GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE Sector handel Zaaknummer : 105.007.070/01 Rolnummer (oud) : 07/1205 Rolnummer rechtbank : 770563 \ CV EXPL 06-38467 arrest van de negende civiele kamer d.d. 7 juli 2009 inzake [de werknemer], wonende te [Woonplaats], appellant, hierna te noemen: [de werknemer], advocaat: mr. L.S.J. de Korte te 's-Gravenhage, tegen ABB B.V., gevestigd te Rotterdam, geïntimeerde, hierna te noemen: ABB, advocaat: mr. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt te 's-Gravenhage. Het geding Bij exploot van 2 oktober 2007 is [de werknemer] in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank Rotterdam, sector kanton, locatie Rotterdam (hierna: de kantonrechter) op 3 juli 2007 gewezen tussen partijen. Bij memorie van grieven heeft [de werknemer] zeven grieven tegen voormeld vonnis aangevoerd (twee met nummer V), die door ABB bij memorie van antwoord zijn bestreden. Tot slot hebben partijen de stukken overgelegd en arrest gevraagd. Beoordeling van het hoger beroep 1. In het vonnis heeft de kantonrechter sub 2.1 t/m 2.6. een aantal feiten vastgesteld. Daartegen is in hoger beroep niet opgekomen, zodat ook het hof daarvan uitgaat. 2. Het gaat in deze zaak, kort gezegd, om het volgende. 2.1. [de werknemer], geboren op [geboortedatum], is vanaf 1 september 1963 op basis van een arbeidsovereenkomst werkzaam geweest voor ABB. Hij was laatstelijk werkzaam als beveiligingsbeambte/groepsleider tegen een bruto loon van € 2.239,40 per maand, exclusief vakantietoeslag. 2.2. [de werknemer] is sedert 19 maart 2001 arbeidsongeschikt. 2.3. ABB heeft in september 2003 aan [de werknemer] in verband met het 40-jarig dienstverband een jubileumgratificatie van € 5.265,89 uitgekeerd. 2.4. Nadat ABB aan de CWI om toestemming had verzocht om het dienstverband met [de werknemer] wegens langdurige arbeidsongeschiktheid te beëindigen heeft de CWI bij brief van 25 februari 2004 aan ABB medegedeeld die toestemming te verlenen, daarbij overwegende: "… dat betrokkene thans langer dan twee jaren onafgebroken arbeidsongeschikt is voor de bedongen arbeid en zicht op een spoedig herstel hiervoor ontbreekt. Passende vervangende arbeid is bij u voor betrokkene niet voorhanden. Betrokkene heeft in zijn reactie de door u aangevoerde ontslaggrond niet weersproken." 2.5. ABB heeft [de werknemer] bij brief van 4 maart 2004 als volgt bericht: "Refererend aan het schrijven van het CWI d.d.25 februari 2004 waarin toestemming wordt verleend het dienstverband te beëindigen, bevestigen wij hierbij uw uitdiensttreding per 30-09-2004. Bij de eindafrekening in oktober a.s. zullen wij een bruto afscheidsgratificatie ad € 341,00 uitbetalen." 2.6. ABB Benelux, van wie ABB een juridische entiteit is, en de vertegenwoordigers van de vakverenigingen hebben in oktober 2003 overeenstemming bereikt over het Raamwerk Sociaal Plan in het kader van het programma "Step Change" (hierna: Sociaal Plan). 2.7. In eerste aanleg vorderde [de werknemer] veroordeling van ABB tot (kort gezegd) betaling van € 128.183,26 bruto uit hoofde van (primair) kennelijk onredelijk ontslag en (subsidiair) nakoming van het destijds binnen ABB geldende Sociaal Plan (met nevenvorderingen). De kantonrechter heeft de vorderingen afgewezen. 3. Met de grieven en de toelichting daarop legt [de werknemer] het geschil, met uitzondering van voormelde feitenvaststelling, in volle omvang aan het hof voor. Een en ander leent zich voor gezamenlijke behandeling. Het hof zal de vragen die in dit verband moeten worden beantwoord hieronder behandelen en overweegt als volgt. 4. Tussen partijen is niet in geschil dat de arbeidsongeschiktheid van [de werknemer] niet werkgerelateerd is en evenmin aan ABB valt te verwijten. kennelijk onredelijk ontslag? 5. Het hof stelt voorop dat naar vaste rechtspraak bij de beoordeling of de gevolgen van de opzegging voor de werknemer te ernstig zijn in vergelijking met het belang van de werkgever bij de opzegging, de rechter alle omstandigheden van het geval ten tijde van het ontslag in onderlinge samenhang in aanmerking dient te nemen (HR 15 februari 2008, NJ 2008, 111). Uit de wet volgt dat daarbij een aan de werknemer toe te kennen vergoeding als voorziening voor het verlies van de dienstbetrekking in aanmerking dient te worden genomen. 6. Het hof verwijst naar zijn op 14 oktober 2008 (LJN BF7002, BF6720, BF6790, BF6960, BF7077, BF8122 en BF8136) en 20 januari 2009 (LJN BH0254) gewezen arresten in zaken waarin vergoedingen gevorderd zijn op grond van kennelijk onredelijk ontslag. In deze arresten wordt overwogen dat het hof voortaan zal uitgaan van, kort gezegd, de uitkomst van de kantonrechtersformule, verminderd met 30%. Daarbij wordt door middel van de C-factor van de kantonrechtersformule rekening gehouden met - alle - voor de hoogte van de vergoeding relevante omstandigheden. Het hof zal in deze zaak overeenkomstig de rov. 5.2 en 5.3 van eerstgenoemd arrest recht doen. 7. Naar het oordeel van het hof zou de uitkomst van de kantonrechtersformule - gelet op de onweersproken langdurige arbeidsongeschiktheid van [de werknemer] en hetgeen hierboven sub 4. is overwogen - neerkomen op een vergoeding van nihil. Immers, de (gevolgen van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.