GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE Sector handel Zaaknummers : 200.010.907/01; 200.012.812/01 Rekestnummer rechtbank : RK 07/2042 beschikkingen van de eerste civiele kamer d.d. 17 maart 2009 in de zaak met nummer 200.010.907/01 van de GEMEENTE LEERDAM, zetelende te Leerdam, appellante, hierna: de Gemeente, advocaat: mr. E. Grabandt te ’s-Gravenhage, tegen: [X], wonende te Oosterwijk, gemeente Leerdam, en 2. AANNEMERSBEDRIJF [Y] B.V., gevestigd en kantoorhoudend te Hardinxveld-Giessendam, verweersters, hierna te noemen: ieder voor zich van [X] en [Y] en tezamen [X en Y], advocaat: mr. J.A.M.A. Sluysmans te ’s-Gravenhage en in de zaak met nummer 200.012.812/01 van 1. [X], wonende te Oosterwijk, gemeente Leerdam, en 2. AANNEMERSBEDRIJF [Y] B.V., gevestigd en kantoorhoudend te Hardinxveld-Giessendam, appellanten, hierna te noemen: ieder voor zich [X] en [Y] en tezamen [X en Y], advocaat: mr. J.A.M.A. Sluysmans te ’s-Gravenhage, tegen de GEMEENTE LEERDAM, zetelende te Leerdam, verweerster, hierna: de Gemeente advocaat: mr. E. Grabandt te ’s-Gravenhage. Het geding In de zaak 200.010.907/01 is de Gemeente bij beroepschrift met producties van 29 juli 2008, ter griffie binnengekomen op 30 juli 2008, in hoger beroep gekomen van de beschikking van 7 mei 2008, door de rechtbank te Dordrecht gegeven tussen partijen. Zij heeft haar bezwaar tegen die beschikking in drie grieven samengevat. [X en Y] hebben tegen dat appel geen verweerschrift ingediend. In de zaak 200.012.812/01 zijn [X en Y] bij beroepschrift van augustus 2008, ter griffie binnengekomen op 6 augustus 2008, in hoger beroep gekomen van dezelfde beschikking van 7 mei van de rechtbank te Dordrecht tussen partijen en wel onder aanvoering van vier grieven. De Gemeente heeft die grieven bij verweerschrift (genoemd verweerschrift in het incidenteel hoger beroep), met één productie, bestreden. Op 2 februari 2009 heeft de mondelinge behandeling in beide zaken plaatsgevonden. Daarbij is na instemming van beide partijen vastgesteld dat de stellingen en weren in elk der zaken ook gelden voor de andere zaak. Partijen hebben hun standpunten voor dit hof doen bepleiten, de Gemeente door mrs. J. de Roos en H. Zeilmaker, advocaten te Nijmegen en [X en Y] door mr. R.J. Lucassen, advocaat te Utrecht, allen aan de hand van aan in de procesdossiers gevoegde pleitnotities. Tenslotte hebben partijen uitspraak gevraagd. Het hof zal thans in beide appellen uitspraak doen. Beoordeling van de hoger beroepen in beide zaken feiten; samenvatting geschil 1.1 De gemeenteraad van de Gemeente heeft bij besluit van 7 oktober 2004 op basis van artikel 8 van de WVG het perceel kadastraal bekend Gemeente Leerdam, sectie […] (hierna: het perceel) aangewezen waarop de artikelen 10 tot en met 24, 26 en 27 van de WVG van toepassing zijn. Dat besluit is op 15 februari 2007 herhaald. Het voorkeursrecht is daarbij weer gevestigd voor een periode van twee jaar. Volgens de registers van het kadaster te Rotterdam is [X] eigenares van het perceel. 1.2 Bij kadastraal onderzoek is door de Gemeente ontdekt dat [X] bij notariële akte van 29 oktober 2004 aan [Y], een aannemersbedrijf, hypotheek op het perceel heeft verleend tot een bedrag van € 2 miljoen, te vermeerderen met rente en kosten, begroot op nog eens € 700.000,--. De Gemeente heeft daarna bij brief van 5 maart 2007 aan [X] om toezending gevraagd van een afschrift van de aan de hypotheekverlening ten grondslag liggende overeenkomst. [X] heeft daarop geantwoord dat zij haar onderhandelingspositie aan [Y] had overgedaan. [X], noch [Y], aan wie de Gemeente (opnieuw) om toezending van de aan de hypotheek ten grondslag liggende overeenkomst had verzocht, heeft (een afschrift van) van zo’n overeenkomst aan de Gemeente gestuurd. 1.3 De Gemeente heeft daarop bij verzoekschrift van 30 mei 2007 aan de rechtbank te Dordrecht gevraagd [X en Y] te bevelen de rechtshandelingen die aan de hypotheekverlening ten grondslag liggen aan haar en aan de rechtbank over te leggen en om die rechtshandelingen nietig te verklaren, zowel wanneer [X en Y] niet aan het bevel tot overlegging voldoen, als wanneer uit de overgelegde stukken blijkt dat die rechtshandelingen op zichzelf dan wel in samenhang met de hypotheekverlening de kennelijke strekking hebben aan het voorkeursrecht van de Gemeente afbreuk te doen. 1.4 De rechtbank heeft, nadat [X en Y] bij brief van 25 september 2007 aan de rechtbank hadden medegedeeld dat zij zich ten aanzien van het verzoek van de Gemeente aan het oordeel van de rechtbank refereerden, bij tussenbeschikking van 19 december 2007 aan [X en Y] bevolen om bescheiden die op de hypotheekverlening betrekking hebben over te leggen, dan wel, als die bescheiden niet zouden bestaan, schriftelijk toe te lichten welke afspraken aan de hypotheekverlening ten grondslag liggen. [X en Y] hebben niet aan dat bevel voldaan. Bij de bestreden eindbeschikking heeft de rechtbank de Gemeente in haar verzoek ontvankelijk verklaard en de hypotheekovereenkomst ten aanzien van het perceel nietig verklaard. 1.5 De Gemeente komt in haar appel ertegen op, samengevat, dat de rechtbank alleen de hypotheekovereenkomst heeft nietig verklaard en niet ook de onderliggende rechtshandeling die, naar de rechtbank had behoren aan te nemen, overdracht van de economische eigendom aan [Y] inhoudt, en de grieven van [X en Y] houden in dat de Gemeente wegens termijnoverschrijding in haar verzoek niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard en dat de hypotheekovereenkomst ten onrechte is nietig verklaard. ontvankelijkheid [X en Y] in het hoger beroep, eerste verweer Gemeente 2. De Gemeente heeft aangevoerd dat [X en Y] in hun hoger beroep niet ontvankelijk zijn, omdat zij zich in eerste instantie aan het oordeel van de rechtbank hebben gerefereerd. Het hof begrijpt die stelling aldus, dat de Gemeente betoogt dat de in hoger beroep gevoerde verweren van [X en Y] zijn gedekt. Het hof volgt de Gemeente daarin niet, omdat uit de desbetreffende brief van [X en Y] van 25 september 2007 aan de rechtbank, in samenhang met hun verdere proceshouding, niet ondubbelzinnig volgt dat zij (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.