GERECHTSHOF ‘s-GRAVENHAGE Sector handel Zaaknummer : 105.005.004/01 Rolnummer (oud) : 06/792 Rolnummer Rechtbank : 54066 HA ZA 04-2319 arrest van de vijfde civiele kamer d.d. 28 april 2009 inzake 1. de vennootschap onder firma DEPLAKON v.o.f., 2. [appellant sub 2], 3. [appellant sub 3], gevestigd, respectievelijk wonende te [plaats], appellanten, hierna te noemen: Deplakon, respectievelijk [appellant sub 2 + 3], en tezamen: Deplakon c.s., advocaat: mr. H.J.A. Knijff te Amsterdam, tegen NOVA ENGINEERING B.V., gevestigd te Sliedrecht, geïntimeerde, hierna te noemen: NOVA, advocaat: mr. L.A.I. Broekhoven te Middelburg. Verloop van het geding Bij exploot van 28 april 2006 zijn Deplakon c.s. in hoger beroep gekomen van het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Dordrecht van 1 februari 2006. Bij memorie van grieven hebben Deplakon c.s. vier grieven tegen het vonnis waarvan beroep aangevoerd, welke door NOVA bij memorie van antwoord zijn bestreden. Op 10 januari 2008 hebben partijen de zaak doen bepleiten, Deplakon c.s. door mr. M.E. van Waart, advocaat te Bussum en NOVA door mr. M.J. Wolf, advocaat te Middelburg, beiden aan de hand van pleitnotities die aan het procesdossier zijn toegevoegd. Daarbij zijn namens Deplakon c.s. producties overgelegd. Op verzoek van partijen is de zaak aangehouden om hen gelegenheid te geven de mogelijkheden van een minnelijke regeling te onderzoeken. Vervolgens hebben partijen arrest gevraagd. Beoordeling van het beroep 1. De door de rechtbank in r.o. 5.1 tot en met 5.11 van het bestreden vonnis vastgestelde feiten zijn, met uitzondering van die, vermeld in r.o. 5.4 tot en met 5.6, niet weersproken, zodat ook het hof in zoverre van die feiten uitgaat. 2. Het gaat in dit hoger beroep om de vraag of NOVA jegens Deplakon c.s. schadeplichtig is wegens een tekortkoming in de op haar rustende verbintenis tot het tekenen en uitdetailleren van de leuningen voor twee trappenhuizen in het nieuwbouwkantoor van de firma Plegt-de Vos te Oldenzaal (de vordering van Deplakon), alsmede om de vraag welk bedrag Deplakon c.s. uit hoofde van die verbintenis verschuldigd zijn aan NOVA (de vordering van NOVA). De vordering van Deplakon is door de rechtbank afgewezen op de grond dat Deplakon c.s. de gestelde tekortkoming onvoldoende feitelijk hebben onderbouwd. De vordering van NOVA is tot een bedrag van € 1.669,62 toegewezen. 3. Het hof dient ambtshalve te toetsen of appellanten ontvankelijk zijn in hun hoger beroep. De vordering in conventie is uitsluitend ingesteld door Deplakon. Deze vordering is bij vonnis van 3 maart 2004 bij verstek toegewezen. In verzet heeft NOVA naast Deplakon ook [appellant sub 2 + 3] als haar vennoten gedagvaard. Zij heeft daarbij een vordering in reconventie ingesteld. In haar vonnis van 21 juli 2004, in een door NOVA opgeworpen bevoegdheidsincident, heeft de rechtbank overwogen dat NOVA niet ontvankelijk is in haar oppositie voor zover gericht tegen [appellant sub 2 + 3] De vordering in reconventie heeft zij wat betreft [appellant sub 2 + 3] aangemerkt als een nieuwe vordering in conventie van NOVA jegens [appellant sub 2 + 3] De eerste drie grieven hebben betrekking op de vordering van Deplakon. Zoals uit het voorgaande volgt, is die vordering niet mede namens [appellant sub 2 + 3] ingesteld. Gelet hierop zijn [appellant sub 2 + 3] niet ontvankelijk in hun hoger beroep voor zover het de grieven I tot en met III betreft. 4. In eerste aanleg heeft NOVA als verweer gevoerd dat de vordering van Deplakon reeds moet worden afgewezen omdat zij daarbij geen belang heeft, gelet op het feit dat de vennootschap volgens Deplakon c.s. met ingang van 22 maart 2004 is opgeheven. Niet is gebleken dat NOVA dit verweer heeft prijsgegeven, zodat het hof dit dient te behandelen. Het verweer kan niet slagen. Ingevolge het bepaalde in artikel 2:19 lid 5 BW blijft een rechtspersoon na zijn ontbinding voortbestaan voor zover dit tot vereffening van zijn vermogen noodzakelijk is. 5. NOVA heeft bezwaar gemaakt tegen de door Deplakon c.s. ter gelegenheid van het pleidooi overgelegde producties. Zij meent dat Deplakon c.s. in strijd met de goede procesorde handelt door de betreffende stukken in een zo laat stadium van de procedure over te leggen. NOVA stelt voorts dat zij zich terzake van die stukken onvoldoende heeft kunnen voorbereiden. Deplakon c.s. hebben de volgende stukken overgelegd: bij brief, bij het hof ingekomen op 18 december 2007: stukken met betrekking tot de aan Deplakon verleende surséance van betaling, een overzicht uit de administratie van Deplakon met betrekking tot NOVA, bewijzen van betalingen aan NOVA en een verklaring met begeleidende brief van 11 december 2007 van Ingenieursbureau Aafjes B.V; bij brief, ingekomen op 28 december 2007: stukken betreffende het akkoord in de surséance van betaling van Deplakon en een bewijs van betaling; bij brief, ingekomen op 3 januari 2008: de in eerste aanleg bij conclusie na comparitie door Deplakon c.s. overgelegde werkbriefjes. NOVA heeft met name bezwaar tegen de overlegging van de brief van Ingenieursbureau Aafjes. Het hof gaat aan het bezwaar voorbij. In artikel 5.2 van het ten deze nog toepasselijke Rolreglement voor het procederen in civiele zaken, zoals dat gold tot 1 september 2008, is bepaald dat nieuwe stukken bij pleidooi uiterlijk op de vierde werkdag voor het pleidooi aan het hof en de wederpartij dienen te worden overgelegd. De stukken zijn derhalve tijdig ingediend. Wat betreft de bij brieven van 17 en 27 december 2007 toegezonden stukken geldt dat zij van beperkte omvang zijn. NOVA heeft zich bij pleidooi voldoende tegen de inhoud daarvan kunnen verweren. De bij brief van 3 januari 2008 overgelegde stukken waren reeds in eerste aanleg overgelegd. Er is dus ook geen reden de stukken wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing te laten. 6. In de grieven I en II maakt Deplakon bezwaar tegen de weergave van de vaststaande feiten, respectievelijk de samenvatting van de grondslag van de vordering van Deplakon door de rechtbank. Het hof zal de bezwaren, voor zover relevant, meenemen in de beoordeling van de derde grief, waarin de toewijsbaarheid van de vordering aan de orde wordt gesteld. 7. Deplakon baseert haar vordering kort gezegd op door NOVA in haar tekeningen gemaakte fouten, die zij in haar memorie van grieven nader specificeert. Zij baseert zich daarbij op een bij de brief van [X] namens Ingenieursbureau Aafjes B.V. gevoegd rapport van [Y] (productie 3 bij pleidooi). Deplakon verwijst ter onderbouwing van haar stelling bovendien naar een aantal brieven van NOVA, waarin zij een erkenning van gemaakte fouten leest. Deplakon biedt aan haar stellingen te bewijzen. 8. Het hof is van oordeel dat Deplakon de gestelde tekortkomingen in de tekeningen in elk geval in hoger beroep voldoende heeft geconcretiseerd, zodat zij aan haar stelplicht dienaangaande heeft voldaan. Voor zover NOVA betoogt dat Deplakon daarmee te laat is, faalt dat verweer. Het hoger beroep dient immers mede tot herstel van gemaakte fouten. Grief III slaagt in zoverre. Thans dient de toewijsbaarheid van de vordering te worden beoordeeld. 9. NOVA voert, mede gelet op hetgeen zij in eerste aanleg naar voren heeft gebracht, de volgende verweren aan: a. Deplakon heeft de tekeningen goedgekeurd; om deze reden staat het haar niet vrij te stellen dat de tekeningen niet goed waren; b. NOVA is niet deugdelijk in gebreke gesteld; c. er is sprake geweest van ondeugdelijke montage, waarvoor zij niet verantwoordelijk is; d. de gestelde schade is niet aangetoond, noch de toerekenbaarheid daarvan aan de gestelde tekortkoming zijdens NOVA; e. de schadevergoeding dient op grond van artikel 6:109 BW te worden gematigd, nu deze de aanneemsom vele malen overtreft; f. NOVA dient hooguit 12% van de schade te vergoeden, nu Deplakon uit hoofde van het in de surséance van betaling gesloten akkoord zelf niet meer dan 12% aan haar concurrente crediteuren heeft hoven betalen. Bij pleidooi in hoger beroep heeft NOVA voorts nog aangevoerd dat, nu Deplakon zelf algemene voorwaarden hanteert, waarin zij haar aansprakelijkheid beperkt, het onredelijk is de schade geheel voor rekening van NOVA te laten. Ook heeft zij de mogelijkheid opgeworpen dat Deplakon verzekerd is voor de schade. 10. Nu gegrond bevinding van de verweren genoemd onder a. en b. tot afwijzing van de vordering zou moeten leiden, zal het hof deze eerst bespreken. 11. In het kader van het onder a. weergegeven verweer stelt NOVA het volgende. De in opdracht van Deplakon gemaakte tekeningen waren op 8 november 2000 klaar en zijn op die datum aan Deplakon toegezonden. Deplakon ging echter niet akkoord met de tekeningen. NOVA heeft de tekeningen aangepast en opnieuw aan Deplakon aangeboden, ter goedkeuring. Deplakon heeft de tekeningen op 15 december 2000 goedgekeurd. Daarmee was het werk opgeleverd. In de als productie 4 bij de verzetdagvaarding overgelegde brief van NOVA aan Deplakon, waarnaar NOVA verwijst, is het volgende vermeld: “Hierbij zenden wij u in drievoud de hier gespecificeerde tekeningen Gecorrigeerd terug v Ter goedkeuring Te uwer bediening (….) Akkoord opdrachtgever: Deplakon Paraaf: (…) Datum 15-12-2000” 12. Deplakon stelt dat de goedkeuring, die zij heeft gegeven na de tekeningen aan haar opdrachtgever te hebben getoond, niet zag op de technische kwaliteiten van de tekening, maar op de uiterlijke kenmerken. Deplakon wijst erop dat, indien zij de kennis in huis had gehad om de technische kwaliteiten van de tekeningen te beoordelen, zij de tekeningen zelf had kunnen maken. Deplakon wijst er voorts op dat zij niet betrokken is geweest bij de totstandkoming van de tekeningen, noch bij het opnemen van de maten. 13. Het hof is van oordeel dat NOVA de ondertekening van de “ter goedkeuring” aan Deplakon toegezonden tekeningen niet aldus mocht begrijpen dat Deplakon daarmee haar recht om zich op een tekortkoming in de tekeningen te beroepen prijsgaf. In dit verband neemt het hof in aanmerking:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.