zaaknummer 105.007.329/01 23 juni 2009 GERECHTSHOF TE ‘s-GRAVENHAGE VIERDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER ARREST in de zaak van: [APPELLANT], wonende te Den Haag, APPELLANT, vertegenwoordigd door mr. H.J.M. Boukema, advocaat te Den Haag, t e g e n 1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid MEMORY PRODUCTIONS PUBLICATIONS B.V., gevestigd te Amsterdam, 2. [GEÏNTIMEERDE 2], wonende te Rotterdam, GEÏNTIMEERDEN, vertegenwoordigd door P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt, advocaat te Amsterdam. 1. Het verder geding in hoger beroep De partijen worden hierna [appellant] en Memory Productions cs genoemd. De geïntimeerden worden afzonderlijk ook Memory Productions en [geïntimeerde 2] genoemd. Bij arrest van 2 september 2008 heeft het hof op vordering van [appellant] deze zaak gevoegd met de onder zaaknummer 200.005.770/01 bij dit hof aanhangige zaak tussen de partijen [betrokkene] (hierna genoemd) en [appellant]. Voor het verloop van de procedure tot de datum van voormeld arrest verwijst het hof naar dat arrest. Memory Productions cs hebben vervolgens bij memorie geantwoord, de grieven bestreden, be¬schei¬den in het geding gebracht en geconcludeerd, dat het hof het vonnis waarvan beroep (het vonnis van 14 december 2005) zal bekrachtigen en [appellant] zal veroordelen in de kosten - naar het hof begrijpt - gevallen op het hoger beroep. Partijen hebben de zaak op 25 maart 2009 - aan de hand van aan het hof overgelegde pleitnotities - doen bepleiten, [appellant] door zijn voormelde advocaat en Memory Productions cs door mr. M.Ch. Kaaks. Memory Productions cs hebben bij die gelegenheid nog een productie (een daags tevoren door de voorzieningenrechter te Rotterdam uitgesproken kort-gedingvonnis) overgelegd. Ten slotte hebben partijen arrest gevraagd. 2. Feiten De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.4 een aantal feiten vastgesteld. Daaromtrent bestaat tussen partijen geen geschil zodat ook het hof van die feiten zal uitgaan. 3. Beoordeling 3.1 Mr. [betrokkene], verder [betrokkene], is advocaat te Rotterdam. Hij is in de jaren negentig van de vorige eeuw in diverse zaken als advocaat opgetreden van Chipshol Forward N.V. (hierna: Chipshol), onder meer in een door Chipshol aanhangig gemaakte procedure tegen de voormalige accountant van Chipshol, het toenmalige Coopers & Lybrand. [Geïntimeerde 2], die journalist is, heeft een boek geschreven onder de titel “Topadvocatuur; In de keuken van de civiele rechtspraktijk". Memory Productions heeft het boek in 2004 uitgegeven. Het boek bevat een weergave van gesprekken van [geïntimeerde 2] met negen advocaten, waaronder een gesprek met [betrokkene] in 2001. Het hoofdstuk dat handelt over [betrokkene]’s ervaringen als advocaat in de Chipshol-zaak eindigt als volgt: Tenslotte: hoe is het mogelijk dat zowel Rechtbank, Hof als Hoge Raad het ongekend onrechtmatig handelen van Coopers ongemoeid hebben gelaten en de schadeclaim hebben afgewezen? Had [betrokkene] hier niet meer uit moeten of kunnen halen? Hij zoekt naar een verklaring: “Het lijkt wel of onze rechterlijke macht mentaal niet is toegerust om te oordelen over dit soort financiële mega-belangen. Bij rechters heerst een enorme vrees voor ‘Amerikaanse toestanden’. Op zichzelf is dat best een goede grondhouding: zelf ben ik ook geen voorstander van extreem hoge schadevergoedingen. Maar soms, zoals in het geval van Chipshol, een bedrijf dat nota bene bewust bijna kapot is gemaakt door de eigen accountant kan inderdaad schade optreden van honderden miljoenen. En dan moet een rechter niet bang zijn om doortastend op te treden en het recht toe te passen. Maar bij grote claims leert de ervaring dat Nederlandse rechters nerveus worden. Er gaan opeens gekke dingen gebeuren, zoals rechters die uitvoerig met advocaten gaan bellen over de zaak. In de Chipshol-zaak is dat ook gebeurd met mr. [appellant] van de Haagse Rechtbank. Nederland lijkt wel te klein voor grote claims. Iedereen kent elkaar. Laten we dat een variant noemen van ons poldermodel.” NB: het hof heeft vier kennelijke (spel)fouten in dit citaat verbeterd. [Appellant] heeft in eerste aanleg – zich in het bijzonder richtend tegen de passage in voornoemd citaat van “Maar bij grote claims (-)” tot en met “met mr. [appellant] van de Haagse Rechtbank” - een verklaring voor recht gevorderd inhoudende dat “de aantijging van Mr. [betrokkene], advocaat te Rotterdam, gepubliceerd door [geïntimeerde 2] in het boek Topadvocaten, en uitgegeven door Memory Productions Publications B.V., met de strekking dat Mr. [appellant] niet onafhankelijk, niet onpartijdig, resp. niet bekwaam is, onrechtmatig jegens Mr. [appellant] is”. Voorts heeft [appellant] de veroordeling gevorderd van Memory Productions cs tot betaling van schadevergoeding, op te maken bij staat, alsmede veroordeling van hen in de proceskosten. Het hof zal de passage waar [appellant] zich in het bijzonder tegen richt hierna de subpassage noemen, het gehele citaat zal verder worden aangeduid met: de passage. In reconventie hebben Memory Productions cs gevorderd voor recht te verklaren - kort gezegd - dat de publicatie van het boek met daarin voormeld citaat jegens [appellant] niet onrechtmatig is, met veroordeling van [appellant] in de kosten. De rechtbank heeft de vordering in conventie afgewezen en de vordering in reconventie toegewezen. De grieven richten zich tegen deze beslissing en de gronden waarop zij berust. 3.2 Het hof stelt het volgende voorop. Anders dan [appellant] meent, ligt in de (sub)passage naar het oordeel van het hof niet de suggestie besloten dat op grond van het daarin beschreven gedrag van [appellant] aan diens onpartijdigheid en/of onafhankelijkheid moet worden getwijfeld. Gezien tegen de achtergrond van hetgeen aan de subpassage vooraf gaat (“een enorme vrees voor ‘Amerikaanse toestanden’ en “moet een rechter niet bang zijn doortastend op te treden”) alsook wat daarop volgt (“Nederland lijkt wel te klein voor grote claims” en “Laten we dat een variant noemen van ons poldermodel”) en gelet voorts op de tekst van de subpassage zelf (“dat Nederlandse rechters nerveus worden” en “Er gaan opeens gekke dingen gebeuren”) is de connotatie veeleer die van een zekere schroom ten opzichte van het toewijzen van (zeer) grote schadeclaims en, daarmee samenhangend, van onhandigheid c.q. niet goed te weten hoe “mega zaken” moeten worden aangepakt. Tegen die achtergrond moet dan ook, naar het oordeel van het hof, het zinsdeel “zoals rechters die uitvoerig met advocaten gaan bellen over de zaak” begrepen worden. Dit betekent dat de subpassage weliswaar kritiek uit op (de professionaliteit van) rechters en - als voorbeeld - op [appellant], maar ook dat de door [appellant] gestelde aantasting van zijn eer en goede naam minder ver strekt, althans een ander karakter heeft dan hij aanvoert. Het hier overwogene neemt niet weg dat het voeren van telefoongesprekken als in de subpassage bedoeld risico's mee brengt voor de (objectieve) onpartijdigheid en onafhankelijkheid van de rechter. De stelling dat dergelijke gesprekken gevoerd zijn, kan weliswaar bij de lezer – vaak mede afhankelijk van welk standpunt deze uitgaat; zie volgende alinea - de gedachte oproepen dat dit risico zich ook daadwerkelijk heeft gerealiseerd, maar die enkele mogelijkheid maakt de uiting nog niet onrechtmatig. Over het antwoord op de vraag of (en zo ja, hoe en waarover) een rechter in een zaak een telefonisch gesprek kan voeren met een advocaat kan verschillend worden gedacht. De bewoordingen waarin men zich over zodanige contacten uit zullen – en mogen ook – variëren naar gelang de positie die men over die kwestie inneemt. Dat maakt dat bij de beoordeling van de onrechtmatigheidsvraag - ten aanzien van degene die de uiting doet en a fortiori ten aanzien van de journalist die de uiting citeert - een zekere vrijheidsmarge moet worden aangehouden. De positie van de rechter, en zeker van een individuele rechter, in het openbaar debat is een delicate. Die positie vrijwaart de rechter - noch in het algemeen noch in het individuele geval - echter niet van kritiek, ook niet waar het gaat om diens (objectieve) onpartijdigheid en/of onafhankelijkheid. 3.3 Bij de beantwoording van de vraag of Memory Productions cs onrechtmatig hebben gehandeld door de (sub)passage te publiceren zijn de volgende omstandigheden van belang. - Het was duidelijk, dat de (sub)passage een citaat was en afkomstig was van [betrokkene]. - [Betrokkene] heeft de door hem gewenste/goedgekeurde tekst per email aan [geïntimeerde 2] verstrekt. Daarom moet worden aangenomen, dat het citaat correct was en het om een weloverwogen uiting van [betrokkene] gaat. - [Betrokkene] heeft een jarenlange ervaring als advocaat. - Bij de woorden "dat (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.