waardevermeerdering door de verbouwing van die echtelijke woning. De vrouw heeft gesteld – kort gezegd – dat in de voormalige echtelijke woning aanzienlijk is geïnvesteerd. Zo is in 1994 de woning voorzien van een (gedeeltelijk) nieuwe kap en in 1999 van een (gedeeltelijk) nieuw pannendak, inclusief isolatie en dakbedekking. Nadien is om de woning een nieuw terras en een oprit aangelegd, gevolgd door in 2002/2003 een elektronische hekwerkbeveiliging. De ramen zijn op maat gemaakt, inclusief de zonwering. De door de vrouw genoemde investering worden door haar geschat op € 40.000,--. De man heeft die werkzaamheden niet bestreden, doch aangevoerd dat de daaraan bestede uitgaven als ‘regulier onderhoud’ dienen te worden beschouwd. De advocaat van de man heeft blijkens het proces-verbaal in eerste aanleg van 22 augustus 2006 verklaard dat de kosten van het onderhoud zijn voldaan uit ’s mans inkomen. De vraag moet derhalve beantwoord worden of de kosten van deze investeringen beschouwd moeten worden als kosten die op grond van artikel 4 van de huwelijkse voorwaarden op de ‘jaarlijkse inkomsten’ in mindering moeten gebracht. Uitgangspunt voor het begrip ‘kosten van de huishouding’ is het ‘gemeenschappelijk belang’ (Parl. Gesch. I, p. 242) van (het gezin van) partijen ten tijde van de uitgaven. Daaronder vallen in elk geval de noodzakelijke uitgaven voor wonen. Naar het oordeel van het hof zijn deze kosten noodzakelijk als het achterwege laten er van tot gevolg zou hebben dat het ‘gemeenschappelijk belang’ – in dit geval het wonen van het gezin in de voormalige echtelijke woning – niet, althans niet op (nagenoeg) gelijke wijze meer mogelijk zou zijn, als voorheen. In zoverre beschouwt het hof deze kosten hiervoor genoemd ten dele als ‘kosten van de huishouding’, zodat deze in aanmerking komen om in mindering gebracht te worden op de inkomsten van partijen alvorens de in artikel 4 van de huwelijkse voorwaarden verrekening dient plaats te vinden. Uit hetgeen door partijen is aangevoerd is niet met voldoende precisie vast te stellen of van zodanige noodzakelijkheid hier sprake is en zo ja, tot welk bedrag. Gelet op de algemene ervaringsregels met betrekking tot woningen – in het bijzonder waar het hier gaat om een vrijstaande woning met een tuin – gaat het hof er van uit dat jaarlijks enig onderhoud noodzakelijk is teneinde de woning op (nagenoeg) gelijke wijze bewoonbaar te houden. Nu de vrouw de totale kosten van onderhoud en verbetering heeft geschat op € 40.000,-- welke schatting door de man niet is weersproken, en geen van partijen heeft aangegeven voor welk gedeelte die kosten ‘noodzakelijk’ waren en voor welk deel niet, zal het hof in goede justitie deze bepalen op de helft ‘noodzakelijk’ en voor de resterende helft als niet-noodzakelijk. Het hof zal er daarbij van uitgaan dat nu de vrouw als eerste tijdstip van investering heeft genoemd 1999, dat die investeringen hebben plaatsgevonden tussen medio 1999 en 29 april 2005. 21. De onderscheiden waarden van de woning per medio 1999 en per 29 april 2005 zijn niet bekend. Deze zullen in onderling overleg tussen partijen kunnen worden vastgesteld. Bij gebreke van deze vaststelling door partijen zal het hof een of meer deskundigen benoemen overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 194 en volgende van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. 22. Met inachtneming van het vorenstaande slaagt grief II ten dele. 23. Conclusie. Op grond van dit een en ander dient bij de verrekening er van te worden uitgegaan dat het te verrekenen vermogen ook omvat (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.